De Emmakerk: Basiliek in de polder

De Nederlands Hervormde Gemeente in de Watergraafsmeer wilde in de jaren 1920 een nieuwe kerk. Het werd de Emmakerk, die opvallend veel lijkt op een katholiek gebouw.  

Rond 1900 hadden mensen in de gemeente Watergraafsmeer die tot de Nederlands Hervormde Kerk behoorden geen behoorlijk kerkgebouw. Ze moesten over de lange polderwegen óf naar Amsterdam óf naar Diemen – formeel vielen de hervormden onder de kerkgemeente van Diemen.  

Een tijd lang kwamen zij bijeen in de bovenzaal van het oude Rechthuis aan de Ringvaart, en vanaf 1903 konden de hervormden gebruik maken van het kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk aan de Wakkerstraat. Dat werd al gauw te klein. Er werden plannen gemaakt door een Vereeniging Ned. Herv. Kerkgebouw, maar nieuwbouw liet op zich wachten. 

De katholieken in de Watergraafsmeer gingen veel voortvarender te werk. Eind jaren twintig kregen ze de beschikking over een nieuwe parochiekerk, de burchtachtige Heilige Martelaren van Gorcumkerk van architect Alexander Kropholler op het Linnaeushof.  

Van Heutszmonument 

De hervormden konden natuurlijk niet achterblijven. Daarom richtten ze in 1925 een zelfstandige gemeenschap op voor de Watergraafsmeer, los van de oude in Diemen. Na de nodige inzamelingen werd een smal perceel aangekocht, direct ten zuidoosten van landgoed Frankendael op de hoek van de Nieuweweg, nu de Hugo de Vrieslaan, en de Middenweg – zo ongeveer de meest prominente plek in de Meer.   

Als architect werd Gijsbert Friedhoff aangetrokken. Hij had met Frits van Hall begin jaren dertig het Van Heutszmonument ontworpen. Ook het Hervormde Diaconieweeshuis aan de Volkerakstraat (afgebroken in de jaren 1990) en de First Church of Christ, Scientist aan de Richard Wagnerstraat waren van zijn hand. Deze werken maakten hem waarschijnlijk een geschikte kandidaat.  

De Emmakerk, vernoemd naar de moeder van de toenmalige vorstin, werd in 1937-’38 gebouwd en op 18 februari 1939 feestelijk in gebruik genomen. Dominee Meeter heette iedereen welkom in ‘dit schoone godshuis, waarvoor zooveel jaren is gespaard, waarvoor zooveel offers zijn gebracht, en waarvoor men zich zoo vele ontberingen heeft getroost’. 

De hervormden waren zeer aan het koningshuis gehecht. Koningin Emma was in 1934 overleden; Wilhelmina had net het jaar voor de inwijding van de kerk haar veertigjarig regeringsjubileum gevierd. De kerk was dus naar Emma genoemd om ‘ons Oranjehuis’ te eren, ‘de Moeder om de Dochter en de Dochter om de Moeder’. Er werd bij de inwijding nog even herinnerd aan het zelfstandig worden van de Hervormde Gemeente Watergraafsmeer, toen er kennelijk vrees had bestaan ‘dat de predikant tegen de 30 Amsterdamsche dominés niet zou òpkunnen. Geen zieltje werd echter naar Amsterdam getrokken...’ 

Voorname eenvoud 

De opdracht voor Friedhoff was niet eenvoudig. De kerk moest minimaal duizend zitplaatsen herbergen, maar het rechthoekige en langgerekte perceel lag ingeklemd tussen de Molensloot en de Nieuweweg. Dat betekende dat Friedhoff beperkt was in de vorm en hoofdopzet van het kerkgebouw. Hij ontwierp een langgerekte kerkzaal onder een hoog zadeldak. De voorgevel met drie portalen kwam iets terug te liggen van de Middenweg, en de raadskamer, vergaderzalen en het woonhuis van de dominee kwamen in het verlengde van het kerkgebouw. Op de hoek bij de kruising plaatste hij een ranke klokkentoren met bovenop een elegante bekroning, die direct een herkenningspunt in de buurt werd.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Friedhoff had een voorkeur voor eigentijdse Scandinavische architectuur en vormgeving. Die werden gekenmerkt door een combinatie van hoogwaardig metselwerk en natuursteen, en een sobere ornamentiek. De licht zwellende bakstenen toren van de Emmakerk lijkt dan ook op die van het stadhuis in Stockholm, dat begin jaren 1920 voltooid werd. Ook de toren van het Raadhuis van Enschede, dat Friedhoff tussen 1930 en 1933 voltooide, heeft die vorm, net als de toren van Museum Boymans in Rotterdam uit 1935, ontworpen door Adriaan van der Steur.

Behalve de toren werd het interieur van het gebouw geprezen vanwege ‘een voorname eenvoud en waardige rust’, ‘stemmig, mooi van licht en toon’ met veel getalsymboliek. Vooral het door Friedhoff zelf ontworpen houten kanselmeubel tegen de westwand van de kerk maakte veel indruk. De preekstoel, het doopfont, de avondmaaltafel en het orgel waren in één meubel geïntegreerd: ‘Een nieuwigheid in dit kerkgebouw is, dat de speeltafel van het orgel (…) zich op het kanselpodium bevindt, zoodat direct contact tusschen den predikant en den organist mogelijk is’, aldus de Standaard.

Dicht bij de kansel

Het langgerekte ontwerp paste goed op het smalle perceel, maar leverde ook problemen op in het gebruik van de kerk. Friedhoff gaf zelfs aan dat er ‘een conflict tusschen den uiterlijken vorm en het inwendige gebruik’ kon ontstaan. Hij had voor de lange en smalle kerk eigenlijk teruggegrepen op de vorm van de eerste basilieken uit de vroegchristelijke tijd, helemaal aan het begin van het ontstaan van het Christendom.

Die hadden een lang middenschip met lagere zijbeuken. De blikrichting van de kerkgangers was gericht op het hoogaltaar aan de oostzijde, waar alleen de voornaamste kerkgangers plaats konden nemen. Vaak was er ook een vrijstaande klokkentoren. In de jaren 1920 en ’30 was dit historische type kerk vooral populair onder katholieke kerkbouwers; in Amsterdam is de Sint-Agneskerk aan de Amstelveenseweg uit 1932 van architect Jan Stuyt een goed voorbeeld.

Protestante kerkgangers hadden een heel andere behoefte: zij wilden het liefst zo dicht mogelijk bij de kansel zitten, om de preek zo goed mogelijk te kunnen horen. Kerken ontworpen voor de protestantse eredienst hebben daarom vaak een veelhoekige plattegrond, zoals te zien is bij andere protestantse kerken in de buurt als de Muiderkerk van architect Gerrit Willem Vixseboxse uit 1892 aan de Linnaeusstraat (in 1989 grotendeels afgebrand), en de Elthetokerk van architect Cornelis Kruyswijk, die in 1929 helemaal aan het einde van de Insulindeweg in de Indische Buurt gebruik werd genomen en in 1992 werd gesloopt. 

Romantische bezinning

Maar toen Friedhoff zijn ontwerp maakte zochten de protestanten naar een nieuwe kerkarchitectuur, met waardiger kerkgebouwen. En zo werd ook deze ‘neo-basilicale’ kerk met moderne architectonische vormen in hervormde kringen populair, mede als gevolg van een soort ‘romantische bezinning op oer-oude essentiële leerstellingen van het christendom’.

Bij de Emmakerk was niet het altaar, maar de kansel aan de westzijde van de kerk het centrale focuspunt. Veel bezoekers zaten dus op een flinke afstand. Friedhoff haalde een aantal trucjes uit om het gewenste aantal van duizend zitplaatsen te behalen die toch een goede relatie met de kansel zouden hebben.

Zo maakte hij de zijbeuken, die in de meeste kerkgebouwen als loopgangen aan de zijkant worden gebruikt, een integraal onderdeel van de hoofdruimte. Dit deed hij door de zuilen die de kerkwanden dragen in beton uit te voeren, waardoor ze dunner waren en het zicht op de kansel minimaal verstoorden. Zo ontstond een ruim, licht maar ook intiem kerkinterieur. Ongeveer 220 kerkgangers konden plaatsnemen boven in de schuinoplopende gaanderij, die via een monumentale trap in de voorhal bereikbaar was. De Emmakerk was ondanks het ‘katholieke’ schema dus toch een echte protestantse volkskerk geworden.

Ontmoetingskerk

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de klok, geschonken door de gemeenteleden, door de Duitsers gevorderd en uit de toren getakeld. Na de oorlog werd een nieuwe klok ingehangen, gegoten door J. Zimmer & Zn. uit Amsterdam. In 1967 werd er geld ingezameld om de toren te restaureren, en in november dat jaar werd de houten koepel bovenop de toren ernstig beschadigd door een storm. De reparatie werd mogelijk door een grote gift van de overbuurman, AFC Ajax.

De terugloop in het aantal kerkgangers in de hervormde gemeente betekende dat de Emmakerk in de jaren 1990 in de gevarenzone terechtkwam. Uiteindelijk werd niet gekozen voor sloop maar voor een grootschalige renovatie en herinrichting met als doel een echte ‘ontmoetingskerk’ te creëren: De Bron. Om de ruimte multifunctioneler te maken werd een monumentale glazen wand van Jan Beutener tussen de kerkzaal en de gaanderij aangebracht. Ironisch genoeg maakt deze inkorting het gebouw qua opzet eigenlijk weer een stukje ‘protestantser’.

Stadsarchief Amsterdam

 

Delen:

Buurten:
Oost
Dossiers:
Religie
Editie:
September
Jaargang:
Tijdperk:
1900-1950
Rubriek:
Verhaal