De Amsterdamse familie Wertheim. Een traditie van maatschappelijke betrokkenheid

De bekendste Amsterdamse vertegenwoordiger van het geslacht Wertheim is Abraham Carel, naar wie zelfs een parkje is vernoemd. Deze onorthodoxe bankier zette voor wat zijn familie betreft de toon met zijn betrokkenheid bij het maatschappelijk reilen en zeilen in de stad.

Toeval of geen toeval, maar in twee doorwrochte naoorlogse studies over de sociaal-economische verhoudingen in de tweede helft van de vorige eeuw komt de naam van de joodse bankier en filantroop Abraham Carel (Bram) Wertheim (1832-1897) niet voor. Was A.C., zoals hij binnen de grachtengordel door de haute finance werd genoemd, dan niet zo’n groot bankier als de legende wil, vraagt zijn biograaf A.S. Rijxman zich af. “Zeker, Wertheim was een belangrijk financier, doch zijn familie behoorde, vergeleken met de grote Nederlandse bankiers van die tijd, toch tot de kleinere instellingen, al wijst het grote pand dat Wertheim & Gompertz in de Amstelstraat betrokken had op een zekere standing.” geeft Rijxman als antwoord op zijn eigen vraag.
Vast staat dat met het overlijden van A.C. zijn idealen niet met hem het graf in gingen. Zijn zonen Alexander en Johan(nes) zetten, zij het minder prominent, de traditie van maatschappelijke betrokkenheid voort. Die neiging is zelfs terug te vinden bij zijn kleinkinderen, bijvoorbeeld bij de componiste Rosy Wertheim, dochter van Johannes, en bij de beeldhouwer Jobs, zoon van Alexander. Het ziet er ook naar uit dat A.C.’s voorbeeld inspirerend werkte op zijn achterneef en zwager, de jonge Amsterdamse notaris mr. Hendrik Wertheim. En dan is er nog A.C.’s eigen broer, de letterkundige Jacob Leon, bij wie hij belangstelling voor sociale vraagstukken opwekte.

A.C. groeide op in ‘verderfelijk’ milieu
De salon van de beeldschone vrouw van zijn werkgever, bankier Königswarter, was misschien wel de beste leerschool voor het toen nog jonge broekje A.C. Mevrouw engageerde acteurs uit vele Europese hoofdsteden, er werd gedebatteerd over cultuur, politiek en sociale toestanden. Hier hoorde A.C. voor het eerst van het bestaan van sociaal-utopisten. In huize Königswarter waaide een internationale wind op een moment dat Amsterdam nog niet zo internationaal was georiënteerd. De joodse bankiershuizen hielden er echter met hun Europese vertakkingen wel veel buitenlandse relaties op na. Bankiers, daar had de socialistische econoom Karl Marx het niet zo op begrepen. Het Europese bankiershuis Königswarter omschreef hij ooit als “behorend tot de laagste klasse van lening verstrekkende joden”. Volgens hem spande het Amsterdamse filiaal daarin de kroon.
In dat ‘verderfelijke’ milieu groeide A.C. Wertheim op. Wat hij in de kunstsalon beleefde, bracht hem bijna op het idee om acteur te worden. Na zijn huwelijk met nicht Rosalie Wertheim werd hij echter firmant van de bank die zijn schoonvader Abraham Wertheim met B.L. Gompertz had opgericht. A.C. bleek een bankier van niet alledaagse snit. Vermoedelijk was hij de enige bankier ter wereld die iedere dag begon met een spreekuur van acht tot negen voor mensen in nood. Eigenlijk net zoals nog geen eeuw later de Groningse communistische politicus Fré Meis dagelijks zou doen. Dat had MArx nog eens moeten weten.
In de Nederlandse bank- en financieringswereld legde A.C. op eigen kracht een keurige carrière af. Ministers als mr. N.G. Pierson (Financiën) en Tak van Poortvliet (Binnenlandse Zaken) deden maar al te graag een beroep op hem. Wertheim behoorde tot de oprichters van de Amsterdamsche Bank (1871) en was bestuurder van de Vereeniging voor den Effectenhandel. Behalve zijn reputatie als deskundig, onkreukbaar en onbaatzuchtig bankier maakte hij in vakkringen naam als trefzeker ‘trouble shooter’ in ondernemingen die in problemen verkeerden. De doortastende manier waarop hij bijvoorbeeld de Koloniale Bank en de Nederlandsch-Indische Handelsbank van een fiasco redde, dwong groot respect af. Het was niet verwonderlijk dat hij uitendelijk in de raad van commissarissen van De Nederlandsche Bank werd opgenomen.
A.C. stond tegelijkertijd aan de wieg van tientallen instellingen en initiatieven van sociale en kunstzinnige aard, zoals de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (1875), de Wereldtentoonstelling van 1883 en het Heiligewegbad (1896). Hij hield vooral van praktisch bezig zijn in de rol van deus ex machina. Hoeveel geld A.C. in allerlei projecten heeft gestoken, het is niet meer te achterhalen. Maar alles bij elkaar moet het een vermogen zijn geweest.
Over het eigen vermogen van A.C. Wertheim gingen de wildste geruchten. Hoe die konden ontstaan, was niet helemaal duidelijk, want A.C. stond erom bekend dat hij behoedzaam omging met uiterlijk vertoon. Toen hij overleed, beschikte hij over een privékapitaal van een half miljoen gulden, zijn aandeel in de zaak bedroeg bijna zeven ton. Met zo’n vermogen heette je als bankier zelfs in die dagen niet puissant rijk. “Niemand heeft ooit begrepen dat mijn vader met volkomen negatie van persoonlijke belangen zich de kans op rijk worden heeft laten ontglippen,” schreef later zijn zoon Alexander (in geschrifte steeds Alex H. Wertheim).

Romanticus met zwak gestel
A.C.’s broer Jacob Leon (1839-1882) leidde een totaal ander leven. Hij ontpopte zich al heel vroeg ook al vanwege zijn zwakke gezondheid (tbc) tot het zorgenkind van de familie. Jacob ging op in literatuur. Een groot zelfvertrouwen had hij niet. Pas na veel aandringen van familie en bekenden durfde hij het aan om zelfs iets op papier te zetten. Drie verhalen onder de titel Licht en donker bijvoorbeeld en veel poëzie met titels als ‘De Werkman’, ‘De Werkstaking’ en ‘Het Krantenvrouwtje’. Arme en behoeftige mensen paradeerden vaak in zijn proza en poëzie, maar hij hield ervan die ongelukkige figuren door middel van dromen of andere wendingen in de richting van een happy end te manoeuvreren. Een romantisch type. Een paar jaar Parijs, waar Jacob Leon bevriend raakte met de dichters Manuel, Aicard en Coppée, deed hem goed. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot hun poëzie, omdat zij daarin hun genegenheid voor de gewone werkman bezongen. Ook met Lamartine stond hij op goede voet. Aan hem ontleende hij ook zijn levensadagium: “Aimer, croire, chanter, voilà tout ma gloire.” (Liefhebben, geloven, zingen, dat is waar ik me op beroem.) Jacob Leon leidde een teruggetrokken leven. Twee jaar voor zijn dood bezorgde zijn broer A.C. hem een betrekking als secretaris van de Toneelschool. Toen hij overleed liet hij de school een legaat van ƒ 7500 na, als startsom voor een fonds waaruit de toneelopleiding van onbemiddelde studenten kon worden bekostigd.

Openbare leeszalen
De zonen van A.C. Wertheim, mr. Alexander Hendrik (1864-1932) en de vier jaar oudere Johannes Gustaaf (1860-1925), traden duidelijk minder prominent op de voorgrond dan hun vader. Maar beiden zetten zich hun leven lang in voor de sociale instellingen, waarvan in veel gevallen hun vader de initiatiefnemer was geweest. Alexander, directeur van een levensverzekeringsbedrijf, was 27 jaar lang penningmeester van de opleiding tot bewaarschoolonderwijzeressen, een kwart eeuw bestuurslid van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, en twintig jaar zat hij in het dagelijks bestuur van de Bond tot Kinderbescherming en Hulp voor Onbehuisden. Hij richtte samen met mr. L. van Halle en dr. P.C. Bos de vereniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken in Amsterdam op.
Broer Johan, die zijn vader bij Wertheim & Gompertz opvolgde, was medeoprichter van de Koninklijke Vereeniging tot Opleiding voor Ambachten en Beroepen, bestuurslid van de Industrieschool van Vrouwelijke Jeugd, de Vereniging van spraakgebrekkige en achterlijke kinderen, en hij zat ook in het Artisbestuur. Beide broers hielden er nog veel meer bestuursfuncties op na bij sociale en onderwijsinstellingen.
Hun leeftijd- en naamgenoot die in die dagen wel op de voorgrond trad, was achterneef mr. Hendrik Wertheim (1868-1928). Hij moet een joviaal type zijn geweest: “Lollig uit zijn ogen kijkend, een flambard op zijn hoofd en altijd een slobberig colbertje. (…) Een filantropische notaris, altijd bereid je ’t testament te maken en die dit dan doet met een genoegzaamheid of hij je in de echt verbindt.”
Vriendelijke woorden in De Telegraaf (1924), omdat Hendrik zijn zilveren jubileum als notaris vierde. Dagblad Het Volk huldigde hem zo: “Al is deze vrijzinnig democraat niet een der onzen, toch mogen wij niet nalaten dezen dag en op deze plaats hem een woord van hartelijke sympathie te wijden.” Dat kwam omdat de notaris vrijwel alle organen van de Amsterdamse arbeidersbewegingen, vakverenigingen, coöperaties en partijen tot zijn clientèle mocht rekenen. Ieder die met hem in aanraking kwam, bewaarde aan hem “meer dan ambtelijke herinnering”. Om gezondheidsredenen trok Hendrik Wertheim zich een paar maanden na zijn jubileum uit het notariaat terug en vestigde zich in Den Haag. In alle dagbladen werd zijn vertrek als een verlies voor Amsterdam beschreven. Hij had wel een zoon van A.C. kunnen zijn, want ook hij had een rits bestuursfuncties: voorzitter van de afdeling Volksvoordrachten van de Maatschappij voor de Werkende Stand, bestuurslid van Volksvermaken, Volksmuziek in de Open Lucht, van Charitas, van het Nederlandsch Israëlietisch Meisjesweeshuis.
Hendriks zoon, de bankier Hendrik Marinus (1900-1975), volgde de familietraditie met bestuursfuncties bij onder meer het Amsterdams Avondlyceum, de reclasseringsinstelling Boddaerttehuizen en de Bischoffsheim-stichting, die armlastige middenstanders en studenten ondersteunde.

Musiceren voor de tuinman
Rosalie Marie Wertheim (1888-1949), dochter van Johannes en Adrienne Wertheim-Enthoven, wilde zelf naar de School van Maatschappelijk Werk. Haar ouders stuurden haar naar een kostschool in Neuilly. Achteraf een gelukkige beslissing. Want Rosy leerde daar niet alleen goed Frans spreken, ze kreeg er ook voortreffelijk pianoles. Ze had daar zoveel plezier in, dat ze – terug in Nederland – ermee doorging. Met het diploma van de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars-Vereniging op zak ging zij lesgeven aan het Amsterdamse Muziek-Lyceum. “Daar leidde ik onder meer het koor van het Religieus Socialistisch Verbond. Dit was werk naar mijn hart, aangezien ik hier mijn muzikale aanleg en mijn sociale neigingen tegelijk kon botvieren. Het kinderkoor bestond uit de ergste schooiertjes van Amsterdam, de zogenaamde Eilandenkinderen. Ik voerde met hen operettes en cantates op,” zo vertelde zij aan het maandblad De vrouw en haar huis (juli 1948). Zij componeerde toen al af en toe liedjes. Na acht jaar lesgeven en koren dirigeren dacht Rosy Wertheim: ik ga er even tussen uit. Parijs, dat leek haar wel wat. Ze kreeg een half jaar studieverlof van het lyceum. Het bleek achteraf een definitief afscheid.
In Parijs begon ze serieus te componeren. Sonates voor viool en piano, een strijkkwartet en een divertimento voor kamerorkest. Minstens zo belangrijk was natuurlijk dat haar werk ook gespeeld werd. Haar naam ontbrak in Parijs vrijwel nooit op concerten van eigentijdse muziek. De zes jaar Parijs zou ze later de interessantste tijd van haar leven noemen. Rosy’s flat was een trefpunt van kunstenaars als Honneger, Milhaud, Messiaen en haar vriendin Elsa Barraine. Maar na eerst nog een jaar Wenen en een jaar New York streek ze toch weer neer in Amsterdam. Dat was in een periode dat vele musici een onderkomen vonden bij Nederlandse orkesten, op de vlucht voor het naziregime. Het huis van Rosy werd al snel weer een ontmoetingsplaats voor musici en componisten. De eerste twee jaar van de oorlog nam ze onderduikers in huis. Na verraad moest zij zelf onderduiken. “Muziek speelde nauwelijks meer een rol in mijn bestaan,” zei ze in 1948 over die periode. “Ik musiceerde af en toe voor een schoonmaakster, een tuinman en tussen de bedrijven door componeerde ik een ouverture, die hopelijk binnenkort wordt uitgevoerd.” Na de oorlog verhuisde zij naar Laren, waar ze even les heeft gegeven op de muziekschool. In 1949 is ze in Laren overleden.
Het werk van Rosy Wertheim is beïnvloed door componisten als Debussy en Franck. Drie jaar geleden blies de stichting Vrouw & Muziek het stof van haar partituren af. In het Concertgebouw speelde het Helena International Trio en het Raoul Dufy Kwartet werk van deze bijzondere componiste.

Weddenschap bepaalt Jobs levensloop
Voor Johannes Gustaaf Wertheim (1898-1977), de zoon van Alexander, werd al een plaatsje bij het bankiersbedrijf van zijn vader warm gehouden. Na het gymnasium en de rechtenstudie kon hij er terecht, zo luidde de afspraak. Maar Jobs, zoals hij in de wandeling werd genoemd, bleef al op het gymnasium steken en werd naar Londen gestuurd om er te leren bankieren. Jobs hield echter meer van tekenen. In de avonduren volgde hij tekencursussen in plaats van het huiswerk te maken dat hij van de bank meekreeg. Overplaatsing naar Hamburg bracht hem niet op andere gedachten. Na anderhalf jaar kwam hij thuis. Uit zijn koffer haalde hij voorzichtig een zittend naaktfiguurtje van gips.
Een weddenschap met zijn vader moest de verdere levensloop van Jobs bepalen. Hij mocht een portret van zijn vader maken. Als het leek, was de weg vrij voor een opleiding in de beeldende kunst. Vijftig uur heeft Alexander voor zijn zoon geposeerd. Familie en bekenden oordeelden dat het een gelijkend portret was. Vader hield zijn belofte. Hij stuurde zijn zoon niet naar de eerste de beste. De keuze viel op de joodse beeldhouwer Alexander Oppler in Berlijn. “Aan hem heb ik vrijwel alles te danken,” zie Jobs later in een interview. Hij werkte nog geen jaar in Berlijn toen hij al durfde mee te dingen naar de Prix de Rome. Hij won de prijs en dat was voor hem aanleiding een rondreis door Italië te maken. In Florence ontmoette hij Arthur van Schendel met wie hij lange tijd optrok. Hij bleef vier jaar in Florence. In 1930 vestigde hij zich als beeldhouwer in Amsterdam. In tegenstelling tot zijn grootvader A.C. was Jobs een overtuigd zionist. “Alleen de mensch die zijn eigen aard kent en erkent kan volledig mensch en mijns inziens volledig kunstenaar zijn,” vond hij. In de oorlog overleefde hij Theresienstadt. Na de bevrijding koos hij, evenals zijn nicht Rosy, Laren tot woonplaats.
Nationale bekendheid kreeg hij met zijn idee voor de radiocursus Openbaar Kunstbezit, die in 1957 voor het eerst is uitgezonden. Vijf jaar lang is hij met de voorbereiding ervan bezig geweest. Het monument van Joodse Erkentelijkheid in de Weesperstraat en het borstbeeld van Arthur van Schendel in het Leidsebosje behoren tot zijn bekendere werken.
Anno 1992 wonen er in Amsterdam geen directe nazaten meer van Abraham Carel. Van de in dit artikel genoemde Wertheims woont er welgeteld nog één afstammelinge: een van de twee dochters van Hendrik Marinus Wertheim.

 

Bijschrift: Wertheimpark aan de Plantage Parklaan gezien naar Nieuwe Herengracht. Wertheim monument in de vorm van een fontein, in 1898 ontworpen door J. Ingenohl, waarop de deugden van Abraham Carel, A.C. Wertheim en zijn verdiensten voor de samenleving worden vermeld.

Fred Vermeulen
December 1992

Delen:

Buurten:
Centrum Oost
Dossiers:
Amsterdammers Families
Editie:
December
Jaargang:
1992 44
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950