De betere Amsterdamse 1 aprilgrap

De Winkler Prins Encyclopedie vindt het in 1914 maar een “zonderlinge volksgewoonte, om op den 1sten April elkander door allerlei dwaze fopperijen om den tuin te leiden.” Maar geeft 65 jaar later toe dat “vrijwel de hele Indo-Germaanse wereld” eraan meedoet. Het verbaast ons niet dat ook het zompige Amsterdam al die jaren een vruchtbare voedingsbodem voor 1 aprilgrappen is gebleken. 


Eind februari 1892 meerde aan de Oostelijke Handelskade de Noorse sleepboot Odin aan, met een bijzondere sleep: een walvis. Het dode beest werd in een daartoe verbouwde boot gehesen – de eerste poging mislukte nog omdat er teveel wind stond – en nadat het kadaver enigszins was geprepareerd mocht het publiek voor een dubbeltje komen kijken. In Weesp was de nieuwsgierigheid ook gewekt om het reusachtige zoogdier te aanschouwen. Maar gebrek aan geld en tijd stonden in de weg om naar het biologisch wonder te gaan; er werd vooral over gepraat. Zo ook bij cacaofabriek Van Houten, de smaakmaker van de Weesper economie. 
Het bracht directeur J.W.F. (Willem) Scheffer op een idee. Hij was de schoonzoon van Coenraad Johannes van Houten, de inmiddels overleden uitvinder van de poedercacao. In de etikettendrukkerij van de firma liet hij strooibiljetten drukken waarop vermeld werd dat de walvis op kosten van Van Houten richting Weesp zou worden gesleept. De aankomst werd rond twee uur ’s middags de volgende dag verwacht bij het pas gegraven Merwedekanaal (het huidige Amsterdam-Rijnkanaal). Het fabriekspersoneel kreeg vrij, scholen gingen eerder uit: heel Weesp toog erheen. Na lang wachten verscheen er vanaf de kant van Nigtevecht een hondenkar met een bord waarop te lezen stond: ‘Op één April kan men voor den mal houden wie men wil’. “Men kan zich voorstellen wat voor uitwerking dat had”, herinnerde een oud-werknemer zich in 1928, toen gevierd werd dat een eeuw eerder Van Houten zijn uitvinding had gedaan. “De een vatte het aardig op, maar de ander verbeet zich van woede. De terugtocht werd aanvaard en de mop was uitstekend geslaagd.”
Scheffer had het door: de betere aprilgrap moet aansluiten bij de actualiteit en wint aan waarde als hij gedebiteerd wordt door een autoriteit. En dat wás Van Houten in Weesp. Ook kranten straalden autoriteit uit en maakten daar gebruik van, zoals later het Journaal en vooral het Jeugdjournaal.

Een onbekende Rembrandt
Het Algemeen Handelsblad nam in 1900 de lezer bij de neus met het berichtje over de zeer zeldzame Chinese Penseelstaart (of Borstel) Goudvis, waarvoor liefhebbers ƒ 1700,- over hadden. De argeloze lezer die erin trapt, leest zoiets met verontwaardiging. En ook dat is een element van de betere aprilgrap: de reactie uitlokken van ‘het moet niet gekker worden’. Zo wekte het Jeugdjournaal ooit opschudding met het bericht dat honden net als koeien verplicht een identificatielabel aan hun oren geniet zouden krijgen. Of het bericht dat de regering belasting ging invoeren op zakgeld – dat sloeg in als een bom. 
In het begin dan de 20ste eeuw gingen geïllustreerde tijdschriften over op foto’s en dat nodigde ook uit tot het ‘aprillen’, zoals stadshistoricus en volkskundige Jan ter Gouw dat in zijn boek Volksvermaken (1871) noemde. De meestal gemanipuleerde foto’s moesten het verhaal dan waarheidsgetrouwer maken. Het weekblad Het Leven maakte er veel werk van. Zoals de vondst van een onbekende Rembrandt in 1911: een uitwerking van een artikel uit De Telegraaf, maar nu met foto’s. Het verloren geachte schilderij kreeg De roos van Dekama mee als naam en dat had wat bellen moeten doen rinkelen: het is de titel van een boek van Jacob van Lennep. 
Een jaar later pakte Het Leven uit met een reportage van de roof van enkele goudstaven uit de Nederlandsche Bank, toen nog gevestigd in het gebouw op de Turfmarkt waarin nu het Allard Pierson Museum zit. De dieven hadden zich voorgedaan als wegwerkers die met gasbranders de rails repareerden van het spoortje dat voor goudtransport van de bank naar de kade liep en de tralies doorgebrand op het moment dat de surveillerende agent van hen wegliep. Per auto scheurden ze vervolgens via de Leidsestraat richting Overtoom, met de agent achter zich aan die een taxi had weten aan te houden en op het Koningsplein nog twee collega’s had opgepikt. Op de brug bij het Leidsebosje gooiden de dieven een zak in het water, kennelijk in de hoop om hun achtervolgers op te houden. Dat lukte, want de zakelijk leider van de Koninklijke Vereeniging het Nederlandsch Tooneel, die na het opmaken van de kas net de Stadsschouwburg had verlaten, zag het gezien en maande de agenten te stoppen. 

Middernachtelijke televisie 
De dieven waren pleite, maar ook herkend. En wel als leden van de beruchte ‘autobandieten’, aldus Het Leven, een Franse dievenbende die gewapende kraken zette met gebruik van gestolen auto’s. Al maanden was deze bende in het nieuws, dat maakte het verhaal geloofwaardiger. Het zogenaamd vissen naar de goudstaven in de Singelgracht leidde tot een oploopje. De nieuwsgierigen hadden het Algemeen Handelsblad niet gelezen, want daarin stond die eerste april het bericht dat de bendeleider, ene Jules Bonnot, gearresteerd was ten kantore van de krant toen hij zich kwam beklagen dat niemand hem in de stad had herkend. In werkelijkheid zou deze Bonnot later die maand in de buurt van Parijs met een garage vol gestolen auto’s worden opgeblazen.
In 1924 kwam Het Leven met het nieuws dat er een proef genomen zou worden met televisie. Onder leiding van de Parijse fysicus prof. Loinvoir zouden om middernacht televisiebeelden geprojecteerd worden op de schutting van de bouwput waar het Carlton Hotel moest verrijzen in de Vijzelstraat. Op het dak van Hotel Rembrandt (op dat moment in de verbouw) verrees een grote installatie die als antenne zou dienen. (Toevallig werden zes jaar later in het torentje van het Carlton werkelijk de eerste proeven met tv in Nederland gedaan.) Eerder in 1924 had de fysicus Baird in Londen een demonstratie van televisiebeelden gegeven, dus zo gek was het bericht niet. Dat was de naam van de Parijse professor natuurlijk wel. Radio stond toen in de kinderschoenen en film had net bestaansrecht gekregen. Toen film nog een betrekkelijk nieuw fenomeen was, was het kerkplein van Abcoude op 1 april 1913 volgestroomd na de aankondiging dat ‘De Eerste Coöperatieve Bioscoop’ gratis beelden zou vertonen van de voetbalwedstrijd Nederland-Engeland en van het speeluurtje van prinses Juliana.

Wie fopt wie?
Behalve de geschreven pers bleven later ook radio en tv niet achter om aprilgrappen uit te halen. In 1950 vertelde een geëmotioneerde functionaris van het Rijksmuseum in het radioprogramma De artistieke staalkaart van de Vara dat bij restauratie van de Nachtwacht een verkeerde vloeistof was gebruikt, waardoor de verf van het doek afdroop. Honderden mensen gingen naar het Rijks, want er was verteld dat men gratis van het meesterwerk afscheid komen nemen. Elf jaar later togen opnieuw tientallen kunstminnaars naar het Rijks. Nu om te protesteren tegen de verkoop van de Nachtwacht aan het buitenland, zoals hetzelfde programma had gemeld.
Toen in de jaren zestig het televisietoestel oprukte, maakte een Journaal-reportage over de Dienst Kijk- en Luistergelden diepe indruk. Een medewerker van die dienst vertelde dat er met auto’s voorzien van scanapparatuur gecontroleerd ging worden op ‘zwartkijkers’. Hij kon zich niet voorstellen dat mensen hun toestel met aluminiumfolie zouden bedekken, waar zijn scanners geen antwoord op hadden. De volgende dag was in heel Nederland geen rol aluminiumfolie meer te krijgen!
De herkomst van het gebruik om elkaar op 1 april in de maling te nemen, is onbekend. Vaak is geprobeerd het fenomeen met een historisch gebeurtenis te verbinden, maar die verklaringen snijden geen hout. Het gebruik is namelijk veel ouder. Alva zal ongetwijfeld op zijn neus hebben gekeken toen de watergeuzen op 1 april 1572 Den Briel innamen, waardoor hij zijn uitkijkpost (bril) verloor. Maar de eerste Nederlandstalige literaire bron dateert al van 1539: het Refereyn up verzendekensdach, twelck den eersten april te zyne plach, van de hand van de Brugse rederijker Eduard de Dene. Nog steeds wordt in Vlaanderen 1 april ‘verzendekensdag’ genoemd: de dag van gefingeerde boodschappen. 
De eerste gedocumenteerde aprilgrap dateert van 1466 en werd uitgehaald door hertog Philips de Goede. Hofnar Kolling kon een beloning verwachten als hij de hertog aan het lachen bracht, zoniet dan verloor hij zijn hoofd. De nar voorvoelde narigheid en deed alsof hij lam was van het zuipen. De hertog liet een schijnexecutie uitvoeren, met een worst in plaats van een bijl. Tot ontzetting van de vorst viel de nar voor dood neer. Toen hij weer opkrabbelde, moest Philips opgelucht lachen en ontving hij een narrenkap vol geldstukken.
In andere West-Europese landen wordt ook ‘geaprild’. In Duitsland heet het ‘Aprilschrecken’ en wordt de oorsprong ervan in verband gebracht met een niet gerealiseerde munthervorming die in 1530 op de agenda stond van de Rijksdag te Augsburg. Speculanten die daarop gerekend hadden, keken op hun neus. “Natuurlijk”, schreef Jan ter Gouw, “is die vertelling zelf een Aprilsprookje, waar eens een Duitsche professor in de historie zijn kollegaas meê beet heeft willen nemen.” 

Sizdah Behar
In Frankrijk wordt de oorsprong van het gebruik gerelateerd aan de kalenderhervorming in 1564, toen officieel het begin van het nieuwe jaar verschoven werd naar 1 januari. Tot dan toe werd (de dag voor) Pasen aangehouden, dus omstreeks 1 april. De grappenmakerij heet hier ‘poisson d’avril’, en er is lang gehengeld naar de oorsprong van dat woord. Kinderen die een vissentekening op de rugpanden van de jas van volwassenen opspelden en zo de hele dag voor gek lieten lopen? Of toch een historische gebeurtenis? Ook in Engeland wordt 1 april (‘All Fool’s Day’) wel toegeschreven aan de kalenderhervorming. Maar dat gebeurde in dit niet-katholieke land pas in 1772, terwijl het gegrap allang bestond. 
Een veel oudere, theologische verklaring is er ook. Het zou zijn afgeleid van het gesol met Jezus, die op Goede Vrijdag van het kastje naar de muur gestuurd: van Annas naar Kajafas, van deze naar Pilatus, van deze naar Herodes en weer terug naar Pilatus. Waarschijnlijk is het niet. Al in de zesde eeuw voor Christus bestond in Perzië het gebruik op een bepaalde dag in het voorjaar elkaar voor de gek te houden. Dat doen Iranezen nog steeds op deze ‘Sizdah Behar’. De meest voor de hand liggende verklaring is de behoefte van mensen om de wisseling van seizoenen niet ongemerkt voorbij te laten gaan. Het kan geen kwaad de teugels van bepaalde normen – zoals de waarheid spreken – even te laten vieren. Maar dan wel volgens een vast stramien: op een bepaalde dag, goedmoedig en het liefst humoristisch.
Één april wordt al sinds mensenheugenis in ere gehouden. Af en toe komen er nieuwe elementen bij, zoals het ‘aprillen’ door journalistiek en rtv of via internet en twitter. De grap die Osdorp Posse uithaalde in 2002 was er echt een van deze tijd: de rappers grepen 1 april aan voor een publiciteitsstunt. Ze lieten weten dat enkele ‘moeder-cd’s’, waarop de originele studio-opnamen stonden die nodig waren voor de cd-persing, per ongeluk terecht waren gekomen in het reguliere verkoopkanaal. Op het hoesje van zo’n ‘moeder-cd’ stond een bepaalde cijfercode en verzocht werd contact op te nemen als men een cd met zo’n code had. Er kwamen honderden reacties, terwijl die code op elk hoesje stond gedrukt. Één april, kikker in je bil!

 

April 2011

Delen: