De beginjaren van de Amsterdamse studentenhuisvesting. 'Handjevol amateurs'

Na de oorlog was de kamernood onder studenten al even hoog als nu. De Stichting Studenten Huisvesting-Amsterdam probeerde het hoofd te bieden aan een steeds forser tekort. Het eerste grote nieuwbouwproject kreeg steun uit onverwachte hoek: de Bondsrepubliek Duitsland.

Vanaf de jaren vijftig steeg het aantal studenten snel. De wederopbouw vroeg om hoogopgeleid personeel, de studiebeurzen gingen omhoog en het collegegeld werd verlaagd. Er was één groot probleem: de woonruimte voor studenten bleef sterk achter. Vóór de Tweede Wereldoorlog stelden gezinnen nog een of twee kamers aan studenten ter beschikking, om een beetje bij te verdienen. Door de woningnood was dat nu niet meer mogelijk. Kinderen bleven langer thuis wonen en trokken soms zelfs getrouwd en al bij hun ouders in. Nieuwe gezinswoningen in de steden waren te klein om nog een kamer vrij te maken voor een student. Steeds meer panden in de binnenstad kregen een zakelijke functie. De nijpende kamernood was een reden voor jongeren om niet te gaan studeren.

Op 23 oktober 1953 installeerde minister van Onderwijs Jo Cals de adviescommissie ‘Voorzieningen ten behoeve van studenten’, onder leiding van zijn voorganger Theo Rutten [geen familie van de auteur, red]. De commissie moest voorstellen aandragen over zo’n beetje alles wat het studentenbestaan betrof: financiële steun, gezondheidszorg en voeding, huisvesting, geestelijke verzorging, lichamelijke opvoeding en sport, over een bureau ter behartiging van studentenbelangen, over studievoorlichting en de selectie van studenten.

 

Bemoeizucht

Kort na de oorlog bestonden er flinke zorgen over de geestelijke en morele toestand van de jeugd. Veel kinderen waren moreel ‘losgeslagen’ door de bezetting; hun kerkbezoek en deelname aan verenigingen namen sterk af. De bemoeizucht van de overheid met jongvolwassenen was in die jaren volstrekt normaal. De commissie kwam dan ook met een uitgebreid advies. Een student moest in zijn universiteitsstad wonen. Op kamers gaan was een noodzakelijke stap in de persoonlijke vorming en droeg bij aan het zelfstandig worden, zeker voor jongeren uit milieus waar studeren niet zo vanzelfsprekend was. Het huis uit, dus. Studenten die spoorden, deden ook veel langer over hun studie en vielen eerder uit. Zij waren niet geworteld in het “rijkgeschakeerde studentenleven”, hun “academische vorming” raakte verstoord.

Er moesten dus studentenhuizen komen, met “een universitaire geest” en een “typisch Nederlands stempel”. Kleine wooneenheden van acht tot vijftien bewoners waren ideaal. Geen grote ‘woonkazernes’, daar zou het studentenverenigingsleven onder lijden. Elke wooneenheid moest een gemeenschappelijk vertrek krijgen, waar de studenten konden ontbijten, maar de avondmaaltijd kon het beste gezamenlijk gegeten worden in de universiteitsmensa.

De commissie deed minutieuze aanbevelingen voor de inrichting van de zit-slaapkamers (“een werktafel, boekentafel, twee stoelen, bed met toebehoren en een volledige stoffering”) en de aankleding van de gemeenschappelijke ruimte (“sober maar smaakvol in kleur en vormgeving”). Per wooneenheid moest er een centrale was- en toiletgelegenheid komen. Samenwonen van mannen en vrouwen was ongewenst. Los daarvan had huisvesting van mannelijke studenten prioriteit boven die van vrouwelijke studenten, simpelweg omdat er meer waren. Verscheidenheid was belangrijk: in leeftijd en studierichtingen, maar ook in levensbeschouwing – een vooruitstrevend advies in het nog sterk verzuilde Nederland van de jaren vijftig.
 

Getreuzel

Het grootste obstakel voor de bouw van meer studentenflats was de financiering. Het Rijk zou meer dan de helft van de investeringen voor zijn rekening nemen, maar de subsidie liet op zich wachten. Bedrijven als Philips en de Bataafse Petroleum Maatschappij, die sterk behoefte hadden aan hoogopgeleid personeel, waren het getreuzel beu en richtten op 10 januari 1957 de Centrale Stichting Studentenhuisvesting (CSS) op. CSS en rijksoverheid spraken af dat elke gulden die de bedrijven voor de studentenhuisvesting wisten op te halen, door de overheid verdubbeld zou worden.

Het geld ging naar verschillende stichtingen in de Nederlandse studentensteden. In Amsterdam was dat de Stichting Studenten Huisvesting-Amsterdam (SSH-A), die voortkwam uit het Universiteitshuis, een werkcommissie van de in 1948 opgerichte Civitas Academica Amstelodamensis, bestuurd door vrijwillige studenten, docenten en afgestudeerden.

De eerste jaren kon de SSH-A alleen bestaande woningen overnemen en renoveren tot studentenwoningen. Verschillende huizen van het Amsterdamsch Studenten Corps en andere studentenverenigingen werden ondergebracht bij de SSH-A; ‘aanbrengers’ van panden kregen voorrang om er te mogen wonen. Vooral het Corps en de katholieke tegenhanger Sanctus Thomas Aquinas profiteerden. Wanneer een kamer vrijkwam in deze dispuutshuizen, mochten zij die zelf toewijzen.

In september 1958 opende de stichting het eerste huis: Oosterpark 52. Het tweede was een woonhuis aan het Singel voor drie studentenechtparen. Ook steunde de SSH-A het studenteninitiatief Casa Academica voor een nog te bouwen wooncomplex, dat in de zomer dienst ging doen als hotel (Casa 400 in Oost, klaar in 1962).

 

 Anne Frankhuis

Het eerste in opdracht van de SSH-A gebouwde huis was een studentenhuis naast het Anne Frankhuis. In 1959 stonden enkele percelen op de hoek van de Prinsengracht en de Westermarkt leeg. De Anne Frank Stichting vreesde de komst van hoge flats of kantoren, die het museum in wording zouden insluiten. Een collecte om de grond te kunnen kopen, leverde slechts twee derde van het benodigde bedrag op. Met de SSH-A werd toen bedacht om op de braakliggende percelen een studentenhuis neer te zetten, waar in de zomermaanden “jeugdige buitenlanders” konden verblijven die het Anne Frankhuis bezochten. Het plan kreeg grote steun van burgemeester Gijs van Hall. In ‘Het Achterhuis’ zou ook een internationaal jongerencentrum komen. Voor dat doel schonk de West-Duitse regering DM 100.000,- aan de stichting.

Op 3 mei 1960 opende het gerenoveerde Achterhuis de deuren en ging de eerste paal voor het nieuwe studentenhuis de grond in. Er was ruimte voor 117 studenten. De bovenste twee verdiepingen waren voor vrouwelijke studenten. Een kamer kostte f 65,- per maand, inclusief verwarming en stromend water. De zomerse bewoning kostte de stichting overigens meer geld dan het opleverde, omdat de kamers praktisch uitgewoond werden. Daar kwam bij dat steeds minder studenten hun kamer in de zomer wilden verlaten.

Het bleef voorlopig bij deze betrekkelijk kleine aantallen. Maar toen in 1961 de hoogleraar en latere rector-magnificus van de Universiteit van Amsterdam Guus Belinfante voorzitter werd van de SSH-A, kwam een veel groter project ter tafel: een compleet studentendorp voor duizenden studenten met eigen voorzieningen, zoals sportvelden, cafés en een mensa. De gemeente opperde een locatie in Amsterdam-Noord.

Een jaar later startte de bouw van de Weesperflat (234 wooneenheden) en werden er panden aangeworven op de Keizersgracht, de Nieuwe Keizersgracht en de Oudezijds Voorburgwal – waarmee werd gebroken met de bepaling van geen studentenwoningen op de Wallen.

 

Professionalisering

In mei 1965 nam de pas 32-jarige hoogleraar Economie Arnold Heertje het stokje over van Belinfante. Er was een jonger persoon nodig “die zich fris erop kan werpen”, vond hij. Heertje: “Belinfante was blij. Die was er in één klap van af. Hij zou mij toen nog inwerken, maar de eerste de beste vergadering kwam hij al niet. Toen zat ik er alleen voor.” Heertje liet van zich spreken als de meest spraakmakende (en tevens de laatste) voorzitter van de SSH-A: radicale oplossingen waren nodig om de kamernood te lenigen.

Eén van die oplossingen was het ombouwen van het passagiersschip Caledonia – zeventien jaar oud, zes dekken hoog en 150 meter lang – tot een drijvend studentencomplex. Het project kostte miljoenen en door de gehorige kamers, de gebrekkige riolering en de aantrekkingskracht op junks werd het een hoofdpijndossier. Mede dankzij de 320 kamers op de Caledonia was het totale huizenbestand van de SSH-A in 1966 gegroeid tot 1033 kamers.

De Caledonia markeerde het begin van het einde van de SSH-A. De universiteit had geen invloed op het beleid van de stichting, maar draaide wel op voor de tekorten, en sinds de komst van het studentenwoonschip liepen die snel op. Al in november 1966 klonk in de vergadering van het universitaire College van Curatoren de roep om de stichting bij de universiteit in te lijven. Ook Heertje vond dat professionals de “noodsituatie” beter konden oplossen dan het “handjevol amateurs”. Op 1 januari 1968 ging de SSH-A over van de Civitas Academica Amstelodamensis naar de Universiteit van Amsterdam.

De curatoren vormden nu het bestuur en de praktische uitvoering kwam in handen van de universitaire Dienst Studentenhuisvesting (DSH). Studenten werden voortaan op wachtlijsten gezet. Op 31 december 1968 had de DSH 1703 kamers in beheer, in 1969 228 meer en in 1970 nog eens 400 op

Kattenburg en liefst 678 kamers in de eerste nieuwbouw in Noord, de Zilverberg.

 

Waar?

De aantallen liepen snel op, maar de bouwwoede was niet genoeg om de continue toevloed van studenten aan te kunnen. Meer dan 25.000 studenten zouden er in 1975 in Amsterdam studeren, zo was de verwachting. DSH moest ruim 10.000 van hen huisvesting bieden. Maar waar? Bestaande plannen schoten ver te kort. Voor enkele duizenden studentenkamers was nog geen bouwgrond gevonden en noodgedwongen ging de blik voor een derde van de nieuwe studentenwoningen naar buiten de stad. Enkele cijfers: de Amstelveense studentenbuurt Uilenstede 756 kamers in 1972 (later nog eens 378 extra), grootse plannen voor nieuwbouw in Noord (400), Osdorp (500) en de Bijlmer (1500). Zelfs Weesp – vijftien kilometer ver weg van de Oudemanhuispoort! – kwam even in het vizier.

De roerige beginperiode van de Amsterdamse studentenhuisvesting was nu wel echt helemaal voorbij. De SSH-A had haar rol met verve gespeeld, tot de studentenaantallen ontploften en de goedbedoelende amateurs plaats moesten maken voor professionals, eerst nog onder de hoede van de universiteit en later als zelfstandige woningcorporaties. Ook die liepen tegen grenzen op. De kamernood duurt tot de dag van vandaag voort.

KAY RUTTEN IS HISTORICUS. HIJ STUDEERDE IN 2019 AF OP DE SCRIPTIE ‘GOEDBEDOELENDE VRIJWILLIGERS’. DE BEGINPERIODE VAN DE NAOORLOGSE STUDENTENHUISVESTING IN AMSTERDAM (1945-1970). HIJ WERKT ALS BELEIDSADVISEUR HUURDERSORGANISATIES BIJ STICHTING !WOON IN AMSTERDAM.

 

 

kader

CALEDONIA

Over het legendarische studentenwoonschip Caledonia schreef Harry Hosman in september 2016 uitgebreid in Ons Amsterdam.

https://onsamsterdam.nl/wilde-jaren-op-de-caledonia

 

Studentenprotest op de Dam. Collectie Stadsarchief Amsterdam, ANEFO

 

Aprilnummer 2020

Delen:

Dossiers:
Architectuur
Editie:
April
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1950-2000