Nummer 1: Januari 2016

cover januari 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

Prijs €6,- Bestel

 Op de omslag: Bebaarde hipsters uit de 16de eeuw geschilderd door Dirck Barentz

Inhoud:

- Professor Bonnetty en zijn wonderkatten

- Weeshuiskinderen bezeten door de duivel?

- 16de eeuwse hipsters

- Johnny The Selfkicker

- Dienstwoningen: Een huis van de zaak

En verder:

- Nieuwe serie: Volksbuurten

- Hier gebeurde het: Grachtenrace is ijskoud fiasco

- Vaste route met Sacha de Boer

- Stemmen uit het verleden: Marius Bauer


Katten-1-afffiche-kleur

Kattendompteur verovert de wereld vanuit een loods bij de Kwakersdijk

Lodewijk Napoleon gunde zijn grootvader in 1810 de functie van maître de poste, paardenpostmeester in Groot-Zundert. Hijzelf bereikte eind 19de eeuw als 'professor' Eduard Bonnetty in heel Europa een sterrenstatus met zijn katten-, ratten- en muizennummer. Wie was hij en hoe is het hem vergaan? De speurtocht leidt van Parijs naar het Kwakersdwarspad in Amsterdam-West. Daar werd in een oude loods proefondervindelijk bewezen dat aartsvijanden elkaar kunnen leren vertrouwen.

Een goede circusact staat of valt met verwondering en vrees bij de toeschouwer. Zie de katten van 'professor' Eduard Bonnetty. Ze paradeerden over batterijen flessenhalzen, navigeerden in volle vaart tussen rijen stoelsporten en sprongen door brandende hoepels. Ze balanceerden met dikke ratten, witte en grijze muizen en kanaries gemoedelijk op het gespannen koord, als was het de gewoonste zaak van de dierenwereld. "Om den vreedzamen geest van die anders zoo vijandige elementen te meer te doen uitkomen, wordt een rat op den nek van de kat geplaatst, en zoo moet de wandeling langs het koord gemaakt worden, terwijl een andere kat zijn kop tegen een rat aan streelt en hem met de pooten liefkoost." Vele, soms heel barokke beschrijvingen uit binnen- en buitenland geven de allure weer van deze onovertroffen artiest uit het fin de siècle.
Te midden van zijn chats savants, zijn knappe katten, werd Bonnetty in 1887 in Parijs vereeuwigd door Théophile-Alexandre Steinlen, de befaamde kattentekenaar. Het was laat in de herfst. Avond aan avond overdonderde 's werelds eerste kattendompteur de toeschouwers van het Cirque d'Hiver (dat nog steeds bestaat!). De Franse schrijver Hugues le Roux, een groot circuskenner, interviewde met hulp van een tolk de ongeveer 28-jarige Hollander, die de eerste oefening van zijn tijdrovende dresseerwijze onthulde: "Vooruit! ordonne M. Bonnetty, qui ne parle que le hollandais. Le chat ne 'vooruit' pas." Eindeloos geduld en vriendelijkheid moest hij betrachten om de dieren aan hem te wennen, ze de commando's te doen opvolgen en de kunstjes te leren appreciëren. Én natuurlijk om prooi en vijand elkaar te laten vertrouwen. Reden genoeg om zijn artiestennaam met 'professor' te tooien.

Pakhuisratten
Met zijn Wunder Katzen veroverde de professor Wenen en met zijn Performing Cats Londen. In Madrid vermaakte hij de kleuterkoning Alfonso XIII en in de harem van de sultan in Constantinopel sloegen de dames het samenspel tussen de aartsvijanden gade door spleetjes in de wanden. Nieuwe oorden en successen zouden volgen, maar eind 1891 trad Bonnetty op in zijn geboorteland. Hij begon in Rotterdam en kwam in december naar Circus Carré. Ook hier waren leken en kenners stupéfait van het "zeldzaam schouwspel" en de kassa rinkelde.
Aan Het Nieuws van den Dag vertelde Bonnetty hoe hij zo'n tien jaar eerder als bediende in een manufacturenwinkel op de Nieuwendijk liever op zolder zat met de katten, die hij kunstjes leerde. "Bij 't meten van lint dacht ik aan mijn katten, bij de katoentjes aan mijn marmotten, bij 't fluweel aan mijn duiven." Hij werd ontslagen. Tegen de zin van zijn ouders volgde hij zijn passie en ging de katten dresseren. "In een pakhuis buiten de Raampoort, of liever: een houten loods, die alleen zijn huur waard was voor ratten en muizen, die er waren. Dat bracht me op 'n idéé. Ik begon nu mijn katten te dresseeren met een nest van 8 ratten: heel jong, nauwelijks 12 dagen oud en elk zoo groot als een halve vinger. Ik liet ze eerst wat groeien en bracht ze toen bij mijn katten. U begrijpt, dat die er dadelijk naar grepen, maar dat was de bedoeling niet. Door voortdurende aanraking werden de katten en de ratten aan elkaar gewend en bleef de instinctieve afkeer van ratten tegen katten latent."
Niet alle beesten waren geschikt om te temmen en het katten- en rattenspel kostte hem een extra jaar training. "Iederen dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, was ik in de loods buiten de Raampoort bij me kweekelingen, die ik al volkomen met elkaar kon vertrouwen. Zoo ging 't ook met een nest jonge muizen."

Artis
Zo uitvoerig als deze en latere verhalen ingaan op zijn dresseerkwaliteiten, nooit wordt iets losgelaten over zijn identiteit. Volgens de een had hij een Amsterdams accent, volgens een ander sprak hij plat Brabants. Hij kwam uit een dorpje of was Amsterdammer, werd geboren in 1859 of een jaar later.
Het wekelijks orgaan van variétéartiesten Der Artist – sedert 1883 een onmisbare bron voor elke theaterprogrammeur – noemde hem vanaf 24 april 1887. "Prof. E. Bonnetty, Orginal-Dresseur, 10 dress. Katzen, 25 dress. Tauben, 6 Vögeln, 6 Katzen, 6 Maüse, Adr.: 'Artist'." Een halfjaar later was zijn adres Circus Priami, dat in die periode zijn tent had opgeslagen in Vlaanderen, weer een maand daarna het theater Cirque d'Hiver in de Parijse Rue Amelot. Het aantal katten is dan gestegen tot twaalf.* Er gebeurde wel iets merkwaardigs, want ineens zijn er meer professoren Bonnetty, telkens met wisselende adressen, waarvan meestal één in Amsterdam.
Dat "E. Bonnetti, alhier" geregeld schenkingen deed aan Artis kan geen toeval zijn. Twee roeken, een raaf, een vos: kennelijk waren ze minder geneigd tot kunstjes. In het Amsterdamse bevolkingsregister komt Bonnetty niet voor. Een bron uit 1895 biedt uitkomst. De Duitse acteur en journalist Hermann Otto stelde behalve het tijdschrift Der Artist ook het Artisten-Lexicon van variétéartiesten "aller Länder und Zeiten" samen (onder de naam signor Saltarino). Hij plaatste een fotogravure van Eduard Bonnetty: een tengere man met een flinke, opgekamde snor die zijn smalle gezicht benadrukte. Het lemma vermeldt: "Frederik Passtvors, bekannter Thierdresseur, geb am. 8 Dec. 1860 in Groot-zundert, Nordbrabant." Passtvors lijkt een drukfout, maar de speurtocht trekt nu vlot naar de plaats, waar Vincent van Gogh wordt geëerd als beroemd dorpsgenoot.

Puike collies
Navraag bij het gemeentearchief in Zundert leidt tot de paardenpostmeester Willem Passtoors (1784-1859), naar wie een straat is vernoemd. Hij verdiende zijn respectabele functie als dank voor bewezen diensten aan koning Lodewijk Napoleon. Voorts was er diens kleinzoon Willem Casper Joseph Passtoors (1856-1916), sigarenhandelaar, katholiek vakbondsman, parlementslid en burgemeester van Ginneken en Bavel. Maar een kattendompteur, nee, die kent men niet. Het gezin van Willem Frederik George Lodewijk Passtoors, de zoon van de postmeester, werd in 1877 naar Amsterdam uitgeschreven. Misschien ligt daar het antwoord.
De naam 'Passtoors' levert een waslijst aan Amsterdamse adressen op. Joseph Jan Maria Emilius Passtoors, een broer van de vakbondsman, geboren op 22 september 1859 in Groot-Zundert, vestigde zich als "Koopman in honden en reiziger" met zijn gezin in Amsterdam-West, buiten de Raampoort. Eerst op de Nassaukade en al gauw in de Potgieterstraat in de wijk waar de gemeente vanaf 1894 begon met onteigening voor stadsuitbreiding. Als 'J. Bonnetty' bood hij in advertenties eerste kwaliteit honden aan met uitstekende stambomen: "puike Collies", "gitzwarte Poedels", "grauwe Keesen". Voor "Scheeren, Coupeeren en Castreeren" en voor africhten kon men bij hem terecht en hij was te ontbieden op feesten en partijen met zijn gedresseerde miniatuurhondjes. Een van de hoofdnummers: 'De hond die pianospeelt en walst'.
Was híj dan de elegante professor Bonnetty die met zijn wonderkatten in het Cirque d'Hiver ovaties had geoogst?

Vossenstreek
"Bonnetty was de artiestennaam van mijn overgrootvader. Met zijn kleine huisdieren trad hij eind 19de en begin 20ste eeuw over de hele wereld op." Arthur Passtoors onderhoudt een website over zijn voorouders. Hij werkt op het Rokin, niet ver dus van de Nieuwendijk, waar lang geleden de jonge bediende tussen de lapjes aan zijn dieren dacht. Uit de familie kent hij verhalen over de tragische dood van de dieren door verstikking in het ruim van een Frans schip kort nadat Bonnetty ze had verkocht en over de apen in de Potgieterstraat die amok maakten en ontsnapten.
Passtoors bewaart een archiefje met enkele bijzondere documenten, zoals een portretfoto uit Nizjni Novgorod en een laissez-passer uit september 1893. Voor de 36 bestemmingen, waaronder Rusland, Noord-Amerika en vrijwel geheel Zuid-Amerika, biedt het nauwelijks genoeg ruimte. Bij speciale kenmerken staat: "une cicatrice", een litteken aan een vinger van de rechterhand. Gebeten door een vos, weet de achterkleinzoon uit overlevering.
Hoe ver de dompteur zijn passie voerde, blijkt uit de lange reis langs de Wolga. In De Nederlandsche Jager beschreef "J. Bonnetty, Dresseur" in 1896 zijn avontuurlijke zoektocht naar jonge vossen bij Russische boeren, die het bont doorgaans verkochten op jaarmarkten, zoals in Nizjni Novgorod. Vandaar de foto. "In gevolge onze advertentie kwamen de boeren ons weldra met hun telega's (boerenwagens) halen." Zijn knecht was erbij en Passtoors denkt dat ook Josephs één jaar jongere broer Johannes mee was. Eenmaal voorzien van voldoende vossen, voeren ze naar Rybinsk. Onderweg troffen ze de vossen voor dood aan in hun hokken. Toen ze er één dan maar overboord gooiden, zwom die weg. De vossen herhaalden hun levenloze kunstje, maar de dresseurs liepen er niet weer in. Thuis volgde intensieve training met vossen en kippen, waarbij Bonnetty soms een "Russisch Reintje" achterna moest in de weilanden achter zijn werf bij het Kwakersdwarspad (het huidige Kwakersplein).

Illusie
Voor 'Idylle uit het dierenrijk' tooide Bonnetty zich in Engelse rode jachtrok en hoge kaplaarzen. Hij "organiseert een steeple-chase tusschen honden en vossen – zeer vreedzaam –, vertoont u een worstelwedstrijd tusschen een vos en een hond, werpt voedsel in een chaos van vossestaarten, hondekoppen, kippeveeren en ganzensnaters, zonder dat de 'Idylle' wordt verstoord." De dierentemmer verklaarde dit alles te doen als Amsterdammer, waarop Het Algemeen Handelsblad in januari 1895 jubelde: "elk Amsterdamsch oog gloeit van trots en elke Amsterdamsche boezem zwelt!"
Een jaar later berichtte The New York Times over de aankomst van Bonnetty op het stoomschip Mohawk met zijn menagerie "including foxes, dogs, cats, rats, geese, ducks, hens, pigeons, and cockatoos". "Mr and Mrs E. Bonnetty" hadden een engagement op Broadway bij Koster & Bial's Music Hall. Het ging nu om broer Johannes Passtoors, pasgetrouwd met Maria Döppenbecker.
Arthur Passtoors stelt vast dat de twee broers samen schuilgingen achter de artiestennaam Bonnetty. "Ze wilden deze illusie voor de buitenwereld in stand houden." Heel graag zelfs, want ook 'Frederik Passtoors' is een mystificatie, waarvoor ze hun vaders voornaam hanteerden tegenover journalisten. Zo konden ze beiden in binnen- en buitenland doorgaan voor professor Bonnetty.
De samenwerking eindigde rond 1900. Elk ging zijns weegs. Hun kunst was inmiddels afgekeken door vele andere dresseurs. Bonnetty was niet langer exclusief. Enkele jaren na de vroegtijdige dood van zijn vrouw Maria van Luijnen doekte Joseph de zaak in de Potgieterstraat op en hoewel er geregeld nog een "ouderwetsche kindervoorstelling" door Bonnetty werd opgevoerd, raakte de allure er wel af.
Tot zijn pensionering heeft hij als nachtwaker bij de Boldootfabriek aan de Haarlemmerweg gewerkt. Twee van zijn drie kinderen verloor hij, bij een ongeluk en door de Spaanse griep. Zijn broer Johannes stierf in 1931, in necrologieën hogelijk gerespecteerd als "de bekende veteraan-wandelaar". Toen in maart 1942 Joseph 'Bonnetty' Passtoors overleed in een rusthuis in Beverwijk werd geen woord aan hem gewijd. De tijd was er niet naar om stil te staan bij de beminnelijke dresseur, die iedereen versteld had doen staan met zijn vredelievende taferelen.

JESSICA VOETEN IS JOURNALIST.

* MET DANK AAN MR. H.H.J. LINSSEN VOOR ONDER MEER DE ONMISBARE GEGEVENS UIT DE ZELDZAME BRONNEN DER ARTIST EN ARTISTEN-LEXICON.


Kinderen-1-prent-met-kerk

Bezeten wezen teisteren de stad

Het moet een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest: dolle jongens en meisjes die in januari 1566 'beseten met boose geesten' door de straten van Amsterdam liepen. Ze klauterden als katten tegen muren en daken op. Lieten zich schreeuwend en schuimbekkend op de grond vallen. Braakten glas en naalden uit. Zagen visioenen. Een verklaring voor de 'weeshuisziekte' is niet makkelijk te geven. Maar zowel katholieken als gereformeerden probeerden er politiek een slaatje uit te slaan.

"Terstond beginnen zij, op de wijze van uitzinnigen, onder groot rumoer te tieren; van binnen zijn ze gezwollen van scherpe gal; de mond is nat van schuim, de ogen puilen uit; de leden liggen neergeploft op de grond; een donker bloed druipt zowel van hoofd als van andere lichaamsdelen." Beeldend beschrijft rector Antonius Duetus van de Latijnse school de toestand van de wezen in de winter van 1566, nu 450 jaar geleden. Hij woont niet ver van het Burgerweeshuis, dat sinds 1520 is gevestigd in de Kalverstraat, tegenover het huidige Amsterdam Museum. De weeshuisziekte maakt grote indruk op het schoolhoofd en zijn stadgenoten.
Ook het goedkatholieke stadsbestuur reageert geschrokken op de demonisch rebellerende kinderen. Meteen na het uitbreken van de weeshuisziekte op 14 januari 1566 wordt het Burgerweeshuis verboden terrein voor onbevoegden. De magistraat gaat hiertoe over om te voorkomen dat drommen nieuwsgierigen het weeshuis binnenlopen om de krankzinnig geworden 'kinderkens' te bekijken. De weesvaders en -moeders zitten met de handen in het haar. Ze willen dat er een preek en collecte zal worden gehouden in de kapel van de Heilige Stede, de locatie waar in 1345 het Mirakel van Amsterdam – met de uitgebraakte hostie in het haardvuur – heeft plaatsgevonden. Het weeshuis is noodlijdend en net als in de rest van de stad heerst er voedselschaarste. Maar de vroedschap wijst de inzamelingsactie van de hand, uit vrees voor meer onrust door een grote samenkomst van mensen in de kapel.

Helderziende
De stadsbestuurders bedenken een andere oplossing: ze verplaatsen de zieke wezen voor verdere verpleging naar het Paulusbroedersklooster, aan de overkant van de Amstel tussen Oudezijds Achterburgwal en Kloveniersburgwal. Nu breekt dáár de pleuris uit: de wezen breken de deuren van het convent open, gooien de ramen in en klimmen over de schuttingen, waarna ze in groepjes door de stad zwerven en beroering en opstootjes teweegbrengen. Mikpunt van hun baldadigheden is de kersverse schout Pieter Pietersz, later een gevreesde ketterjager. De wezen maken veel rumoer voor zijn huis. De boomlange schout probeert hen te paaien door appels en koek uit te delen, maar behalve de bijnaam 'Lange Deventer Koek' levert dat hem weinig op.
De aanhoudende weeshuisziekte raakt verbonden met de strijd van de gereformeerden tegen het verbod op uitoefening van hun godsdienst. Op 5 april 1566 vraagt een groep edelen de landvoogdes in Brussel om het opschorten van de ketterijplakkaten en het staken van de vervolgingen. Na een voorzichtige toezegging aan dit 'Edelenverbond' zien de hervormingsgezinden hun kans schoon: in de Zuidelijke Nederlanden organiseren zij de eerste openbare preken in de buitenlucht. De landsoverheid reageert meedogenloos met plakkaten waarin ketters met de doodstraf of verbanning bedreigd worden. De messen zijn geslepen.
De Amsterdamse regent Jan Claesz Samson – van beroep verver in de Drie Koningen in de Kalverstraat – moet op een geheime missie naar Den Haag om te overleggen over maatregelen tegen de steeds brutaler optredende hervormingsgezinden. Zijn moeder, Trijn Gerrits, is een van de weesmoeders. Ze schrikt zich een hoedje als een dolgedraaid weeskind ineens tegen haar zegt: "Uw soon Jan Klaes sal naer den Hage reisen, en daer niet goedts aenrechten, want dus is 't in den raedt beslooten." Wat in de vroedschap besloten wordt, is staatsgeheim! Zo'n kind kan onmogelijk aan dergelijke informatie komen. Hoe...? Trijn Gerrits rent met het weesje naar het stadhuis, waar zojuist haar zoon de trap afloopt. Hij bevestigt het plan om naar Den Haag te reizen. Geschrokken van dit staaltje helderziendheid besluiten de burgemeesters de reis af te gelasten.

Hekserij
Het is inmiddels juni als ook volwassen Amsterdammers zich bij de losgeslagen wezen aansluiten. Fye Jansdr alias Fye Lieveheer is een van hen en zij moet zich voor de schout verantwoorden. Ze zou de kinderen hebben gelokt met geld en rozijnen en ook hebben bedreigd. De vrouw ontkent alles. Wel geeft ze toe dat ze nieuwsgierig is geweest naar het van de gekte genezen weeskind Lambertgen. De jongen verblijft op het Begijnhof, waar zij hem "goede goddelijke vermaningen" heeft gegeven. Andere beschuldigingen tegen Fye Jansdr betreffen toverij. Zo zou een vogeltje bij haar binnenkomst terstond zijn overleden. Ook heeft ze op een wat onorthodoxe manier haar man van de drank af geholpen: ze voerde hem brood dat zij eerst door de mond van een dood jongetje haalde. Andere Amsterdammers zouden door haar toedoen ziek zijn geworden of zelfs zijn overleden. Een jongeman die vleselijke omgang met haar dochter had, verwenste zij, waarna hij blind werd. Fye Lieveheer wordt vastgehouden in het klooster der Elfduizend Maagden – het Sint Ursulaklooster. Zelfs na twee smerige martelsessies bekent ze niets.
Volgens de wezen is het ook niet Fye Lieveheer maar een andere vrouw die hen heeft betoverd. Ze gooien de ruiten in en maken amok bij Jacoba Jacobsdr Bam, in de wandeling Jaapje Bammen genoemd. Zij woont dichtbij het weeshuis in de Kalverstraat, stamt uit een vooraanstaande katholieke familie en is verwant aan de stadsbestuurders: haar broer Cornelis en haar zwager zijn zelfs burgemeesters. Mogelijk staat zij in een kwade reuk, omdat haar moeder eerder – in 1547 – van toverij is beschuldigd, doch vrijgepleit. Om haar naam te zuiveren laat Jaapje zich in juni vrijwillig 'ter purge stellen': twee weken lang kunnen burgers grieven en klachten tegen haar indienen. Niemand meldt zich en uiteindelijk wordt zij onschuldig verklaard, net als haar moeder indertijd.

Strijd met de duivel
Nu de beschuldigingen van hekserij zijn mislukt, zoeken de burgemeesters naar een medische verklaring voor de weeshuisziekte. Een dokter uit Delft moet de weeskinderen genezen van hun 'miserable sieckten', maar het is onbekend of hij ooit naar Amsterdam gekomen is. In augustus is de ergste opschudding rond de wezen voorbij. In de nasleep hebben de katholieke Amsterdammers en hun gereformeerde tegenstrevers zo hun eigen visie op de betekenis van de weeshuisziekte. Rector Duetus meent als vertegenwoordiger van het katholieke kamp in zijn hierboven aangehaalde schoolzang dat de toorn van God is losgebarsten over de stad als gevolg van de hervormde ketterijen. Hij draagt zijn gedicht op aan de machtige burgemeester Sybrant Occo, een zwager van de van hekserij beschuldigde Jaapje Bammen. Occo is er alles aan gelegen om zijn schoonzusje van alle blaam te zuiveren en een andere vrouw de toverij in de schoenen te schuiven. Occo en Bam zijn ook weer verwant aan de veelgeplaagde schout.
Uit hervormingsgezinde kring kennen we de mening van Laurens Jacobsz Reael. Deze korenkoopman woont aan het Damrak en is als een van de grootste voorstanders van de reformatie betrokken bij de troebelen in 1566. In zijn gedenkschriften is hij terughoudend over hekserij en plaatst hij de weeshuisziekte in de strijd van de hervormingsgezinden tegen de schout en de stadsregering. God liet via de kinderen de ketterjager Pieter Pietersz en het stadsbestuur met de duivel strijden om hen zo een lesje te leren. Het opperwezen staat volgens Reael dus aan de kant van de hervormingsgezinden.

Hennepkoeken
Historici wisten zich later geen raad met de Amsterdamse weeshuisziekte. Sommigen dikten het verhaal nog wat aan, zoals de 17de-eeuwse stadshistoricus Olfert Dapper. Hij liet de weeskinderen niet alleen op daken klimmen maar ook in de toren van de Oude Kerk. Daar sloegen ze met hun vuisten op de speelklokken en zongen ze een spotliedje op de 'heks' Jaapje Bammen: "Wy zullen hier niet van daen gaen / of Bametje zal in 't vuure staen." Tot de 18de eeuw werden de oorzaken van de weeshuisziekte vooral gezocht in het bovennatuurlijke. Jan Wagenaar komt als eerste met een politieke verklaring: de gereformeerden zouden de kinderen ertoe hebben aangezet. De oorzaak van hun gedrag was volgens hem niet bezetenheid, maar een bedwelming van de hersenen of regelrechte aanstellerij.
Schoolmeester en historicus Jan ter Gouw had in de 19de-eeuw een nuchtere kijk op de weeshuisziekte. "Ik heb geen lust de dwaasheden na te schrijven die door onze historieschrijvers daarvan zijn te boek gesteld", meende hij. Aan de hand van de stadsrekeningen constateerde hij dat de weeshuisziekte de stad veel geld kostte. Midden 20ste eeuw kwam Arie Querido (1901-1983) met een hoogst originele verklaring voor de weeshuisziekte. Volgens deze sociaal-geneeskundige zou de acute oorzaak kunnen liggen in de voeding van minderwaardig roggemeel, een gevolg van de schaarste in het 'hongerjaar' 1566. Door vitaminegebrek waren de kinderen overgevoelig voor giftige stoffen in dit meel, die ergotisme – de 'kriebelziekte' – kunnen veroorzaken.* Ook zou de rogge verontreinigd kunnen zijn geweest met cannabis indica, beter bekend als hennep.
Op grond van het kasboek van het Burgerweeshuis bevestigde Lydia Hagoort in 1994 dat het voedsel van de wezen gedurende de eerste maanden 1566 vrijwel uitsluitend uit hennepkoeken heeft bestaan. Ook concludeert zij dat niet alleen de gereformeerden maar ook de katholieken de dolgedraaide wezen gebruikt hebben in hun politieke machtsspel: beide partijen beschuldigden elkaar van een pact met de duivel. Hun sluimerende conflict kwam aan het eind van de zomer tot een gewelddadige climax: met de Beeldenstorm en de daaropvolgende troebelen verdween de aandacht voor de wezen naar de achtergrond.
MAARTEN HELL IS HISTORICUS.

* ERGOTISME IS EEN (ARMELUIS)ZIEKTE DIE WORDT VEROORZAAKT DOOR MET MOEDERKOORN (EEN SCHIMMEL) BESMET GRAAN EN KAN GEPAARD GAAN MET HALLUCINATIES.

 


 De baard is terug: 500 jaar kaakbeharing in Amsterdam

Baard-1-schuttersstuk

De baard is terug van weggeweest in Amsterdam. Sommige trendwatchers menen dat de echte hype z'n langste tijd heeft gehad, maar blijven zal de baard nu toch zeker. Meer dan de laatste decennia in ieder geval. Vraag: hoe gingen de (mannelijke) Amsterdammers in de loop der eeuwen eigenlijk om met hun gezichtsbeharing?

De eerste Amsterdammers, hoe zagen die eruit? Waren de mannen zo rond 1300 baarddragers? Er valt geen zinnig woord over te zeggen. De vroegste portretten die we kennen dateren van twee eeuwen later, toen de Middeleeuwen alweer voorbij waren. De machtige koopman en geleerde Pompejus Occo, in 1515 geportretteerd door Dirk Jacobsz, was baardloos en dat gold ook voor de zeventien dinerende schutters die Cornelis Anthoniszn in 1533 schilderde. Maar Occo's schoonzoon Joost Sybrandsz Buyck (tussen 1549 en 1577 liefst zeventien keer gekozen tot een van de vier jaarlijks vervangen burgemeesters) droeg een stevige volle baard. Net als de rond 1550 door ketters gevreesde schout Willem Baerdesen (sic!) en op één na alle in 1566 geschilderde schutters van het Kloveniersgilde. Tussen 1540 en 1550 lijkt de baard Amsterdam veroverd te hebben.
Het afscheren of bijwerken van al die baarden was het werk van baardsnijders oftewel barbiers; alleen minvermogenden en onverschilligen deden dat zelf. Aanvankelijk was het een bijverdienste van chirurgijns (georganiseerd in een gilde), die ook op andere manieren andermans lijf met gereedschap bewerkten: blaas- en nierstenen verwijderen, kiezen trekken, aderlaten en zo meer. Rond 1550 werd scheren een vak apart. Barbiers bleven behoren tot het chirurgijngilde, maar in een bijzondere onderafdeling. De eigenlijke chirurgijns schoren niet meer en de barbiers onthielden zich van medische handelingen.
De barbiers leefden zich uit op experimentele baardvormen. Wie krijgshaftig wilde overkomen nam een 'stilettobaard' (zo een als de gevreesde Spaanse hertog van Alva droeg) of een gespleten 'vorkbaard'. Razend populair was het geciviliseerde korte puntbaardje, dat veel minder dan de lange modellen verstrikt raakte in de populaire witte molensteenkragen. Trendy was de combinatie van een puntbaard met een opkrullende snor. We zien die stijl bijvoorbeeld bij dichter/geschiedschrijver Pieter Corneliszn Hooft, koopman/dichter Laurens Spiegel en dichter, predikant en hoogleraar Caspar van Baerle alias Barlaeus, maar ook bij de schutters op Rembrandts Nachtwacht. Subtieler nog was snor plus 'mouche': het subtiele plukje haar net onder de onderlip, gedragen door dichter Joost van den Vondel, zeeheld Michiel de Ruyter en de door Rembrandt geschilderde jonge regent Jan Six. Sommigen, onder wie Barlaeus' collega-hoogleraar Gerardus Vossius, hechtten sterk aan de lange volle baard, net als de grijsaards in de regentencolleges. Natuurlijk zijn bijna uitsluitend vooraanstaande burgers geschilderd, maar op gevelstenen worden in de 17de-eeuw ook een timmerman, metselaar of korendrager steevast met (volle) baard afgebeeld.

Waarom scheren?
Scheren werd in de loop van de Gouden Eeuw een stuk gemakkelijker door de komst van het inklapbare, open scheermes met stalen blad, te slijpen met een strijkriem. Dat zal hebben bijgedragen tot een nieuwe, frivole mode bij vooral jongeren uit de elite die zich tegen hun strenge ouders afzetten. Zij gingen vanaf ongeveer 1630 kleurige kleding dragen in plaats van sober zwart, schoren hun kin glad en lieten het haar groeien tot op de schouders. Woedend noemde een aantal rechtzinnige dominees met Bijbelse argumenten deze haardracht verwijfd en onzedig. Dat was tegen het zere been van vrijzinnige predikanten die zelf de nieuwe haarmode volgden. De tweestrijd leidde tussen 1640 en 1648 tot een pamflettenstrijd: de 'Harige Oorlog'. De mode won, uiteindelijk gaven de scherpslijpers het op.
Tegen het eind van de eeuw verving de elite de eigen weelderige lokken door een lange golvende pruik. Trendsetter was de Franse 'Zonnekoning' Lodewijk XIV, die wilde maskeren dat hij al jong kaal werd. Hij was weliswaar een vijand van de Nederlanders (de Fransen vielen Nederland binnen in het 'Rampjaar' 1672), maar door zijn grandeur toch een stijlvoorbeeld voor de hogere standen.
Rond 1850 sloeg de mode weer plotseling om, allereerst in Engeland: tussen 1840 en 1860 steeg de bebaardheid aldaar van 10% naar 60%. Men sprak van The Beard Movement. In een door romancier Charles Dickens uitgegeven familieblad verscheen zelfs het manifest Why Shave? Een van de argumenten was dat baarden bescherming zouden bieden tegen vieze lucht. Dickens zelf droeg een stevige sik en de spraakmakende ontdekkingsreiziger en natuurwetenschapper Charles Darwin, bijvoorbeeld, een witte lange baard.
De rage sloeg snel over van Londen naar Amsterdam, waar allereerst de bakkebaarden groeiden. We zien het aan de portretten van de opeenvolgende Amsterdamse burgemeesters. Cornelis Fock (in functie van 1868 tot 1868) heeft ze al, bij Cornelis den Tex (1868-1880) zijn ze samengegroeid met een snorloze baard, Gijs van Tienhoven torst een volle baard. Allard Pierson (van 1877 tot 1895 de eerste Amsterdamse hoogleraar in de kunstgeschiedenis) droeg forse bakkebaarden verbonden door zijn snor. Ook bierbrouwer Gerard Adriaan Heineken had bakkebaarden en een snor. De drager van de allermonumentaalste bakkebaarden van eind 19de eeuw was zonder meer de filantroop en koloniaal ondernemer P.W. Janssen.

Krulknevels
King Camp Gillette introduceerde in 1901 het scheertuig met wegwerpmesjes. Eerst alleen nog in Amerika, maar al snel veroverde de Gillette Safety Razor de wereld en acht jaar later ook Amsterdam. Scheren was nu een stuk veiliger en goedkoper. De baard ging eraf, maar de snor bleef tot vlak na de Eerste Wereldoorlog zeer populair. In allerlei vormen: vakbondsmannen, zoals de vermaarde diamantbewerkervoorman Henri Polak, hadden (getuige congresfoto's) massaal een bescheiden strakke snor. Maar circusdirecteuren, legerofficieren en politiecommissarissen waren dol op lange met veel pommade opgekrulde knevels. Mooi voorbeeld is hoofdcommissaris Hubertus Hordijk alias Stalen Bart.
Na enige tijd verdween ook de snor en was gladgeschoren de nieuwe norm in Amsterdam. Maar niet voor iedereen. Architect Piet Kramer (Amsterdamse School, vooral bekend van de bruggen) trotseerde de mode en koos juist voor een lange volle artistieke baard. En er waren er meer zoals hij. Enkele (vaak kunstzinnige) non-conformisten gingen ook tegen de trend in, onder wie de architecten H.P. Berlage (puntbaard) en Piet Kramer (lange baard), schrijver en schoolmeester Theo Thijssen (walrussnor) en niet te vergeten de woestbaardige zwerver Cornelis de Gelder alias Hadjememaar.
Kort voor de Tweede Wereldoorlog berichtten Nederlandse kranten dat in Amerika de baard weer oprukte, een nieuwe mode die wel snel zou overslaan. Maar tijdens de oorlog was daar weinig van te merken en daarna bleven de gladgeschoren Amerikaanse filmsterren het voorbeeld. Als in Amsterdam iemand een snor of baard droeg, dan moest hij wel een kunstenaar zijn. Zo een was experimenteel schilder (en kapperszoon) Karel Appel, bekend om zijn imposante donkere snor.

Baardverbod
Eind jaren vijftig en begin jaren zestig provoceerden de pioniers van de rock-'n-roll en de popmuziek de oudere generatie met hun haardracht, denk aan Elvis Presley met zijn bakkebaarden en de Beatles met hun lange haren. Enkele voorlieden van de in 1965 begonnen provobeweging, met name Roel van Duijn en Hans Tuynman, droegen bovendien een baard als protest tegen de gevestigde orde. Tegen het eind van de jaren zestig werd de baard gecombineerd met steeds langer haar, wat problemen gaf op scholen en in kazernes. Zo schreef de Amsterdams scholier A. de Kater in 1961 in dagblad Het Vrije Volk dat het dragen van een baard bij hem op school verboden is.
Nadat de generatiestrijd gestreden was, verdween de lange haardracht en verminderde het aantal baarden. Eind jaren zeventig raakten glad geschoren en korte tot middellange kapsels weer in. Alleen de punkers waren provocerend in hun haardracht met hanenkammen en kale koppen. De decennia erna bleven baarden schaars en hield slechts een enkeling een snor. Denk aan de in 1978 bij De Telegraaf begonnen (misdaad)verslaggever Peter R. de Vries. Ook Ajax-voetballer Frank Rijkaard was de trotse drager van zo'n typische jaren tachtig snor, een soort vette vinger op de bovenlip. Rond de millenniumovergang verdween gezichtsbeharing compleet. De metroseksuele man kwam uit zijn schulp, een behaarde kin of een snor onder de neus was voor de onsuccesvolle medemens.
Sinds 2010 is de baard weer terug. Met name de houthakkersbaard en de hipsterbaard zijn populair. Tv-presentator Arie Boomsma draagt bijvoorbeeld de houthakkersbaard en rapper/acteur Olivier Locadia, beter bekend als Willy Wartaal, heeft een volle baard. Baard en snor moeten net zoals vroeger goed worden verzorgd en het aantal kapperszaken exclusief voor mannen groeit dan ook met de baarden mee. Amsterdam is begin 2015 de enige grote stad in Nederland met meer mannelijke dan vrouwelijke kappers: 51%. Mannen laten hun gezichtsbeharing weer massaal verzorgen door een specialist – net zoals vóór de komst van het Gilette's scheermes. De barbier maakt zijn comeback.


DAAN SCHINKEL STUDEERT NIEUWS EN MEDIA AAN DE HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM.


MET DANK AAN NINKE BLOEMBERG, CONSERVATOR MODE VAN HET CENTRAAL MUSEUM UTRECHT. DAAR IS VAN 20 FEBRUARI TOT EN MET 29 MEI DE TENTOONSTELLING HAAR! OVER MENSELIJK HAAR IN MODE EN KUNST.


 Jhonny-van-Doorn-CarreJohnny van Doorn (1944-1991): groot vuurwerk van The Selfkicker

Op 26 januari is het 25 jaar geleden dat Johnny – The Selfkicker – van Doorn plotseling op jonge leeftijd overleed. Er viel een diepe stilte in het literaire hart van Amsterdam. Een van de markantste figuren was voorgoed uit het straatbeeld verdwenen.

Op het hoogtepunt van zijn provinciale roem verliet 'Vaatje Buskruit' en 'Arnhemse Zenuwbal' Johnny van Doorn begin jaren zestig zijn geboortestad. Hij verruilde de Lorentz HBS voor 'de leerschool des levens'. En waar kon je begin jaren zestig meer levenservaring opdoen dan in Amsterdam! Zijn eerste lift naar de magische hoofdstad kreeg hij van een jonge vent in een Citroën DS: de fotograaf Ronald Sweering. Met ruim 160 per uur scheurde Sweering over de snelweg. "Met de arrogantie een dichter waardig zei hij dat als je iets te bieden hebt, je uit de provincie moet vertrekken", herinnerde die zich later.
Simon Vinkenoog had Van Doorn daartoe eerder al aangemoedigd, na een optreden van hem in Galerie 20 van Felix Valk, Parkstraat 20 in Arnhem. De Amsterdamse woordkunstenaar was diep onder de indruk geweest: "In den beginne was het Woord. En welk een woord. Het was geweeklaag, het was gejuich, het was gejam, het waren sirenes, stoomketels, ratelende machinegeweren, bliksemende ontladingen van aaneengeregen zich tot in het oneindige versnellende klanken, gierende klinkers hyperbolisch over elkaar heen duikelend." Na afloop van de spetterende show had hij gezegd: "Dat moet je in Amsterdam komen doen."
Vol gas stoof Johnny van Doorn de hoofdstad binnen, als een voorteken van de wervelende, chaotische en dolle jaren die zouden volgen. Hij maakte kennis met Bart Hughes, die bekend werd als de man die een gaatje in zijn hoofd boorde om voortdurend high te zijn. Er waren er meer neergestreken bij deze medicijnman op Lange Leidsedwarsstraat 158. Ook anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld, nog zo'n jongen die de werkelijkheid omtoverde tot theater. Hij doopte het pand tot Hospital Little Lexington.

The Selfkicker
Het jonge talent uit de provincie was in de turbulentie van een nieuwe tijd terechtgekomen. De waanzinnige wereld die hem omringde, verhief hem tot een van de smaakmakers van Grootvelds 'magisch centrum'. Tijdens hun optredens vulden Robbie en Johnny elkaar aan, zowel in uitmonstering als in hun schreeuwerige performances. De anti-rookmagiër bedacht een treffende naam voor de 'Electric Jesus' uit Arnhem: The Selfkicker. "Jij hebt helemaal geen marihuana meer nodig", zei hij. "Jij kickt al van jezelf, je bent een selfkicker."
Drank, drugs, seks, muziek, psychedelische projecties, performances. Een hallucinante wereld. Johnny The Selfkicker verwoordde zijn indrukken en ervaringen in gedichten die hij tijdens de happenings voordroeg, woord voor woord scandeerde en articuleerde en onderstreepte met wilde, driftige gebaren. In zijn even impulsieve als associatieve Post-Sexuele ZondagsPoëzie rekende hij af met de brave jaren vijftig. Met "de zwarte jaren van de sex" en "de hel van de petticoats", zoals hij zijn tienertijd typeerde. Met de tijd dat alles taboe was en dus onbespreekbaar. Shockeren was een doel op zich. Waar de actie was daar was The Selfkicker. In de volks- en hoerenbuurten van de Zeedijk met de jazzcafés, net als op de Nieuwendijk café de Cycloop. De naam van de happening Stoned in the Streets in Willams Place op de Zeedijk gaf de sfeer uitstekend weer.
De K-tempel van Grootveld bevond zich in een vervallen garage in de Korte Leidsedwarsstraat, eigendom van de excentrieke restauranthouder Nicolaas Kroese. In de donkere, benauwde ruimte van de 'Kankerkerk' hield Grootveld met beschilderd gezicht anti-rookdiensten. Daar klonk zijn Ugge-ugge-song als hij voorging in zang en gebed. "Vervolgens (...) trad de Arnhemse dichter Johnny The Selfkicker naar voren met zijn verbaasde, angelieke gezicht, en barstte los in éen van zijn postsexuele electric jesus taalpandemonia dat iedereen horen en zien verging van geluid en woorden, waarop Grootveld, na een kort dankwoord, voorging in de Publicity-song, waarvan de tekst werd uitgemaakt door het onafgebroken herhaalde woord 'publicity'", verhaalde Harry Mulisch in Bericht aan de rattenkoning (1966).

Razend verliefd
Voor een bezoek aan zijn ouders of een optreden reisde Johnny nog wel eens terug naar Arnhem. Maart 1965 ontmoette hij Yvonne Mousset in De Kameleon, het voormalige kaaspakhuis achter de Korenmarkt dat dienst deed als jazz- en rocktempel. Op 1 april gingen ze samenwonen op Johnny's anti-kraaketage in de Kleine Wittenburgerstraat (nummer 38). "We waren razend verliefd op elkaar", schreef hij later in De geest moet waaien (1977). "Ik betrok met haar een afbraakhuis in Amsterdam op de Oostelijke Eilanden. Het buurtje waar onze liefde bloeide zag er uit of het gebombardeerd was geweest; middeleeuwse creaturen slopen langs de bouwvallen. Bij mooi weer hingen de wijven uit de ramen. Hun kijfstemmen schalden door de straat. Een vuilniswagen pufte onder wee gezoem de hoek om. Het gerammel der bakken werd heviger en ebde weg. Achter ons huis loeide een fabriekssirene. Roezig van het liefde maken, zei Yvonne: 'Het lijkt wel Tibetaanse muziek...'"
Op de houten vloer van de etage stond een bed. Een hutkoffer deed dienst als tafel. "Maar er was gas en licht" (Mijn kleine hersentjes, 1972). "Er was zelfs een piepklein keukentje en een grappig dinky-toy toilet met harmonicadeuren. Een schamel krot." Het is nauwelijks voor te stellen hoe arm en berooid zij waren. Naast enkele toegestopte bankbiljetten na een optreden ergens in Nederland, leefden ze van het geld en de gunsten van anderen. Bietsen was een tweede natuur geworden. Iedereen 'leende' Johnny een tientje. Of een geeltje.
Het nieuwe jaar begon met knallend vuurwerk. Hij stuurde zijn ouders een brief waarin hij hen een gelukkig en voorspoedig 1966 wenste: "Na klokslag 12 hebben we even het vuurwerk in de Binnen Bantammerstraat bekeken. Die Chinezen daar hebben er een geweldig festijn van gemaakt. Dat zie je niet in Arnhem."

Poëzie in Carré
Twee maanden later, het is 28 februari, zorgde The Selfkicker zélf voor vuurwerk op de legendarische poëzieavond in Carré georganiseerd door Simon Vinkenoog en Olivier Boelen.* "CENTRA PATS BOEM / ZICHTBARE KNAL / WIT HELT 'T LICHT / BOLLE WIT BOLLE WIT BOLLE WIT DE AARDE WIT ZWART / DE WEG GELIG LICHT / KIJK DAAR 'N MAN MET EEN SIGAAR RETTEKETET PAAAAARS! / SSSSSSJOEOEOE ZZZJOEOEOE! OOOOOOOOH..."
De krantenrecensies die in het boek Poëzie in Carré zijn opgenomen overtreffen in aantal ruimschoots de commentaren over de andere dichters. Wim Zaal was het in Elsevier niet eens met de boeroepers en uitjouwers, want hij kreeg van Johnny een "reuzekick", omdat hij zo goed provoceerde. NRC Handelsblad vond hem "meer een vreemde stuntmaker dan een dichter", de enige die "totaal afging". Het katholiek dagblad De Tijd meende dat de dichter "de meest obscene dingen als rotte appels" in de zaal slingerde, "waarbij hij zowaar de gewenste hallucinerende, happeningtoestand al brullend, scheldend en schokschouderend wist op te roepen". Hij was "alleen maar show", schreef Het Vaderland, iemand "die zich krankzinnig gilt" en viel "als een baksteen". De verslaggever: "Johnny's loeien verzonk in het gegil en gefluit van de zaal die iets wilde terugdoen. Toen de Selfkicker uitgekickt was blies hij met een minachtend gebaar woedend naar het publiek, en liep als een dikke overgrote pruilende baby een beetje zweverig van de emotie weg."
Maar de toon was gezet. Johnny The Selfkicker had naam gemaakt. Publicity! Nog vóór de Boekenweek eind maart verscheen zijn eerste dichtbundel De nieuwe mongool, gevolgd in 1968 door De heilige huichelaar. Zijn zakagenda stond vol uitnodigingen voor "literaaare" avonden in heel het land. Iedereen wilde die Selfkicker zelf wel eens horen en zien.

Magistrale Stralende Zon
Voorjaar 1967 verhuisde het echtpaar Van Doorn naar Rozenstraat 75. Op het naambordje schreef Johnny achter zijn naam "J. the S". Op 28 december traden Johan van Doorn en Yvonne Irene Mousset in Amsterdam in het huwelijk. Johnny schreef het befaamde gedicht waarvan half Nederland tijdens poëzieavonden destijds de slotregels in extatische herhaling mee declameerde: een Ma-gi-straaa-le Straaa-lende-Zzzonnn. En op 22 oktober 1969 werd Johnny vader. Dezelfde dag verhuisde hij met Yvonne en zoon Sindbad naar een nieuwe flat in Amsterdam-Noord.
Het Laagt 145 is het adres waar hij tot het eind van zijn leven bleef wonen. Vandaar ondernam hij zijn dagelijkse expeditie naar café Scheltema op de Nieuwezijds Voorburgwal. Café van journalisten, schrijvers en kunstenaars. Hij zag er zijn vrienden van de Haagse Post, het pand was om de hoek. Hans Sleutelaar, Willem 'Boebi' Brugsma, Betty van Garrel, Hans Verhagen, Cherry Duyns (een heel enkele keer), Rijk de Gooyer, Eelke de Jong en 'eeuwige bengel' Wim T. Schippers.
In de Nes dronk hij in Theatercafé Frascati een "Frascati-bier". Dan haalde hij uit het koffertje dat hij op de omslag van Gevecht tegen het zuur (1984) in zijn hand houdt (of een gewone plastic tas) een van zijn boeken en hield het luid orerend omhoog. Ook het café was zijn podium. De mensen kenden hem van zijn televisieoptredens in talkshows, van rollen als De Bediende, De Praalhans en Het Meisje in Herenleed (naast Cherry Duyns en Armando), van de verhalen en gesprekken met Wim Noordhoek op de VPRO-radio.

Chroniqueur
Johnny van Doorn ontpopte zich steeds meer als schrijver van jeugdherinneringen en ervaringen in Amsterdam. Het vuurwerk doofde. Hij werd veeleer een chroniqueur van mooie momenten. "De nieuwe Nescio" noemde Adriaan Morriën hem. Vanaf 1988 ging hij als verteller het theater in met zijn eigen programma Door de weken heen.
Er was iets. Matthijs van Nieuwkerk moest zijn pas inhouden toen hij met Johnny door Amsterdam liep op weg naar de Beurs van Berlage voor een interview voor Het Parool (20 oktober 1990). Johnny hinkte, zei dat hij last had van een oude knieblessure. Waarschijnlijk "een onherstelbare slijtage aan het kráááákbeen". Het gesprek ging over De lieve vrede (1990): "Mijn persoonlijke, intieme geschiedenis... Romantiek, soberheid, melancholie, soms op de grens van het sentimentele. Met hier en daar verfijnde ironie."
Ineens was er ook iets met zijn stem. Zijn handelsmerk. Na de laatste theateropnamen in de Kleine Komedie voor de televisieregistratie van Groot Herenleed – op 30 december 1990 door de VPRO uitgezonden – strompelde Johnny ziek de woonkamer in. Opname in het BovenIJ Ziekenhuis volgde. Daar overleed hij op 26 januari 1991 aan alvleesklierkanker. "De tong sterft", dichtte hij bijna 28 jaar eerder in De terreur van de tongval, zijn debuut in het tijdschrift Podium. "Geeft u over!"
Maar zijn stem is er nog. Vitaal en loud and clear in zijn verhalen en gedichten, in tv- en filmopnamen en op cd. En jaarlijks waait Johnny's geest op poëziefestivals. Onder andere in Ruigoord en op het Wintertuinfestival in Nijmegen.


NICO KEUNING SCHREEF DE BIOGRAFIE OORLOG EN PAP, HET BEZETEN LEVEN VAN JOHNNY VAN DOORN (MET CD), DE BEZIGE BIJ, AMSTERDAM 2009.

 


 Dienst-1-havenbeeldWonen op het werk

'Je gaat het pas zien als je het doorhebt': op talloze plekken in de stad zijn dienstwoningen min of meer verborgen in of bij bedrijfspanden. De meeste zijn in de 19de eeuw gebouwd, daarna veel minder. Maar wonen bij het werk wint nu weer aan populariteit. Verrassende ontdekking: de huidige 'woonwerkwoningen' zijn nauw verwant aan de middeleeuwse huisnijverheid.

Op de kop van de Oostelijke Handelskade, waar nu Muziekgebouw aan 't IJ staat, verrees in 1886 een groot verzamelgebouw voor havendiensten, met loodsen, douane, post en een meteorologisch station. Dit Gebouw van de Algemene Dienst stond later bekend als het Meteorologisch Instituut. Dankzij z'n markante positie en drie torens was het een welkomstbaken van het destijds nieuwe Oostelijk Havengebied.
Wat vrijwel niemand weet is dat het een bedrijfspand leek, maar voor twee derde uit woonruimte bestond. Er zaten vijf riante woningen in. Vier met eigen entree en trappenhuis aan de binnenplaats: voor de Inspecteur, de Commissaris, de Ondercommissaris en de Ontvanger. De woning van de Inspecteur was het grootst; die strekte zich uit over drie etages en telde zeven ruime kamers, een keuken en een bergzolder. De andere drie functionarissen hadden het niet veel minder getroffen, al moesten de Ondercommissaris en de Ontvanger het doen met woningen aan de noordzijde. Op de kop zat op éénhoog Café Restaurant Handelskade, dat zich aanprees met het "prachtigste vergezicht van Amsterdam". In werkelijkheid had de kastelein zelf vanuit zijn woning boven de zaak een nog mooier panorama.
Het gebouw is in 1922 flink verbouwd toen het KNMI de kantoorruimte wilde uitbreiden, maar toch bleven er nog twee dienstwoningen bestaan, voor de Directeur en de Observator. Het werd gesloopt in 1974, en daarmee raakte de stad een bijzonder woon-werkgebouw kwijt.

Wijdverbreid
Met vijf woningen zat het havendienstengebouw boven het gemiddelde, maar verder was het destijds niet uitzonderlijk om wonen en werken in een gebouw te combineren. Sterker, bijna geen groot bouwwerk uit de late 19de eeuw heeft géén in- of aangebouwde dienstwoning. De meeste zijn nu niet meer als zodanig in gebruik, maar ze bestaan nog wel. Wie er eenmaal op let, ontdekt ze overal.
Een kleine greep. De Stadsschouwburg had zijn conciërgewoning achter in de hoek aan de Marnixstraat. Het warenhuis Metz in de Leidsestraat had een bedrijfswoning bovenin. Bij het Schoolkinderbad in de Frederik Hendrikstraat zit-ie op de bovenverdieping aan de straat. De verbandfabriek Utermöhlen aan de Weesperzijde (later hoofdkantoor van de brandweer en nu in verbouwing tot appartementen) beschikte over een directeurswoning met zeven kamers en een ligbad. De directeur van het Zeemanshuis op het Kadijksplein keek vanuit zijn woonvertrekken uit over het IJ. Bij de Graansilo Korthals Altes hoorden twee woningen. Ook de paardentramremise in de Linnaeusstraat (nu een Wibra-vestiging) had er twee, terwijl de tramremise aan de Tollensstraat (De Hallen) volstond met een bovenwoning voor de chef-monteur. Het Vondelparkpaviljoen had een kasteleinswoning en het Vondelpark zelf natuurlijk een opzichtershuis. In de huidige kantoorruimte van Paradiso woonde ooit de koster van de Vrije Gemeente boven de Kleine Zaal.

Buitenbeentje
En dan vergeet ik bijna de bekendere dienstwoningen, zoals de directeursvilla van het Rijksmuseum, de dienstwoningen van Artis en de ambtswoning van de burgemeester. Het Stedelijk Museum is een buitenbeentje als een van de zeldzame grote gebouwen uit de late 19de eeuw zónder inpandige dienstwoning. Ze waren zo wijdverbreid dat niemand de moeite hoefde te nemen om te verantwoorden waarom in een theater, een fabriek of een remise moest worden gewoond. Veel nieuwbouw ging gepaard met gekrakeel, maar nooit over de woonfunctie. Die was zo vanzelfsprekend dat er slechts woorden aan werden besteed als er in een gebouw een ontbrak, maar er wel moest komen.
Zo was de 'hydraulische inrichting' verderop aan de Oostelijke Handelskade in het huidige Panamagebouw in 1885 zonder dienstwoning gebouwd. Mogelijk is de behuizing eenvoudigweg vergeten. De hydraulische inrichting zou de eerste energiecentrale van de haven worden en vooraf was er grote ophef over het feit dat de gemeente voor de levering van de machines alleen ervaren buitenlandse firma's benaderde. In de controverse over de aanbesteding moet het meest voor de hand liggende over het hoofd zijn gezien.
Tien jaar later corrigeerde de gemeenteraad dit manco, nadat de directeur van Publieke Werken had betoogd "dat het belang van den dienst medebrengt, dat de chef-machinist bij de hydraulische inrichting op de Handelskade woont bij het machinegebouw". De raad trok f 6000,- uit om alsnog een keurig vakwerkhuisje voor de chef-machinist te bouwen, die f 200,- huur per jaar ging betalen.

Behoorlijk bestaan
Over het motief voor één type dienstwoning is meer bekend, namelijk de onderwijzerswoning. "Aan de openbare onderwijzers zal, zoo veel mogelijk, toegewezen worden: het genot van eene woning en hof", aldus het Koninklijk Besluit over het onderwijs uit 1830. Woning en hof keerden een kwart eeuw later terug toen de Tweede Kamer zich over een nieuwe Onderwijswet boog. "Verder behoort den hoofdonderwijzer eene vrije woning te worden verschaft", schreef de minister. De tuin was niet langer verplicht.
De onderwijzerswoning werd gezien als een belangrijke voorwaarde voor het onderwijs, net als voldoende salaris voor een behoorlijk bestaan, fatsoenlijke schoollokalen en hulpmiddelen. Pragmatisme en waardering voor het onderwijzersvak, misschien zelfs een lichte bezieling met beschavingsidealen, vallen hier samen. Een onderwijzer is noodzakelijk voor goed onderwijs, een woning is noodzakelijk voor de onderwijzer, dus is de onderwijzerswoning noodzakelijk voor het onderwijs – even onontbeerlijk als leerboeken, krijtjes en kachelturf.
Soortgelijke instrumentele argumenten zullen ook voor andere dienstwoningen gegolden hebben. De dienstwoning floreerde in een tijd dat vrijwel alle werk door mensen of dieren werd gedaan. Nog vrijwel niets was gemechaniseerd of geautomatiseerd. Bedrijfsgebouwen hadden geen beveiligingscamera's of intercom, maar een portier of conciërge. Burgerwoningen hadden geen huishoudelijke apparaten maar huishoudelijk personeel. Koetsen werden niet voortbewogen door een benzinemotor, maar door paarden, gemend en verzorgd door koetsiers, palfreniers en stalknechten, die op ieder moment beschikbaar moesten zijn (net als nu autosleutels op ieder moment beschikbaar zijn). Wat lag er meer voor de hand dan ze in of naast het koetshuis te laten wonen? Een dienstwoning was een noodzakelijke voorziening, vergelijkbaar met hedendaagse voorzieningen als een meterkast, een cv-ketel en een intern communicatienetwerk.
Eind 19de eeuw kampte de stad bovendien met een grillige woningmarkt en een onvolkomen infrastructuur als gevolg van de onstuimige groei. Een werkgever die zijn werknemer een woning bij het werk verschafte, verloste hem van huizenjacht en reistijd, en verzekerde zichzelf van een altijd aanwezige kundige persoon. De dienstwoning versterkte de onderlinge band en diende tot wederzijds profijt. Alle aandacht kon zich op het werk richten en de continuïteit was gegarandeerd.

Rangen en standen
Dienstwoningen waren er in vele verschijningsvormen en ze weerspiegelden nauwkeurig de rangen en standen van het arbeidsbestel. De statigste dienstwoning van Amsterdam was zonder twijfel de directeurswoning van het Rijksmuseum, waarin tot 1945 daadwerkelijk museumdirecteuren onderdak vonden. Aan het nederige andere uiteinde van het scala vinden we in dezelfde jaren twee piepkleine opzichtershuisjes in de Houthavens "voor de ambtenaren der Westelijke doksluizen" van elk 36 vierkante meter plus een zoldertje.
Voornaam en gerieflijk was ook de vrijstaande villa voor de hoofdingenieur van de Westergasfabriek. Twee van zijn ondergeschikten, de adjunct-ingenieur en de assistent-ingenieur, woonden minder prominent in het naastgelegen verzamelgebouw met werkplaatsen en kantoren, het latere stadsdeelkantoor van Westerpark. Het verschil in rang was evident.
De hiërarchie is ook goed te zien in de Kweekschool voor Machinisten uit 1886, nu een universiteitsgebouw aan de Plantage Muidergracht. Dat gebouw was toch al een soort microkosmos, met theorie- en praktijklokalen en een slaapzolder waar de 'kribben' van de 50 interne leerlingen stonden. Aan de ene kant van het langgerekte pand had de directeur een ruime inpandige woning, voor de belangrijkste technische functionaris, de machinist, zat een half zo grote woning helemaal aan de andere kant. De drie inwonende dienstboden, twee voor de directeur en één voor de machinist, beschikten ieder slechts over een zolderkamer.
Maar de samenleving stond niet stil. Dat illustreert het hoofdrioleringsgemaal aan de Zeeburgerdijk (nu een restaurant) van ruim twintig jaar later: de chef-machinist woonde beneden en de hulp-machinist moest de trap op, maar het verschil in woonoppervlakte was hoogstens 10%.
Ook de onderwijzerswoningen die de Amsterdamse stadsarchitecten Willem Springer en Bastiaan de Greef op basis van de Onderwijswet van 1857 ontwierpen, zijn veelzeggend over het maatschappelijk aanzien van de onderwijzer. Keurige huizen zijn het, nauw verwant aan de 'stadswoonhuizen' die Springer ook ontwierp en hooguit een fractie kleiner. Veel van die woningen bestaan nog altijd, terwijl de aanpalende scholen allang zijn verbouwd of gesloopt. Hetzelfde geldt voor 19de-eeuwse pastorieën, zoals in de Spaarndammerstraat, die hun kerk hebben verloren.

Geheim
De dienstwoning kwijnde weg in de loop van de 20ste eeuw. Enkele kwamen er nog bij, zoals de Olympische portierswoning (1928), de stationchefswoning van het Muiderpoortstation (1936), de dienstwoning bij de Apollohal (1969) en de woningen bij de Opel-garage op een bedrijventerrein bij de Spaklerweg begin jaren zeventig.
Maar door veranderingen in de techniek, de mobiliteit, de arbeidsmarkt, de wooncultuur en het ruimtelijk beleid verschrompelde de bestaansgrond van de dienstwoning. Veel taken die inwonende werknemers verrichtten, zijn inmiddels gemechaniseerd en geautomatiseerd. Dankzij onze mobiliteit en communicatiemiddelen kunnen we ook op afstand dichtbij het werk zijn. Op de hedendaagse, vluchtige arbeidsmarkt ligt het niet voor de hand dat een werkgever tevens huisbaas is. En onze woningen ervaren we tegenwoordig als de uitdrukking van een eigen smaak, wat wringt met de neutraliteit van de dienstwoning. Ook heeft de overheid de band tussen werk en woning lange tijd ontmoedigd met een ruimtelijk beleid dat streefde naar grootschalige functiescheiding. Mengvormen als de dienstwoning pasten daar niet goed in. Hooguit werden ze gedoogd en huurbescherming is een effectief middel om ze te ontmoedigen. Het gemiddelde bestemmingsplan heeft nog altijd moeite met werkgebouwen in een woonwijk of woningen op een bedrijventerrein.
Het fenomeen van de dienstwoning is uitgestorven, maar de woningen zelf zijn stilletjes gebleven. Sommige hebben al zo lang een andere functie dat niemand die er nu werkt nog weet dat er ooit is gewoond. Andere worden nog altijd bewoond maar hebben hun wederhelft verloren – een school, een kerk, het Juliana Ziekenhuis – zodat ze eveneens onherkenbaar zijn geworden. De dienstwoning, met haar bonte geschiedenis, is een geheim geworden. Tot je door de stad fietst en ze ineens ziet.


FRED FEDDES IS JOURNALIST EN PUBLICIST.