De Bijenkorf in spanning

Op 3 september 1914 opende De Bijenkorf zijn nieuwe winkelpaleis op de Dam. Uit de  textielzaak van weleer op de Nieuwendijk was een enorm en veelzijdig warenhuis voortgekomen. Maar een slechter moment was niet denkbaar: sinds een maand woedde de Eerste Wereldoorlog. Zou de lang voorbereide metamorfose een fiasco worden?

Zoiets was nog niet in Nederland vertoond. Meer dan 15.000 m2 warenhuis, over vier verdiepingen verdeeld in een spiksplinternieuw monumentaal pand. Een koperskasteel. Het was een reusachtige onderneming, maar ook buitengewoon gewaagd. Niet in de laatste plaats omdat de doem van de Grote Oorlog over de opening op 3 september 1914 hing. “De nieuwe ‘Bijenkorf’ is geopend”, meldde dagblad De Tijd dezelfde avond. “Deze opening staat echter in het teken van de treurige tijdsomstandigheden. Welk een tegenslag voor dien reusachtigen onderneming; alleen de parterre is in gebruik genomen, min of meer primitief, maar zeker getuigend van wat het in normale omstandigheden had geworden.” Pas in de loop van de volgende maanden werd het hele warenhuis opengesteld.

Het warenhuis was een nieuw soort winkel, met als voorlopers het chique modepaleis, de overdekte deftige winkelpassage en de Bazar (veel miniwinkeltjes onder één dak). Een warenhuis was één winkel onder één dak, waar een grote diversiteit van artikelen werd verkocht. De formule: een kleine winstmarge per artikel, maar een grote omzet, vaste prijzen en contante betaling, was in de 19de eeuw nog hoogst ongebruikelijk. 

Het eerste grote warenhuis in Europa was Au Bon Marché in Parijs, vereeuwigd in Emile Zola’s beroemde roman Au Bonheur des Dames (1883). Al rond 1860 was de transformatie van het modehuis tot warenhuis begonnen. Elders in de lichtstad, in Londen (Harrods) en enkele Duitse steden werd het voorbeeld snel gevolgd. Maar in Nederland wilde men er kort na 1900 nog niet van weten. Zo’n grote zaak zou de doodklap zijn voor de eerzame kleine middenstander; en al die bescheiden geprijsde artikelen, dat moest wel rotzooi zijn. Die middenstand was electoraal een belangrijke factor, dus stelde het gemeentebestuur zich graag op als verdediger van de gewone winkeliers. Een rol speelde ook dat de industrialisatie en daarmee de welvaartsgroei hier laat op gang kwam.

Buitenlands kapitaal
Tot de ‘gewone winkeliers’ rekende de gemeente ook De Bijenkorf, op zoek naar tijdelijke ruimte om de bouw van een gloednieuw groot winkelpand aan de Nieuwendijk te kunnen beginnen. Op 9 juli 1909 besloot de gemeenteraad het lege terrein op de hoek van Damrak en Dam (waar tot 1903 de Beurs van Zocher had gestaan) voor vijftien maanden te verhuren aan de firma. Drie maanden en twee dagen later ging de noodwinkel op het ‘Oude Beursterrein’ open. Meteen was de belangstelling massaal, vooral door de ideale locatie. De publiciteit in de kranten deed de rest. 

“Moeder, we gaan hier nooit meer weg!”, riep de blij verraste Alfred Goudsmit, zoon van oprichter Simon en inmiddels ook directeur, volgens de overlevering. Hier op de Dam moest het nieuwe pand komen! De directie verzocht de gemeente om voor dit doel het héle terrein te mogen kopen. Het woord ‘warenhuis’ viel nog niet; in de ogen van B&W ging het gewoon om een verhuizing van een nette Amsterdamse modewinkel. Ongerust vroeg het raadslid J.F.M. Sterck op 10 december 1909 nog wel of het gebouw niet gebruikt zou worden als “een soort Warenhuis, een magazijn als Tietz in Düsseldorf”. Maar wethouder Zadok van den Bergh verzekerde hem “dat op de tekening, die voor ons ligt, de onderste étage alleen bestemd is voor de winkel en de rest voor kantoorlokalen.” Zowaar, de raad zwichtte. Want het zou tijdelijk zijn, nietwaar. Ook duurde de discussie over de herbestemming al zo akelig lang en zat de gemeente op zwart zaad, terwijl het Damrak nodig moest worden gemoderniseerd.

Had De Bijenkorf haar ware bedoelingen verzwegen? Het lijkt erop dat het warenhuisplan pas echt vorm kreeg toen financiering werd gezocht. Nederlandse banken zagen er niets is, dus zochten Isaac en Alfred Goudsmit buitenlands kapitaal. Ze kwamen in contact met directeur Frits Hochheimer van de Belgische tak van het Duitse warenhuisbedrijf Tietz. Die raadde aan een echt warenhuis te beginnen en hun nieuwe pand van onder tot boven een grootse gedaante te geven. De forse winsten van Tietz België waren een ijzersterk argument. Om de financiering te vergemakkelijken, maakte Hochheimer in 1911 van De Bijenkorf een Belgische bv, statutair gevestigd te Antwerpen! Het geld kwam er en voorjaar 1912 ging de gemeenteraad akkoord met een nieuwe plek voor de noodwinkel, ietsje noordelijker op het Beursplein. Op het Oude Beursterrein begon de bouw van een luxueus winkelpaleis naar ontwerp van Jacques van Straaten jr.

Witte Week
De provisorische start in september was snel vergeten. “In de magazijnen van de ‘Bijenkorf’ gaat het excelsior. Gedurende de laatste weken is telkenmale een hoogere verdieping in gebruik genomen. Met de openstelling van de lunchroom-étage, die gistermiddag plaats had, is men dan eindelijk onder het dak geraakt. Een strijkje bracht een feestelijke stemming onder de vele bezoekers”, schreef het Algemeen Handelsblad precies twee maanden later. 
Die (nog altijd bestaande) lunchroom illustreert het geheel nieuwe karakter van de winkel. Hier kwam je niet om even snel boodschappen te doen. Voor de cliëntèle (vooral redelijk welgestelde dames) moest een bezoek een ‘uitje’ zijn. De Bijenkorf was een plek waar een vrouw rustig alléén heen kon gaan, zonder dat er ‘over gepraat werd’. Zij ontmoette er vele mededames. Het personeel legde haar in de watten. (“En zou u wellicht nog andere artikelen willen bekijken? Handschoenen? Dan begeleid ik u graag naar mijn collega op de eerste etage!”) Zij kon er werkelijk álles krijgen. Uit 1914 dateert de reclameleus: “Mama koopt alles in De Bijenkorf.” 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Het bedrijf deed er ook alles aan om het verblijf van de klanten zo veel mogelijk te rekken. Behalve de lunchroom met 300 plaatsen was er jarenlang een leesbibliotheek. Er traden zo nu en dan operazangers op, er werden (op de afdeling Oosterse Tapijten) kunsttentoonstellingen georganiseerd. De recreatieve afdelingen waren met opzet bovenin het gebouw gesitueerd: op weg daarheen passeerden de klanten zoveel mogelijk soorten koopwaar.  
Wie dat wilde kon de boodschappen per opvallende Bijenkorfauto thuis besteld krijgen. En op reclamegebied was De Bijenkorf een echte voortrekker. Zo werden in 1917 kostuums voor de revue Loop naar den duivel gesponsord: de tegenprestatie was een lied gewijd aan de “nijv’re bijen” van de Dam. Een hit was (sinds 1915) de Witte Week: een sensationele uitverkoop van huishoudtextiel en later ook andere artikelen.  

Californische slierasperges
Gelukkig voor De Bijenkorf troffen de vervelende effecten van de Eerste Wereldoorlog (werkloosheid, voedselgebrek) vooral de arme Amsterdammers. Anderen maakten juist stevige oorlogswinsten. Een groot deel van het warenhuispubliek had op z’n minst een behoorlijke ‘spaarpot’. En waar was het aangenamer keuvelen over de ellende aan de oorlogsfronten dan in de Bijenkorflunchroom? (Oorlogsleed dat al in oktober 1914 een gezicht kreeg toen een grote massa Belgische vluchtelingen Amsterdam bereikte, van wie honderden onderdak vonden in de nog niet gesloopte noodwinkel op het Beursplein!) Kort na het einde van de oorlog kon in 1919 opgelucht en opgetogen worden vastgesteld dat sinds 1915 de omzet was gestegen van één tot negen miljoen gulden. De Bijenkorf was toen ook net weer formeel een Nederlands bedrijf. 

“Deze oorlogsjaren hebben onze zaak allerminst benadeeld”, blikte Alfred Goudsmit in 1946 terug op die eerste tijd. “Prijscontrole kende men niet in die jaren, wel distributie voor tal van artikelen. De attractie van een dusdanige zaak was natuurlijk voor talloozen belangrijker grooter dan thans. Het was iets volkomen nieuws voor Nederland. Men kende bazaars en zalen van een niveau dat daarmee gelijk staat, maar japonnen en Perzische tapijten, levensmiddelen en lunchroom enz. onder één dak, in dien omvang en van dit gehalte, was nog onbekend.” 

Het wat minder chique segment van de confectiekleding liet De Bijenkorf al snel over aan concurrenten als Gerzon, Peek & Cloppenburg en Brenninkmeijers C&A. In het ‘tweede Dampaleis’ werd grif betaald voor japons en stoffen naar de nieuwste Parijse mode. Zoals men hier ook terecht kon voor kreeft in blik, Franse olijfolie, Californische slierasperges, honingbiscuitjes en ‘ice-creams’ uit een Amerikaans koelmeubel. 

Dát was misschien wel de opvallendste nieuwigheid van De Bijenkorf: het warenhuis was ook een venster op de wereld. Hier zag men het eerst wat voor verbluffend handige, delicieuze,  modieuze en uiterst smaakvolle nieuwe producten en stijlen in tal van buitenlanden waren uitgedacht. De Bijenkorf als Wereldtentoonstelling… Kijk, hoe een beschaafd en modern huishouden eruitziet! Die aantrekkingskracht bleek onweerstaanbaar, ook toen het eerste nieuwtje er af was.

1870-1909: de voorgeschiedenis
Niemand kon vermoeden wat er uit het winkeltje in garen en band zou groeien dat ene Simon Philip Goudsmit (26) in 1870 zonder bombarie opende op de Nieuwendijk. Goudsmit was Joods en dat gold ook voor zijn personeel en misschien zijn klantenkring. Op zaterdag was de zaak dan ook gesloten. Een erg avontuurlijke zakenman was hij niet. Zijn winst stak hij liever in aankoop van weidegrond en effecten dan in uitbreiding van de zaak. 

Na zijn overlijden in 1889 nam zijn vrouw Sarah Goudsmit-Keizer het roer tijdelijk over (zoon Alfred was pas drie jaar). Zij haalde er een ambitieuze jonge neef bij: Arthur Isaac (1864-1932), met veel verstand van stoffen. Van het winkelwezen wist hij minder, maar die achterstand haalde hij snel in. Onder zijn leiding begon de stormachtige groei van manufacturenwinkel tot modehuis. 
Onduidelijk is wanneer de winkel De Bijenkorf ging heten. Bekend is alleen dat in 1892 de weduwe Goudsmit toestemming kreeg een uithangbord op te hangen met die naam en een afbeelding van een bijenkorf. In 1907 bezat De Bijenkorf een groot blok ten zuiden van de Kolksteeg – een onhandig labyrint. Sloop en nieuwbouw leek de oplossing. De gemeente gaf toestemming voor een tijdelijk onderkomen op het voormalige beursterrein. Eerdere plannen van anderen waren afgewezen. Jawel, ook de bouw van een warenhuis: Chaumont uit België en de Duitse ondernemingen Tietz en Kaufmann kregen nul op het request. Maar de noodwinkel van De Bijenkorf mocht wel – de rest is geschiedenis.

De Bijenkorf vlak na de opening. Stadsarchief Amsterdam.

 

Delen:

Jaargang:
2014 66

Gerelateerd

Altijd reuring
Altijd reuring
18 juli 2015
De Levende Opjekten Sjoo in Paradiso
De Levende Opjekten Sjoo in Paradiso
Hier gebeurde het 12 januari 2015
Oud-eindredacteur Jan Wagener overleden
Oud-eindredacteur Jan Wagener overleden
Actueel 18 december 2014