De begrafenis van Admiraal de Ruyter

Heel Amsterdam liep uit voor de begrafenis van zeeheld Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk. In de stoet liepen honderden mensen: van stadssoldaten, kapiteins en admiralen tot het voltallig stadsbestuur, bewindhebbers van VOC en WIC, professoren, kerkbestuurders en regenten. Naar gewoonte van de tijd waren zijn vrouw en dochters niet welkom. 

Een schier eindeloze stoet trok door de stad om het stoffelijk overschot van de populaire admiraal De Ruijter naar zijn laatste rustplaats in de Nieuwe Kerk te begeleiden. De hele stad was uitgelopen en vanuit de omstreken waren tal van dagjesmensen erheen getrokken. Mensen zaten op daken, waren in bomen en masten geklommen of hadden een plaatsje achter een raam bemachtigd, waarvoor ze flink voor hadden moeten betalen.  

Via een flinke omweg trok de stoet vanaf het woonhuis dat de De Ruijters in 1661 hadden betrokken aan het IJ – nu Prins Hendrikkade 131 – naar de Dam, een tocht die maar liefst ruim vier uur duurde. 

De opperbevelhebber van de vloot was bijna een jaar eerder op 69-jarige leeftijd gesneuveld in een zeeslag bij Sicilië, toen hij het samen met een Spaans eskader moest opnemen tegen een tweemaal zo grote Franse zeemacht. Een eerste treffen – bij Stromboli – eindigde nog onbeslist, maar het tweede, bij Syracuse, liep fataal af. De Ruijter werd getroffen door een kanonskogel die een onderbeen en een voet verbrijzelde en hem van het middendek afsloeg.  

Een week later bezweek hij aan wondkoorts. Scheepschirurgijn Johan Mannart balsemde het lichaam, dat in een loden kist werd gelegd terwijl zijn ingewanden werden begraven, ongeveer op de plek waar nu het stadhuis van Syracuse staat. Over een plaquette om dat feit te memoriseren, wordt nu overleg gevoerd. 

Saluutschoten 
De rampspoed voor de Nederlanders werd nog vergroot toen begin juni 1676 bij Palermo een verpletterende nederlaag tegen de Franse vloot werd geleden, waarbij bevelvoerder Jan den Haen omkwam. Het ontzag voor De Ruyter bij de vijandelijke Fransen was echter zo groot, dat twee van hun fregatten het schip met zijn overschot begeleidden naar het vaderland, terwijl op last van koning Lodewijk XIV eresaluten werden gegeven als onderweg een Franse haven werd aangedaan. Veel haast maakten ze niet. Pas op 16 februari 1677 werd de kist thuisgebracht bij de familie in Amsterdam. 

In de tussentijd was er gesteggel geweest waar de admiraal zou worden begraven. De Rotterdamse Admiraliteit deed als bouwer van het vlaggenschip De Zeven Provinciën nog een kansloze poging om de St. Laurenskerk te verkozen te krijgen. Dat het Amsterdam zou worden, zetel van de grootste Admiraliteit en de laatste woonplaats van de overledene waarvan hij bovendien tot ereburger was benoemd, was duidelijk.  

Voor de Oude Kerk was veel te zeggen, want daar hadden de vice-admiraals Isaac Sweers en Abraham van der Hulst een monumentale tombe gekregen en schout-bij-nacht Willem van der Zaen een epitaaf. Bovendien ging De Ruyter daar ter kerke. Maar het lukte de Admiraliteit, die de uitvaart moest regelen, niet om ruimte voor een graf te kopen op de meest aanzienlijke plek. Het werd dus de Nieuwe Kerk.  

Zoon van een bierdrager 
Al in de zomer van 1676 hadden de Staten van Holland beslist dat de zeeheld recht had op ‘een honorabele begraeffenisse’ en een marmeren graftombe die maximaal 10.000 gulden mocht kosten, en de Staten-Generaal hadden daarmee ingestemd. Als beeldhouwer werd Rombout Verhulst uit Den Haag aangezocht, die al eerder met het beiteltje had gehakt zeehelden met een praalgraf te vereren. Hij maakte onder meer dat van Maarten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk van Delft en dat van Jan van Galen in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. 

In overleg met de familie werd donderdag 18 maart 1677 gekozen voor de begrafenis. Als voorbeeld voor de samenstelling van de stoet gold de ter aarde bestelling van ‘Bestevaer’ Tromp in 1653. De volgorde luisterde nauw, want standgevoelig waren de meeste uitgenodigde heren zeer, iets wat De Ruijter nooit was geweest.  

Die had altijd iedereen ‘gemeenzaam’ benaderd met zijn Zeeuwse tongval. Naast zijn wapenfeiten, zoals de verhindering van een Engelse invasie in 1673, was zijn populariteit vooral gestoeld op het feit dat hij nooit naast zijn schoenen was gaan lopen. Dat hij als zoon van een bierdrager het zo ver gebracht had, sprak ook tot de verbeelding. 

Omfloerste trom 
De lijkbaar werd voorafgegaan door de ratelwacht met de vier onderschouten, stadscommandant majoor Lambert Witsen die voor zijn paard uitliep, tien aansprekers, twee compagnieën stadssoldaten met trompetters en mannen die met omfloerste trom een droef geluid maakten. Dan volgden tien vlootkapiteins van hulpvaartuigen met memorabilia van de overledene, zoals zijn helm en ijzeren handschoenen, die met stokken omhoog werden gehouden.  

Daarop volgde de lijkbaar. Die werd voorafgegaan door een paard dat was omhangen met de wapenschilden van de admiraal. De loden kist werd gedragen door achttien stadsboden (die halverwege werden afgewisseld). Zij werden aan het zicht onttrokken door een rouwkleed dat werd vastgehouden door achttien scheepskapiteins – de vier hoeken door admiraals, onder wie de befaamde Aert van Nes en Cornelis Evertsen. Daarachter schreed een man gehuld in een ruiterharnas. Hij moet zich kapot hebben gezweet; volgens overlevering is hij erna aan uitputting en vochttekort bezweken.  

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Stadhouder Willem III liet zich vertegenwoordigen door zijn 80-jarige secretaris en rentmeester Constantijn Huygens. De afgevaardigden van de vijf admiraliteiten volgden, en daarna pas de familie, met als eerste de zoon van de overledene, schout-bij-nacht Engel. Zoals toen gebruikelijk waren vrouwen afwezig bij rouwplechtigheden, dus weduwe Anna van Gelder en dochters Alida en Anna werden vertegenwoordigd door hun hun echtgenoten (beiden dominees) en een zoontje. Verder liepen De Ruijters stiefzoon vlootkapitein Johan de Witte mee met zijn twee zoontjes en een stiefzoon van Alida.  

Saluutschoten en trompetgeschal 
Vrienden en bekenden kwamen erna, onder wie namens de Spaanse kroon don Manuel de Belmonte en professor in de welsprekendheid Petrus Francius. Hij zou een dag later in de Nieuwe Kerk een lijkdicht van honderd coupletten voordragen, in het Latijn waardoor weinig toehoorders er dus iets van begrepen zullen hebben. Het voltallig stadsbestuur, bewindhebbers van VOC en WIC, professoren, dominees, Joodse kerkbestuurders, gasthuisbestuurders en oud-regenten sloten de rij, waarna iedereen zich kon aansluiten.  

Onder salvo’s van de stadssoldaten, saluutschoten van een fregat in het IJ en trompetgeschal in de kerk werd de kist in de grafkelder geplaatst, waar in 1681 de tombe van beeldhouwer Verhulst boven zou komen. Wie daarvoor nog de moed had, kon zich nu naar de Westerkerk begeven om de rouwdienst geleid door Waalse predikant Ludovicus Wolzogen bij te wonen.  

Constantijn Huygens deed dat niet, maar ging op condoleancebezoek bij de weduwe. Hij trof haar aan terwijl ze bezig was ‘haer blauwe voorschoot te droogen te hangen’. Het contrast met de pompeuze uitvaart had niet groter kunnen zijn.

Bevrijde slaven 
Tijdens de laatste expeditie van De Ruijter naar de Middellandse Zee slaagde De Ruyter erin 26 Hongaarse predikanten vrij te krijgen die er als galeislaaf erbarmelijk aan toe waren. Elk jaar wordt dit begin februari herdacht met kranslegging en opening van de grafkelder. Ook zijn door bemiddeling van De Ruijter meer dan zeshonderd door Noord-Afrikaanse zeerovers in slavernij gebrachte Europeanen bevrijd. Sinds1881 rust het stoffelijk overschot van de admiraal in een door Pierre Cuypers ontworpen kist, ter vervanging van de oude die de tand des tijds niet had doorstaan. 

Beeld: Collectie Rijksmuseum

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Maart
Jaargang:
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1600-1700