Confectie van stoep tot stoep

Voordat prins Bernhard in 1968 het Confectiecentrum (nu World Fashion Center) op het Koningin Wilhelminaplein opende, was de grachtengordel tussen Brouwers- en Rozengracht tientallen jaren hét middelpunt van de productie van en handel in confectie. Een sfeerschets.

Herenhuizen die wel een verfje kunnen gebruiken. Langs de waterkant veel auto’s, vaak in een dubbele rij geparkeerd, soms ook scheef op de stoep, ladend en lossend. En auto’s in de file, claxonnerend en waarvan de bestuurders verwensingen uitwisselen met mensen op straat. Tussen de veelal bejaarde bewoners (steeds minder), een bonte mengeling van mensen die hier hun werk hebben. Goed geklede confectionairs, de schoenen glimmend als kastanjes. Modistes tijdens de lunchpauze, gearmd uitzwermend over straat. Bontwerkers in witte, expeditieknechten in grauwe stofjassen. Stoepiers met vlotte praatjes, die inkopers naar binnen lokken. Dat is rond 1960 de sfeer in het westelijk deel van de grachtengordel, toen nog het middelpunt van de Amsterdamse confectie-industrie.

In Parijs werd de mode bedacht, in Berlijn en Amsterdam werd de kleding gemáákt: zo was dat tot in de jaren dertig. Tot die tijd zaten de meeste Amsterdamse confectieateliers nog in de oude binnenstad (de burgwallen, Oudeschans, de Prins Hendrikkade, de oude jodenbuurt). Maar toen in 1933 Hitler in Duitland aan de macht kwam, vluchtten honderden joodse confectionairs en maatkleermakers naar Amsterdam en velen van hen betrokken de oude grachtenpanden, die in die crisistijd als woning onbetaalbaar begonnen te worden.

In 1963, toen de confectionairs de grachten alweer begonnen te verlaten, blikte Ben Kroon in De Tijd terug op die transformatie. “Heemschutters konden hun wrevel nauwelijks verbergen toen aan de kop van de grachten het ene patriciërshuis na het andere door de confectionairs werd betrokken. De kop van de grachten was confectieland geworden, even territoriaal in de Amsterdamse binnenstad bepaald als de tabak in de Nes en het antiek op de Spiegelgracht.

Waar eertijds een mistroostige erfdochter op een ‘klop op de deur’ wachtte, werden nu de ramen tot de halve hoogte mat beschilderd, en verscheen naast de stoep een bordje met een knutselnaam die onveranderlijk op ‘tex’ eindigde. Binnen zoemden de naaimachines en brulden de luidsprekers de favoriete melodieën van het AVRO-orkest onder leiding van Nico Treep.”

Kelders werden expeditieruimtes, bel-etages directiezetels, hogere verdiepingen en binnentuinen veranderden in kale, neonverlichte naaiateliers. De zolder was geschikt voor het stoffenmagazijn; zware rollen textiel werden buitenom naar boven getakeld. Ontzien werd alleen de ‘sael’, van oudsher de mooiste ruimte van het huis. Dit werd de ‘showroom’, waar de confectionair zijn klanten ontving, de pasdame de collectie tot leven bracht en de klant overstag ging.

In 1968 was atelier Lacorde een van de laatste nieuwkomers op de gracht. Oprichtster Lonia Schölvinck had toen al een karakteristiek traject in de buurt doorlopen: in 1958 begon ze als model bij Dieckman Couture in de Langestraat, drie jaar later werd ze ontwerpster bij Charles Collignon (Herengracht 150-152), waar ze veel avond- en feestkleding maakte. Toen Schölvinck daarna voor zichzelf begon, was de grote trek naar het Confectiecentrum al op gang gekomen. Daardoor kwam Singel 78 voor haar vrij. Lacorde maakte daar mode “met een Franse touch”, voor “dochters die iets anders dan hun moeders wilden dragen”.

Het bedrijf leverde aan De Bijenkorf en boetieks en maakte daarbij intensief gebruik van de bestaande infrastructuur. Schölvinck: “Naaimachines kochten we bij Rivalco op de hoek van het Singel en de Oude Leliestraat; om de hoek had Sophie van Kleef een boetiekje. Bedrukte katoen leverde René Kahn, Herengracht 24. Onze ritsen kwamen van Optilon op het Singel, een paar huizen terug, en de knopen van Butonia op nummer 150. Onze fotograaf Ronnie Hertz zat op Singel 102.”Ja, zó dorps was ooit deze bedrijfstak, die toch voor meer dan de helft van de nationale confectie verantwoordelijk was.

Tot omstreeks 1970. De grote mantelfabriek Berghaus (Keizersgracht 72-76) was al in 1963 vertrokken naar Nieuw-West, en sinds 1968 verhuisden steeds meer bedrijven naar het Confectiecentrum. Japonnenfabriek De Groot & Co (Herengracht 50-52) ging in 1970 failliet, andere bedrijven verplaatsten de productie naar ‘de provincie’ of lagelonenlanden. De grachtengordel is intussen weer veryupt. Maar boven de deur op Singel 78 staat nog steeds in zwierige letters ‘Lacorde’.

Tekst: Koosje Sierman
Afbeelding: Stadsarchief
November-December 2004

Delen:

Dossiers:
Kunst en Cultuur Mode
Editie:
December November
Jaargang:
2004 56
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1950-2000