Nummer 1: Januari 2016

 Jhonny-van-Doorn-CarreJohnny van Doorn (1944-1991): groot vuurwerk van The Selfkicker

Op 26 januari is het 25 jaar geleden dat Johnny – The Selfkicker – van Doorn plotseling op jonge leeftijd overleed. Er viel een diepe stilte in het literaire hart van Amsterdam. Een van de markantste figuren was voorgoed uit het straatbeeld verdwenen.

Op het hoogtepunt van zijn provinciale roem verliet 'Vaatje Buskruit' en 'Arnhemse Zenuwbal' Johnny van Doorn begin jaren zestig zijn geboortestad. Hij verruilde de Lorentz HBS voor 'de leerschool des levens'. En waar kon je begin jaren zestig meer levenservaring opdoen dan in Amsterdam! Zijn eerste lift naar de magische hoofdstad kreeg hij van een jonge vent in een Citroën DS: de fotograaf Ronald Sweering. Met ruim 160 per uur scheurde Sweering over de snelweg. "Met de arrogantie een dichter waardig zei hij dat als je iets te bieden hebt, je uit de provincie moet vertrekken", herinnerde die zich later.
Simon Vinkenoog had Van Doorn daartoe eerder al aangemoedigd, na een optreden van hem in Galerie 20 van Felix Valk, Parkstraat 20 in Arnhem. De Amsterdamse woordkunstenaar was diep onder de indruk geweest: "In den beginne was het Woord. En welk een woord. Het was geweeklaag, het was gejuich, het was gejam, het waren sirenes, stoomketels, ratelende machinegeweren, bliksemende ontladingen van aaneengeregen zich tot in het oneindige versnellende klanken, gierende klinkers hyperbolisch over elkaar heen duikelend." Na afloop van de spetterende show had hij gezegd: "Dat moet je in Amsterdam komen doen."
Vol gas stoof Johnny van Doorn de hoofdstad binnen, als een voorteken van de wervelende, chaotische en dolle jaren die zouden volgen. Hij maakte kennis met Bart Hughes, die bekend werd als de man die een gaatje in zijn hoofd boorde om voortdurend high te zijn. Er waren er meer neergestreken bij deze medicijnman op Lange Leidsedwarsstraat 158. Ook anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld, nog zo'n jongen die de werkelijkheid omtoverde tot theater. Hij doopte het pand tot Hospital Little Lexington.

The Selfkicker
Het jonge talent uit de provincie was in de turbulentie van een nieuwe tijd terechtgekomen. De waanzinnige wereld die hem omringde, verhief hem tot een van de smaakmakers van Grootvelds 'magisch centrum'. Tijdens hun optredens vulden Robbie en Johnny elkaar aan, zowel in uitmonstering als in hun schreeuwerige performances. De anti-rookmagiër bedacht een treffende naam voor de 'Electric Jesus' uit Arnhem: The Selfkicker. "Jij hebt helemaal geen marihuana meer nodig", zei hij. "Jij kickt al van jezelf, je bent een selfkicker."
Drank, drugs, seks, muziek, psychedelische projecties, performances. Een hallucinante wereld. Johnny The Selfkicker verwoordde zijn indrukken en ervaringen in gedichten die hij tijdens de happenings voordroeg, woord voor woord scandeerde en articuleerde en onderstreepte met wilde, driftige gebaren. In zijn even impulsieve als associatieve Post-Sexuele ZondagsPoëzie rekende hij af met de brave jaren vijftig. Met "de zwarte jaren van de sex" en "de hel van de petticoats", zoals hij zijn tienertijd typeerde. Met de tijd dat alles taboe was en dus onbespreekbaar. Shockeren was een doel op zich. Waar de actie was daar was The Selfkicker. In de volks- en hoerenbuurten van de Zeedijk met de jazzcafés, net als op de Nieuwendijk café de Cycloop. De naam van de happening Stoned in the Streets in Willams Place op de Zeedijk gaf de sfeer uitstekend weer.
De K-tempel van Grootveld bevond zich in een vervallen garage in de Korte Leidsedwarsstraat, eigendom van de excentrieke restauranthouder Nicolaas Kroese. In de donkere, benauwde ruimte van de 'Kankerkerk' hield Grootveld met beschilderd gezicht anti-rookdiensten. Daar klonk zijn Ugge-ugge-song als hij voorging in zang en gebed. "Vervolgens (...) trad de Arnhemse dichter Johnny The Selfkicker naar voren met zijn verbaasde, angelieke gezicht, en barstte los in éen van zijn postsexuele electric jesus taalpandemonia dat iedereen horen en zien verging van geluid en woorden, waarop Grootveld, na een kort dankwoord, voorging in de Publicity-song, waarvan de tekst werd uitgemaakt door het onafgebroken herhaalde woord 'publicity'", verhaalde Harry Mulisch in Bericht aan de rattenkoning (1966).

Razend verliefd
Voor een bezoek aan zijn ouders of een optreden reisde Johnny nog wel eens terug naar Arnhem. Maart 1965 ontmoette hij Yvonne Mousset in De Kameleon, het voormalige kaaspakhuis achter de Korenmarkt dat dienst deed als jazz- en rocktempel. Op 1 april gingen ze samenwonen op Johnny's anti-kraaketage in de Kleine Wittenburgerstraat (nummer 38). "We waren razend verliefd op elkaar", schreef hij later in De geest moet waaien (1977). "Ik betrok met haar een afbraakhuis in Amsterdam op de Oostelijke Eilanden. Het buurtje waar onze liefde bloeide zag er uit of het gebombardeerd was geweest; middeleeuwse creaturen slopen langs de bouwvallen. Bij mooi weer hingen de wijven uit de ramen. Hun kijfstemmen schalden door de straat. Een vuilniswagen pufte onder wee gezoem de hoek om. Het gerammel der bakken werd heviger en ebde weg. Achter ons huis loeide een fabriekssirene. Roezig van het liefde maken, zei Yvonne: 'Het lijkt wel Tibetaanse muziek...'"
Op de houten vloer van de etage stond een bed. Een hutkoffer deed dienst als tafel. "Maar er was gas en licht" (Mijn kleine hersentjes, 1972). "Er was zelfs een piepklein keukentje en een grappig dinky-toy toilet met harmonicadeuren. Een schamel krot." Het is nauwelijks voor te stellen hoe arm en berooid zij waren. Naast enkele toegestopte bankbiljetten na een optreden ergens in Nederland, leefden ze van het geld en de gunsten van anderen. Bietsen was een tweede natuur geworden. Iedereen 'leende' Johnny een tientje. Of een geeltje.
Het nieuwe jaar begon met knallend vuurwerk. Hij stuurde zijn ouders een brief waarin hij hen een gelukkig en voorspoedig 1966 wenste: "Na klokslag 12 hebben we even het vuurwerk in de Binnen Bantammerstraat bekeken. Die Chinezen daar hebben er een geweldig festijn van gemaakt. Dat zie je niet in Arnhem."

Poëzie in Carré
Twee maanden later, het is 28 februari, zorgde The Selfkicker zélf voor vuurwerk op de legendarische poëzieavond in Carré georganiseerd door Simon Vinkenoog en Olivier Boelen.* "CENTRA PATS BOEM / ZICHTBARE KNAL / WIT HELT 'T LICHT / BOLLE WIT BOLLE WIT BOLLE WIT DE AARDE WIT ZWART / DE WEG GELIG LICHT / KIJK DAAR 'N MAN MET EEN SIGAAR RETTEKETET PAAAAARS! / SSSSSSJOEOEOE ZZZJOEOEOE! OOOOOOOOH..."
De krantenrecensies die in het boek Poëzie in Carré zijn opgenomen overtreffen in aantal ruimschoots de commentaren over de andere dichters. Wim Zaal was het in Elsevier niet eens met de boeroepers en uitjouwers, want hij kreeg van Johnny een "reuzekick", omdat hij zo goed provoceerde. NRC Handelsblad vond hem "meer een vreemde stuntmaker dan een dichter", de enige die "totaal afging". Het katholiek dagblad De Tijd meende dat de dichter "de meest obscene dingen als rotte appels" in de zaal slingerde, "waarbij hij zowaar de gewenste hallucinerende, happeningtoestand al brullend, scheldend en schokschouderend wist op te roepen". Hij was "alleen maar show", schreef Het Vaderland, iemand "die zich krankzinnig gilt" en viel "als een baksteen". De verslaggever: "Johnny's loeien verzonk in het gegil en gefluit van de zaal die iets wilde terugdoen. Toen de Selfkicker uitgekickt was blies hij met een minachtend gebaar woedend naar het publiek, en liep als een dikke overgrote pruilende baby een beetje zweverig van de emotie weg."
Maar de toon was gezet. Johnny The Selfkicker had naam gemaakt. Publicity! Nog vóór de Boekenweek eind maart verscheen zijn eerste dichtbundel De nieuwe mongool, gevolgd in 1968 door De heilige huichelaar. Zijn zakagenda stond vol uitnodigingen voor "literaaare" avonden in heel het land. Iedereen wilde die Selfkicker zelf wel eens horen en zien.

Magistrale Stralende Zon
Voorjaar 1967 verhuisde het echtpaar Van Doorn naar Rozenstraat 75. Op het naambordje schreef Johnny achter zijn naam "J. the S". Op 28 december traden Johan van Doorn en Yvonne Irene Mousset in Amsterdam in het huwelijk. Johnny schreef het befaamde gedicht waarvan half Nederland tijdens poëzieavonden destijds de slotregels in extatische herhaling mee declameerde: een Ma-gi-straaa-le Straaa-lende-Zzzonnn. En op 22 oktober 1969 werd Johnny vader. Dezelfde dag verhuisde hij met Yvonne en zoon Sindbad naar een nieuwe flat in Amsterdam-Noord.
Het Laagt 145 is het adres waar hij tot het eind van zijn leven bleef wonen. Vandaar ondernam hij zijn dagelijkse expeditie naar café Scheltema op de Nieuwezijds Voorburgwal. Café van journalisten, schrijvers en kunstenaars. Hij zag er zijn vrienden van de Haagse Post, het pand was om de hoek. Hans Sleutelaar, Willem 'Boebi' Brugsma, Betty van Garrel, Hans Verhagen, Cherry Duyns (een heel enkele keer), Rijk de Gooyer, Eelke de Jong en 'eeuwige bengel' Wim T. Schippers.
In de Nes dronk hij in Theatercafé Frascati een "Frascati-bier". Dan haalde hij uit het koffertje dat hij op de omslag van Gevecht tegen het zuur (1984) in zijn hand houdt (of een gewone plastic tas) een van zijn boeken en hield het luid orerend omhoog. Ook het café was zijn podium. De mensen kenden hem van zijn televisieoptredens in talkshows, van rollen als De Bediende, De Praalhans en Het Meisje in Herenleed (naast Cherry Duyns en Armando), van de verhalen en gesprekken met Wim Noordhoek op de VPRO-radio.

Chroniqueur
Johnny van Doorn ontpopte zich steeds meer als schrijver van jeugdherinneringen en ervaringen in Amsterdam. Het vuurwerk doofde. Hij werd veeleer een chroniqueur van mooie momenten. "De nieuwe Nescio" noemde Adriaan Morriën hem. Vanaf 1988 ging hij als verteller het theater in met zijn eigen programma Door de weken heen.
Er was iets. Matthijs van Nieuwkerk moest zijn pas inhouden toen hij met Johnny door Amsterdam liep op weg naar de Beurs van Berlage voor een interview voor Het Parool (20 oktober 1990). Johnny hinkte, zei dat hij last had van een oude knieblessure. Waarschijnlijk "een onherstelbare slijtage aan het kráááákbeen". Het gesprek ging over De lieve vrede (1990): "Mijn persoonlijke, intieme geschiedenis... Romantiek, soberheid, melancholie, soms op de grens van het sentimentele. Met hier en daar verfijnde ironie."
Ineens was er ook iets met zijn stem. Zijn handelsmerk. Na de laatste theateropnamen in de Kleine Komedie voor de televisieregistratie van Groot Herenleed – op 30 december 1990 door de VPRO uitgezonden – strompelde Johnny ziek de woonkamer in. Opname in het BovenIJ Ziekenhuis volgde. Daar overleed hij op 26 januari 1991 aan alvleesklierkanker. "De tong sterft", dichtte hij bijna 28 jaar eerder in De terreur van de tongval, zijn debuut in het tijdschrift Podium. "Geeft u over!"
Maar zijn stem is er nog. Vitaal en loud and clear in zijn verhalen en gedichten, in tv- en filmopnamen en op cd. En jaarlijks waait Johnny's geest op poëziefestivals. Onder andere in Ruigoord en op het Wintertuinfestival in Nijmegen.


NICO KEUNING SCHREEF DE BIOGRAFIE OORLOG EN PAP, HET BEZETEN LEVEN VAN JOHNNY VAN DOORN (MET CD), DE BEZIGE BIJ, AMSTERDAM 2009.