Cullinan maakte Asscher wereldberoemd

Reuzendiamant gekloofd

In de hele wereld begonnen op 10 februari 1908 de telexen te ratelen. Joseph Asscher had in de Amsterdamse Tolstraat met succes de vuistdikke diamant Cullinan gekloofd en die splijting van de ‘miljoenensteen’ betekende groot nieuws.

De enorme ruwe diamant was drie jaar eerder bij toeval ontdekt in een betrekkelijk nieuwe mijnschacht in Pretoria. Op verzoek van koning Edward van Groot-Brittanië was de steen verzekerd voor drie miljoen gulden, maar de werkelijke waarde was vele malen hoger. Nu, 90 jaar later, zegt drs. Eduard Asscher, mededirecteur van de Koninklijke Diamantmaatschappij Asscher: “Een diamant van die afmetingen is onvervangbaar. Het was een volstrekt unieke steen, de grootste en kostbaarste die ooit is gevonden.”
Volgens een hardnekkig gerucht zou Joseph Asscher die namiddag van 10 februari 1908 in het speciale atelier in de Tolstraat in Amsterdam zijn flauwgevallen na de geslaagde klap die de Cullinan deed splijten. Niets is volgens Eduard minder waar: “Een Asscher bezwijkt niet zo gauw.” Het kloven van de steen is met champagne gevierd door de verzamelde Asscher-broers Joseph, Abraham, Louis en Elie, samen met de voortdurend aanwezige politiemannen, een notaris en waarnemers van het Britse hof.

Primeur voor Vaz Dias
Diezelfde week verscheen het romantische verhaal van de Cullinan in alle internationale kranten. Voor het jonge persbureau Vaz Dias in Amsterdam betekende de Cullinan een geweldige primeur. In Amsterdamse diamantairskringen circuleerde eind 1907 het gerucht dat de in 1854 gestichte diamantindustrie van Asscher de eervolle opdracht kreeg om de grote steen te bewerken. De 26-jarige M.S. Vaz Dias was via zijn vrouw Rosette verwant aan de juweliersfamilie Spijer en kon het nieuws bevestigd krijgen bij de firma Asscher. Koning Edward VII van Engeland had de diamantairs Joseph en Louis Asscher inderdaad uitgenodigd en hen tijdens een privé-audiëntie op 15 september 1907 om advies gevraagd inzake de Cullinan. Vaz Dias begreep dat de steen niet alleen Asscher, maar ook de diamantstad Amsterdam in de schijnwerpers zou zetten. Het kleine persbureau zou in die roem kunnen delen. Kort daarop werd Vaz Dias door het internationale persbureau Reuter benoemd tot officiële correspondent. Dat betekende de feitelijke start van een bureau dat zou uitgroeien tot het grootste van Nederland en later de basis zou leggen van het Algemeen Nederlands Persbureau, ofwel het ANP.
Veel diamanten zijn de geschiedenis ingegaan onder een eigen naam en met een meer of minder dramatisch achtergrondverhaal. Het zijn stenen met een persoonlijkheid en de Cullinan is daarop geen uitzondering. Hij heeft de fantasie geprikkeld vanaf het moment dat opzichter Frederik Wells de steen in een mijngang ontdekte “op 26 januari 1905 om precies 17.00 uur”. Wells werkte de steen voorzichtig los en bracht hem naar de directeur van Premiermijn, sir Thomas T. Cullinan.
Het was een vreemd gevormde brok van 10 x 6 x 3,7 centimeter, met één gladde kant, alsof hij door onbekende oerkracht van een nog groter stuk was afgeslagen. Er zijn nog steeds mensen die hopen dat de andere helft op een goede dag boven water komt. De Cullinan woog 3024¾ karaat en werd in de Encyclopaedie der Diamantnijverheid (1907) omschreven als “zuiver met uitzondering van eenige glessen en greinen”. De steen werd in Pretoria en Kaapstad tentoongesteld en toen naar Londen verscheept. In 1907 heeft de Wetgevende Vergadering te Pretoria een voorstel van minister Louis Botha goedgekeurd om de steen te kopen en aan koning Edward van Engeland te schenken, ter herinnering aan de toekenning van zelfbestuur van de kolonie.

“Well done old boy”
Koning Edward wilde de steen graag opnemen in de kroonjuwelen, maar hij begreep van de Asschers dat de schoonheid van Cullinan beter tot zijn recht zou komen als de steen werd gekloofd. De Cullinan was weliswaar zuiver en van een prachtige blauwwitte kleur, maar in het hart zat een zwart stukje koolstof dat aan alle kanten zou hebben gereflecteerd als de steen in zijn geheel zou worden geslepen. In januari 1908 werd de kostbare Cullinan in aanwezigheid van de minister van koloniën overgedragen aan de gebroeders Asscher. Volgens een met de hand geschreven opdracht zou het honorarium voor het kloven, slijpen en bewerken van de enorme steen ruim 16.000 pond bedragen, plus een vergoeding van de verzekeringspremie. Bij Lloyd’s of London werd de steen voor slechts 250.000 pond verzekerd en dat was omgerekend naar de huidige tijd ongeveer drie miljoen gulden.
De Britten namen alle mogelijke veiligheidsmaatregelen voor het vervoer van de steen. Volgens een persbericht werd de Cullinan met een torpedojager van de Britse marine naar Amsterdam gebracht. Eduard Asscher vertelt glimlachend: “In werkelijkheid zat de steen in de zak van mijn grootvader toen hij met de nachtboot van Harwich naar Hoek van Holland ging en daarna de trein naar Amsterdam nam. Dat was in die tijd de gebruikelijke route van de diamanthandelaren. Toen een medereiziger hem vroeg wanneer de steen naar Amsterdam zou komen, kon mijn grootvader alleen maar zeggen: ‘Binnenkort.’”
In Amsterdam nam de 28-jarige Abraham Asscher een taxi naar de nieuwe fabriek in de Tolstraat. Bij aankomst stuurde hij een loopjongen naar het telegraafkantoor met een telegram voor hoofdinspecteur Drew van Scotland Yard in Londen: “Arrived safely everything allright.” Drew antoordde: “Well done old boy!”
Joseph Asscher, de oudste broer, had veertien dagen nodig om de steen te bestuderen en op de juiste plaats een inkeping te maken met behulp van een andere diamant. Er werd apart gereedschap gemaakt voor de grote steen. Op 10 februari 1908 rond drie uur in de middag was het uur U aangebroken. Tot het uiterste geconcentreerd plaatste Joseph een bot mes in de inkeping en gaf er een klap op met een stalen hamer. Verwarring, bijna paniek: het lemmet van het mes brak af. Om kwart over drie volgde de tweede hamerslag en de steen werd precies volgens plan gespleten.

Betaling in diamanten
Het heeft daarna acht maanden geduurd voor de negen grote en 96 kleinere stenen die uit de Cullinan voortkwamen alle waren geslepen. De verantwoordelijke man was diamantslijper Henri Koe, die in die periode een salaris verdiende van ƒ 225 per week, evenveel als de burgemeester van Amsterdam in die tijd. Louis Asscher omschreef de stenen later als buitengewoon mooi, zowel qua kleur als perfectie. “Ik heb de stenen een paar keer mogen bestuderen en zou ze nu omschrijven als ‘diep-blauw perfect’ hoewel ik er geen microscoop bij heb kunnen gebruiken.”
De grootste diamant, de Cullinan I, weegt 530 karaat en is in peervorm geslepen. Hij kreeg een prominente plaats in de scepter die behoort tot de Britse kroonjuwelen. De Cullinan II van 317 karaat, de op twee na grootste geslepen diamant ter wereld, siert de gouden koningskroon. De schitterende stenen worden tentoongesteld in de Tower van Londen.
Abraham Asscher bracht de geslepen Cullinan-stenen ook naar Londen terug. Koning Edward was bijzonder tevreden en schonk de Asschers een zilveren beker met het opschrift: “Presented by His Majesty the King tot Mr Joseph Asscher & Co in acknowledgement of their services in connection with the cutting of the Cullinan Diamond 21 November 1908.” Die beker staat met alle andere herinneringen, de opdrachtbrief, de telegrammen en het speciale gereedschap nog altijd in de directiekantoren van het bedrijf. De diamantairs werden niet uitbetaald in geld, maar in diamanten: een markies geslepen steen van 21 karaat en een paar kleinere stenen, waaronder een markies van 1,56 karaat. Later kocht koning Edward de meeste ‘salarisdiamanten’ terug. De steen van 1,56 karaat werd door de Zuid-Afrikaanse regering gekocht en doorverkocht aan generaal Botha. Bij een veiling van de nalatenschap van Boths’s dochter dook die diamant, mét bijbehorende brief waarin naar de Cullinan-herkomst wordt verwezen, weer op. De familie Asscher heeft er via veilinghuis Sotheby een bod op uitgebracht. Eduard Asscher: “We hadden die diamant graag weer in ons bezit willen krijgen. Het is tenslotte een deel van onze geschiedenis. Helaas, een lokale juwelier was ons te snel af en sindsdien hebben we niets meer over die Cullinan-steen gehoord.”

R.M. Meijer is journaliste en schrijster van Vier eeuwen diamant – Antwerpen, Amsterdam, Londen, Uniepers, Amsterdam 1986.
Februari 1998

 

Delen:

Editie:
Februari
Jaargang:
1998 50
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950