De eeuw van Marga Minco. ‘Omdat ik het overleefd heb, schrijf ik’

100. Marga Minco wordt deze maand 100. Ze was 99 toen ze de P.C. Hooftprijs kreeg, 37 toen het Bittere kruid, haar eerste boek, uitkwam, 20 toen de Nazi-bezetting begon. Sara werd ze genoemd bij haar geboorte. Niemand van haar familie keerde terug uit de vernietigingskampen.

Op een foto van enkele jaren na de bevrijding loopt een mooie jonge vrouw met haar dochtertje op de Dam, lachend, het halflange, donkere haar los op de schouders. Ze is 28 en noemt zich Marga Minco. Onder die naam zal ze uitgroeien tot een van Nederlands meest imponerende schrijvers. Vorig jaar, op haar 99ste, kreeg ze de P.C. Hooftprijs voor haar unieke oeuvre dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, het voorspel en de nasleep ervan belichaamt. En nu wordt ze honderd. Haar eeuwfeest valt samen met ‘75 jaar bevrijding’, voor Marga Minco driekwart eeuw overleven.

 

Tekst gaat verder onder foto

Beeld: Marga Minco met haar oudste dochter Bettie in 1948 op de Dam. Fotoatelier Baruch, Rapenburgerstraat 181. Privécollectie

 

Hoe de ogenschijnlijk opgewekte jonge vrouw op de foto zich van binnen voelde, vertelde ze op haar 70ste aan Ischa Meijer: “Na de bevrijding heb ik al mijn woede uit alle macht weggestopt. […] Die woede heb ik nooit, nooit geuit. Bij vlagen is die razernij er nog wel. Het is toch eigenlijk onvoorstelbaar hoe mijn generatie zich weer heeft kunnen aanpassen aan zoiets als een geordende, gewone samenleving, na alles wat ook die samenleving ons heeft aangedaan.” (Nieuwe Revue, 24 jan. 1991.)

Marga Minco moest onder ogen zien dat zij de enige overlevende was van het Joodse gezin waarin ze op 31 maart 1920 in het Brabantse Ginneken werd geboren als Sara Minco. Haar ouders, broer, zuster en hun partners werden vermoord in de vernietigingskampen. Aan hun nagedachtenis droeg ze in 1957 Het bittere kruid op, haar hartverscheurende in meer dan twintig talen vertaalde en tientallen malen herdrukte debuut met de slotzin: “Zij zouden nooit terugkomen, mijn vader niet, mijn moeder niet, Bettie niet, noch Dave en Lotte.”

Door over hen te schrijven – en daarmee over het lot van zovele Joden – hield ze haar dierbaren in leven. Tegelijkertijd maakte ze voor een groot en generaties omspannend publiek invoelbaar wat het betekent Holocaust-overlevende te zijn. Op Het bittere kruid volgden de bekroonde novelle Het adres (1957), talrijke verhalenbundels en de romans Een leeg huis (1966), De val (1983), De glazen brug (Boekenweekgeschenk 1986) en Nagelaten dagen (1996).

Als bakvis schreef ik vooral romantische en sprookjesachtige verhalen

Judenviertel

Veel van haar werk speelt in Amsterdam, waar ze in 1942 introk bij haar naar het ‘Judenviertel’ verbannen ouders. Vanuit hun woning aan de Sarphatistraat (die van augustus 1942 tot mei 1945 Muiderschans heette) werden vader en moeder weggevoerd, zelf wist ze op het nippertje te ontkomen. Na diverse onderduikadressen betrok ze in 1944 samen met haar latere echtgenoot, journalist en dichter Bert Voeten, een leegstaand huis aan de Kloveniersburgwal. Daar maakte zij – in de Hongerwinter bevallen van haar dochtertje Bettie – de bevrijding mee. In de aangrijpende roman Een leeg huis vertelt Minco’s alter ego Sepha, net als de schrijfster enig overlevende van haar Joodse familie, hoe zij die beleefde: “Ik wil roepen, zwaaien, handen drukken, maar ik kan alleen maar kijken. En het is alsof ik iets zie dat niet bestemd is voor mijn ogen. Ik voel geen vreugde.”  

Om niet, zoals Yona, de andere hoofdpersoon van Een leeg huis, ten onder te gaan aan woede, wanhoop, verdriet en onverschilligheid jegens haar en haar lotgenoten, bleef Minco haar herinneringen en ervaringen boekstaven. Ze hield zich staande door haar vernietigde familie te laten terugkeren in haar werk. “Zo er één thema is dat je virtuoos hanteert, is het dat van overleven”, constateerde interviewer Ischa Meijer in 1991. De schrijfster antwoordde: “Omdat ik overleef – nu al zo’n veertig jaar – daarom schrijf ik. Omdat ik het overleefd heb.”

Hoe zwaar is het om zo lang te moeten overleven? Slijt het verdriet bij het ouder worden of neemt het juist toe? Op haar 84ste vroeg ik het Marga Minco bij de verschijning van haar verhalenbundel Storing. Het verdriet was er niet minder op geworden, zei ze, maar ook niet erger, zoals bij sommige van haar lotgenoten. “Ik wil niet zeggen dat ik ermee heb leren leven, maar het is een gegeven dat ik in de loop der jaren geaccepteerd heb, omdat het niet anders kan. Ik heb altijd de neiging gehad om niet bij de pakken neer te zitten. Aan het eind van mijn leven besef ik heel goed dat het ook anders had kunnen lopen.” (NRC Handelsblad, 27-08-2004.)

 

Tekst gaat door onder foto

Achter de signeertafel tijdens de Boekenweek in 1986 met onder meer Het bittere kruid, De Val en het door haar geschreven Boekenweekgeschenk De glazen brug. Privé-collectie

 

Absurdisme

Het einde van haar leven was nog lang niet in zicht. Anders dan voor Frieda Borgstein, de 84-jarige hoofdpersoon uit de roman De val, zou Minco’s 85ste verjaardag niet haar laatste zijn. Frieda, eveneens de enige overlevende van een Joods gezin die haar vermoorde verwanten bleef herdenken, stierf door een ongeluk. Doodgaan wilde Frieda niet, want: “Zolang zij leefde, zolang haar herinnering werkte hield ze hen aanwezig; daarmee rechtvaardigde ze haar bestaan.” Voor Marga Minco geldt hetzelfde. Hoe oud ze ook wordt, altijd is ze haar dierbaren tot leven blijven wekken dankzij subliem, sober proza dat impliciet een felle aanklacht is tegen antisemitisme, racisme en discriminatie van minderheden.

Nog op 88-jarige leeftijd schreef ze onder de titel Een sprong in de tijd de 4 mei-lezing voor de Nationale Dodenherdenking in de Amsterdamse Nieuwe Kerk over haar herinneringen aan 4 mei 1940. Ontroerende portretten van haar argeloze familieleden wisselt ze daarin af met het verbijsterende verhaal over haar ontslag als Joodse journalist bij de Bredasche Courant.

Toen ik Marga Minco in 2004 vroeg wat voor schrijver ze zou zijn geworden zonder de Jodenvervolging en de noodzaak daarvan getuigenis af te leggen, verwees ze naar haar vooroorlogse krantencolumns (‘cursiefjes’): “Die gingen meestal over dingen die mij opvielen in de stad, vreemde situaties. Ik observeerde graag mensen in hun doen en laten. In die tijd schreef ik al korte verhalen en een kinderboek, nota bene over kikkers die, als ze niet de zin van Koning Kikker deden, in een soort concentratiekamp terechtkwamen. Daar was ik toen dus al mee bezig. Al sinds de opkomst van Hitler speelde dat een rol in mijn denken. Daarvóór, als bakvis, schreef ik vooral romantische en sprookjesachtige verhalen. Na de oorlog heb ik aan het tijdschrift Mandril meegewerkt, daarin schreef ik bijdragen die helemaal niet over de oorlog gingen. Misschien zou dat – als er geen bezetting en Jodenvervolging waren geweest – mijn stijl geworden zijn: absurdistisch proza. Eigenlijk is Het bittere kruid ook een absurd verhaal, maar met een tragische achtergrond.”

 

Humor

Die tragische achtergrond heeft haar werk en leven bepaald, maar humor hoort evenzeer bij de persoonlijkheid en stijl van de schrijfster. Dat blijkt niet alleen uit de verhalen die ze voor het satirische Mandril schreef, maar ook uit de manier waarop intimi haar typeren. Niet als sad person, maar als een vrolijke vrouw met een groot en subtiel gevoel voor humor, dat ze bijna vijftig jaar lang deelde met echtgenoot Bert Voeten.  

In haar boek Het Witsenhuis geeft Minco’s jongste dochter Jessica Voeten een impressie van het huwelijk van haar vader en moeder. Eind 1949 verruilden zij Kloveniersburgwal 49 voor Oosterpark 82, het voormalige huis van de schilder Willem Witsen, dat gratis woonruimte bood (en biedt) aan armlastige schrijvers. Op de begane grond woonde de dichter Jacques Bloem, die een vers schreef voor de 30ste verjaardag van Minco. En toen in februari 1956 Jessica ter wereld kwam in het besneeuwde Witsenhuis, verwelkomde Adriaan Roland Holst (‘oom Jany’) haar met een kwatrijn. Foto’s en teksten van de talrijke kunstenaars sieren een door het echtpaar Voeten-Minco bijgehouden gastenboek, waar het plezier van afspat.

Ruim twintig jaar woonden en werkten ze in het Witsenhuis, dat ze eind 1969 verlieten. Ze konden zich nu een eigen huis permitteren in de nabijgelegen Tweede Oosterparkstraat, waar de schrijfster nog altijd woont, sinds eind 1992 als weduwe. Bert Voeten overleed op zijn 74ste aan een hartstilstand. Zijn dood heeft haar leven ingrijpend veranderd omdat ze ineens besefte hoe oud ze werd, vertelde Minco mij. “Maar,” voegde ze eraan toe, “je doet het één of het ander. Óf je sukkelt in, óf je wilt verder en als je verder wilt moet je zorgen dat je dat goed doet.”

Ze deed het uitstekend: bleef publiceren, lezingen geven en haar publiek attenderen op het gebrek aan solidariteit van veel Nederlanders met de Joden tijdens de bezetting en de kille vijandigheid van ‘bewariërs’ die na de oorlog weigerden de hun toevertrouwde (of gestolen) bezittingen van weggevoerde Joden terug te geven aan nabestaanden. Onverschilligheid jegens de ontredderde overlevenden van de Holocaust bracht ze verhaal na verhaal op grond van eigen ervaringen zorgvuldig in kaart.

 

P.C. Hooftprijs

Ter gelegenheid van Minco’s 90ste verjaardag verscheen haar verzamelbundel Achter de muur met enkele niet eerder gebundelde, verrassend actuele verhalen, waarvan er een lijkt te gaan over de moord op Theo van Gogh, vlak bij haar om de hoek. Gevraagd naar de verhouding tussen fictie en werkelijkheid in haar werk antwoordde ze: “Ach, al mijn verhalen zijn gebaseerd op de werkelijkheid, maar dekken die niet helemaal. Interpreteer ze zoals je wilt, maar nu ga ik mijn verjaardag vieren.”

Hoezeer haar verhalen de werkelijkheid soms volledig dekken, kwam vorig jaar op schokkende wijze aan het licht in verband met de toekenning aan Marga Minco van de P.C. Hooftprijs. Gillis Dorleijn, voorzitter van de stichting die deze hoge literaire onderscheiding uitreikt, bleek namelijk een kleinzoon van de gehate ‘bewariër’ mevrouw Dorling (in werkelijkheid Dorleijn) uit Minco’s novelle Het adres. Aan het begin van de oorlog had mevrouw Dorleijn zich (nogal gretig) ontfermd over de spullen van Minco’s ouders. Toen Marga zich na de oorlog als enige overlevende van de familie meldde op het adres van de Dorleijns om die bezittingen op te halen, werd haar de deur gewezen.

“Hij kan er niets aan doen”, was Minco’s reactie nadat ze met ongeloof en schrik de naam van de P.C. Hooft-voorzitter had vernomen. Bij de prijsuitreiking in huiselijke kring was de nazaat van de mensen die botweg hadden geweigerd haar de bezittingen van haar vermoorde familie terug te geven, niet aanwezig. Het adres werd herdrukt in een speciale uitgave. Jessica Voeten opent het boekje met een reconstructie van de feiten op basis van een ambtelijk dossier uit 1946. De familie Dorleijn kreeg van officiële instanties toestemming, zo blijkt, om de herhaalde verzoeken van Marga Minco tot teruggave van haar rechtmatige eigendommen niet te honoreren.

Marga Minco noemde de houding van Dorleijns grootouders in NRC Handelsblad exemplarisch voor de naoorlogse periode. Gevraagd naar haar huidige gevoelens voor deze en soortgelijke harteloze mensen, antwoordde zij: “Ik kan het ze moeilijk nu nog kwalijk nemen. Ik vond dat ik er niet op moest blijven hangen. En er is nadien zo veel gebeurd. Het leven gaat door.”

ELSBETH ETTY IS JOURNALIST EN PUBLICIST.

Maartnummer 2020
 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Maart
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000 Vanaf 2000