De dood op afstand

Begraafplaatsen binnen en buiten de stad

Een begraafplaats waar kinderen spelen, koeien en geiten grazen en vrouwen de was bleken, dat was in middeleeuws Amsterdam heel gewoon. Maar vanwege de hygiëne en de uitbreiding van de stad hebben we onze doden steeds verder weg te ruste gelegd, liefst op een lommerrijke of rustieke plek. De Amsterdamse begraafplaatsen zijn daarom steeds opnieuw verschoven naar de rand van de stad – op veilige afstand van het leven.

Het eerste kerkhof van Amsterdam werd aangelegd rond 1280, aan de oostzijde van de Amstelmonding, op de oever die nog niet was bewoond. Vooraanstaande inwoners lieten zich echter – evenals daarvoor – begraven in Ouderkerk, de hoofdplaats van Amstelland, vanwaaruit de nederzetting was gesticht. Met een bootje werd de overledene dan over de Amstel naar Ouderkerk gebracht. De kapel die rond 1306 op dat allereerste kerkhof werd neergezet (op de plek waar later de Oude Kerk kwam te staan), zal trouwens aanvankelijk ook vanuit Ouderkerk zijn bediend, tot de stad in 1334 een eigen pastoor kreeg. De begraafterp bij de huidige Warmoesstraat zag er anders uit dan onze moderne begraafplaatsen, waar imposante grafstenen met de namen van de overledenen erop naast elkaar liggen en langs de graven mooi aangeharkte grindpaden lopen. De doden werden in de Middeleeuwen zonder kruis of steen begravenmet als bijkomend voordeel dat het veld ook nog voor andere activiteiten kon worden gebruikt. Het was in feite meer een gemeenschappelijke ruimte waar men zijn doden begroef, maar waar ook de inwoners elkaar troffen, waar vee graasde, waar kinderen konden spelen en waar karweitjes werden verricht die ruimte vergden, zoals het naaien van zeilen of het bleken van de was. Dat wil niet zeggen dat de dood in de Middeleeuwen natuurlijker werd gevonden dan nu. Integendeel. Er was een diepgewortelde angst voor de ziel van een overledene. Zozeer zelfs dat er een gewoonte ontstond contracten af te sluiten bij een open graf, omdat geen van de partijen het dan in zijn hoofd zou halen de afspraak te schenden.

De noodzaak voor een tweede kerk én een tweede begraafplaats ontstond krap een eeuw later. Aan de westkant van de dam in de Amstel werd daarom rond 1405 de Nieuwe Kerk gebouwd, waarbij twee kerkhoven kwamen.Eén lag bij de huidige Eggertstraat. Dat was het ‘Ellendigenkerkhof’, een veld voor misdadigers, landlopers, ongedoopten en al wie men niet aan gewijde grond toevertrouwde. Rijkere parochianen kochten een graf in de kerk, liefst zo dicht mogelijk bij het altaar waar de heilige hostie, het lichaam van Christus was geborgen. Wie daarvoor geen geld had kwam in ieder geval vlakbij de kerk te rusten. Eens per jaar was er op het kerkhof feest. Als de kerkgangers de wijding van hun kerk herdachten, kwamen op deze hoogtijdag allerleihandelaren en ‘kunstemakers’ af, die hier hun waren uitstalden en hun kunsten vertoonden. De jaarlijkse ‘kerkmis’, de viering van het eigen godshuis, trok dus niet alleen feestgangers van binnen de gemeente en werd zo uiteindelijk de voorloper van de (later zo ordinair bevonden) kermis.

Zowel de Oude als de Nieuwe Kerk dijden – dankzij een zekere concurrentiedrift onder de parochianen – steeds verder uit. In 1578 nam de Oude Kerk nagenoeg de hele begraafterp in beslag, zodat er geen doden meer bij konden: na drie eeuwen sloot het Oudezijdskerkhof.1 Het Nieuwezijdskerkhof ging een kleine eeuw later dicht, bij de bouw van het nieuwe stadhuis op de Dam. Maar toen waren in de stadsuitbreidingen al overal nieuwe kerkhoven ingericht.

Een nieuwe wijk, een nieuwe begraafplaats

De eerste dodenakker die als zelfstandige begraafplaats werd aangelegd (dus zonder kerk) stamt uit 1602. In dat jaar woedde in de stad een ernstige pestepidemie, waarbij meer dan 10.000 doden vielen. Het stadsbestuur moest de capaciteit aan grafruimte dus snel en drastisch vergroten. Buiten de stad, aan de weg naar Haarlem, werd in de tuin van het bij de Alteratie (1578) geconfisqueerde Karthuizerklooster, een publieke dodenakker aangelegd. In mei 1602 werden hier de eerste doden begraven.

Voortaan zou het stadsbestuur erop toezien dat in iedere nieuw aan te leggen woonwijk een kerk zou verrijzen met een begraafplaats. In juni 1602 werd op het nieuwe Zuiderkerkhof bij de Sint Antoniesbreestraat de eerste dode ter aarde besteld. Het jaar daarop werd hier begonnen met de bouw van de Zuiderkerk door Hendrick de Keyser (die in de kerk begraven ligt). Zijn schoonzoon Nicolaas Stone ontwierp het toegangspoortje van de begraafplaats met een doodsbaar en twee doodshoofden, dat bij de stadsvernieuwing weer is teruggeplaatst in de Sint Antoniesbreestraat.

Ook bij de uitbreiding van de binnenstad met de grachtengordel werd een prestigieuze kerk met bijbehorend kerkhof geplandDat werd de Westerkerk, eveneens ontworpen door Hendrick de Keyser. Twee jaar voordat met de bouw werd begonnen, werd op het Westerkerkhof in januari 1618 de eerste dode begraven. De twee deuren naar het kerkhof aan de achterzijde van de kerk zijn toepasselijk gedecoreerd met doodshoofden. De fraaie stenen poort die in de ommuring van het kerkhof toegang gaf tot het Westerkerkhof, staat tegenwoordig links van de toren op de Prinsengracht.

Bij de aanleg van een nieuwe omwalling kwam het Karthuizerkerkhof binnen de stad te liggen, midden in de Jordaan. Ook in deze volkswijk kwam een nieuwe kerk met kerkhof – zij het een stuk eenvoudiger uitgevoerd. Op het Noorderkerkhof, waar in december 1622 het eerste graf werd gedolven, kwam geen stenen, maar een houten poort. Hier wordt thans de herinnering aan de dodenakker levend gehouden doordat de vorm ervan in het plaveisel van de Noordermarkt is aangegeven.

De toename van het aantal bewoners in een stad is in alle tijden af te lezen aan de capaciteit van de grafruimte die beschikbaar was. Met de vele stadsuitbreidingen in de eerste helft van de 17de eeuw, bleek de beschikbare ruimte op de publieke kerkhoven toch nog onvoldoende. Rijke en vooraanstaande burgers hadden zich allemaal verzekerd van een familiegraf in een van de kerken, of ze huurden een graf als het zover was. Het was zelfs – tegen betaling van een flinke som geld – mogelijk om op zondag tijdens de dienst te worden begraven, waarbij door het verwijderen van de grafsteen een dusdanige stank vrijkwam dat er mensen flauwvielen. Het ten grave dragen tijdens de zondagsdienst werd daarom al vroeg verboden.

De groep bezitlozen in de stad groeide zoveel sneller dan de voor hen bestemde grafruimte, dat voor hen nog twee kerkhoven in gebruik werden genomen: het Heiligewegskerkhof buiten de Heiligewegspoort (sinds augustus 1639, nu het Koningsplein) en het Sint-Antonieskerkhof buiten de Sint-Antoniespoort (sinds mei 1640, nu het Hortusplantsoen). Dat deze dodenakkers buiten de stad werden aangelegd was niet zozeer om hygiënische als om praktische redenen: er was binnen de stad geen ruimte beschikbaar. Beide kerkhoven kwamen amper een kwarteeuw later binnen de stadswallen te liggen, toen in 1664 de grachtengordel werd doorgetrokken. Voor de aanleg van het tweede stuk van de Herengracht werd het Heiligewegskerkhof verplaatst naar een terrein net aan de andere kant van de weg aan het einde van de Leidsegracht. Van het oude kerkhof zijn in 1953 nog sporen gevonden achter het bankgebouw Herengracht 434-440. Het verplaatste kerkhof ging Leidsekerkhof heten. Het lag ongeveer waar nu het Raamplein is.

Het besef dat al die lijken in dicht bevolkte buurten niet gezond waren, werd in de loop van de eeuw steeds sterker en bij de grote pestepidemie van 1655, met 15.000 doden, werden het Wester- en het Noorderkerkhof gesloten. Hiervoor in de plaats werden bij de bolwerken aan de westrand van de Jordaan het Raamkerkhof en het Palmkerkhof ingericht (nu respectievelijk het Tweede en Eerste Marnixplantsoen). Daarmee waren er weer twee begraafplaatsen bijgekomen zonder kerkmaar in de 17de eeuw was het middeleeuwse geloof dat de doden binnen de gemeenschap dienden te rusten nabij de heiligheid van de kerk, al lang verleden tijd. Om de ‘klandizie’ gelijkmatig over de kerkhoven te verspreiden, werd de stad in 1681 in een aantal wijken ingedeeld, waarbinnen van een bepaalde begraafplaats gebruik moest worden gemaakt. Alleen als er retributie werd betaald aan het Aalmoezeniersweeshuis, was het mogelijk elders een graf te krijgen.

De stad uit

Het stadsbestuur moest in de 19de eeuw heel wat problemen oplossen rond de begraafplaatsen in Amsterdam. Sinds 1830 was het niet langer toegestaan zich te laten begraven in een kerk. De nieuwe regering onder koning Willem I verplichtte steden om kerkhoven aan te leggen buiten de bebouwing. Door nieuwe stadsuitbreidingen, kwamen de vijf aan de stadsrand gelegen kerkhoven echter in de stad te liggen en dat was dus verboden (althans, er mochten geen begrafenissen meer plaatsvinden). Voor een grote stad als Amsterdam was het scheppen van nieuwe begraafplaatsen met voldoende capaciteit echter geen sinecure. Dat was echter niet de enige kopzorg van de bestuurders. Inwoners die eeuwenlang gewend waren om hun doden in de kerken te begraven, kregen nu te horen dat dit voortaan verboden was. Al lagen er nog zoveel generaties in het familiegraf, de nazaten moesten naar een begraafplaats elders. Het verzet tegen de nieuwe regels die zo diep in het familieleven en de traditie ingrepen, was in Amsterdam buitengewoon taai.

Er gingen enkele decennia – en vele pleidooien van vooraanstaande artsten – overheen voordat twee locaties werden aangewezen voor het inrichten van nieuwe kerkhoven. Ten westen van de stad, net buiten de Willemspoort op een terrein tussen de Houtmankade en de Westzaanstraat, ging in 1860 de Westerbegraafplaats open. Het Karthuizerkerkhof in de Jordaan werd toen gesloten (in 1911 werd er de nog steeds bestaande Noorderspeeltuin aangelegd). Aan de oostzijde van de stad kwam zes jaar later buiten de Muiderpoort aan de Mauritskade de Oosterbegraafplaats tot stand, die later omringd zou worden door het Oosterpark. Deze verving het Sint Antonies-, Palm- en Raamkerkhof. Het Leidsekerkhof was toen al twee jaar niet meer in gebruik.

De katholieken, die sinds de hervorming geen eigen kerkhoven meer hadden en zich moesten behelpen met een klein schepje gewijde aarde op de kist, hadden al in 1845 bij de statie De Liefde, tussen de Kostverlorenvaart en de Singelgracht, een eigen kerkhof gesticht (later het Bilderdijkpark). De joden van Amsterdam hebben altijd begraafplaatsen buiten de stad gesticht, aangezien het volgens de joodse wet verboden is de overledenen binnen de stad te begraven. De Portugese joden hadden sinds 1614 een begraafplaats aan de Amstel in Ouderkerk, de Hoogduitse joden stichtten in 1642 een begraafplaats in Muiderberg, terwijl in 1714 aan de Zeeburgerdijk een armenbegraafplaats werd ingericht.

De drie begraafplaatsen buiten de wallen waren al na enkele decennia vol, terwijl eromheen ook weer nieuwe buurten waren ontstaan. Voor de vervanging van de gemeentelijke kerkhoven koos het stadsbestuur dit keer terreinen die echt ver weg lagen. De Nieuwe Westerbegraafplaats kwam helemaal bij de Petroleumhaven in het Westelijk Havengebied, de Nieuwe Ooster in de naburige gemeente Watergraafsmeer. Het creëren van deze begraafplaatsen buiten de stad, betekende opnieuw dat de bestaande kerkhoven zouden worden opgeheven. Ook dit keer leidde dat tot grote beroering. De laatste rustplaats van geliefden, ouders, kinderen, vrienden raakte zo door veel onrust omgeven en er ontstond een markt voor particuliere dodenakkers, waar grafrust kon worden gegarandeerd.

Bezinning en rust

Na 1890 breidden de keuzemogelijkheden zich snel uit. In twaalf jaar tijd kwamen er, inclusief de Nieuwe Wester en de Nieuwe Ooster, zes nieuwe begraafplaatsen bij, waarvan de meeste (net) buiten de stad lagen. In Sloten stichtte de aannemer Pieter Oosterhuis in 1890/91 (aan de huidige Rijnsburgstraat) op een stuk grond van de voormalige buitenplaats Huis te Vraag aan de Schinkel een protestantse familiebegraafplaats. Twee jaar later ging iets ten noorden van de Haarlemmertrekvaart de nieuwe katholieke begraafplaats Sint Barbara open, die het kerkhof bij De Liefde verving. Het jaar daarop kwamen de Nieuwe Wester- en de Nieuwe Oosterbegraafplaats beschikbaar, maar de afstand tot de eerste – gelegen in het open, kille havengebied - was zo groot dat bewoners van de Jordaan al snel het initiatief namen om een bereikbare dodenakker aan te leggen. Dat werd Vredenhof aan de Haarlemmerweg, dat in 1897 openging. Net zoals op de Oude Wester, konden de Jordanezen hier dagelijks een bezoek brengen aan de graven van hun geliefden.

Al in 1870 had de gemeente Nieuwer-Amstel op het voormalige buiten Zorgvlied aan de Amstel een begraafplaats gesticht, omdat de algemene begraafplaats rond de oude dorpskerk weinig aantrekkelijk werd gevonden en daardoor een noodlijdend bestaan leidde. Voor het ontwerp van de nieuwe, moderne begraafplaats werd de gerenommeerde tuinarchitect Louis Paul Zocher aangetrokken, die een plek voor bezinning en rust creëerde in de vorm van een park. Direct vanaf de oprichting is Zorgvlied populair geweest bij Amsterdammers.

Er was nog een zesde begraafplaats die zich op de Amsterdamse markt richtte en dat was het oude parochiekerkhof van Buitenveldert. De begraafplaats die in 1835 bij het kerkje was aangelegd en die bij een grenswijziging in 1896 net buiten de stadsgrens was komen te liggen, voorzag in een grote behoefte. In de nieuwe buurten die werden gebouwd tussen Buitenveldert en de stad kwamen namelijk tal van katholieke kerken te staan: de Vondelkerk, de Vincentiuskerk, de Obrechtkerk en de Agneskerk. Die kerken hadden tezamen heel wat parochianen, maar geen kerkhoven. Een aanzienlijke doelgroep voor het parochiekerkhof in Buitenveldert dus. Ook het katholieke gedeelte van Zorgvlied, dat al twee jaar na de oprichting was ingewijd, leidde immers al dertig jaar een bloeiend bestaan. Met het oog op de Amsterdamse gelovigen werd de r.k. Begraafplaats Buitenveldert in 1902 en 1907 belangrijk vergroot, hoewel de Amsterdamse geestelijkheid aanvankelijk probeerde de ‘eigen’ begraafplaats Sint Barbara te bevoordelen. Bij de annexatie van 1921 kwam Buitenveldert echter binnen de stad te liggen, evenals Vredenhof, Te Vraag, Zorgvlied en de Nieuwe Ooster (het deel van Sloten waarin Sint Barbara lag was al in 1896 bij de stad gevoegd, evenals de joodse begraafplaats Zeeburg). Zorgvlied ging niet over naar de gemeente Amsterdam en is tot vandaag de dag eigendom van Amstelveen, zoals Nieuwer-Amstel nu heet.

In het Algemeen Uitbreidingsplan (1934) werden – met het oog op de verwachte bevolkingsgroei - ook twee publieke begraafplaatsen opgenomen, waarvan er maar één is gerealiseerd. Dat aanvankelijk bij de Nieuwe Meer geplande kerkhof, werd in 1971 aangelegd in de Lutkemeerpolder achter Osdorp (Westgaarde). Niet opgenomen in het plan was de Noorderbegraafplaats die tussen 1921 en 1931 voor de nieuwe wijken in Noord in de Buikslotermeerpolder werd aangelegd.

Op de Nieuwe Wester (gesloten in 1917) en Te Vraag na, zijn al deze begraafplaatsen in de loop van hun bestaan verschillende keren uitgebreid. Te Vraag wilde wel uitbreiden, maar twee verzoeken daartoe werden afgewezen: in 1917 door Sloten en in 1962 door Amsterdam. Na de laatste afwijzing werd het door de gemeente gekocht en gesloten. Het mag echter pas in 2012 worden geruimd, waardoor hier een authentiek stuk funerair erfgoed bewaard kon blijven dat, met zijn uitbundige begroeiing en doordacht beheer, in de drukke stad een uniek rust- en stiltegebied vormt, dat door veel Amsterdammers wordt gekoesterd.

Delen:

Jaargang:
2003 55

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Prinsengracht 760, 1828
Hier gebeurde het... Prinsengracht 760, 1828
Hier gebeurde het 23 mei 2013
Soort bij soort
Soort bij soort
3 juni 2011
De vaste route van Ed van Thijn
De vaste route van Ed van Thijn
Vaste route 20 mei 2011