Nummer 1: Januari 2016

 De baard is terug: 500 jaar kaakbeharing in Amsterdam

Baard-1-schuttersstuk

De baard is terug van weggeweest in Amsterdam. Sommige trendwatchers menen dat de echte hype z'n langste tijd heeft gehad, maar blijven zal de baard nu toch zeker. Meer dan de laatste decennia in ieder geval. Vraag: hoe gingen de (mannelijke) Amsterdammers in de loop der eeuwen eigenlijk om met hun gezichtsbeharing?

De eerste Amsterdammers, hoe zagen die eruit? Waren de mannen zo rond 1300 baarddragers? Er valt geen zinnig woord over te zeggen. De vroegste portretten die we kennen dateren van twee eeuwen later, toen de Middeleeuwen alweer voorbij waren. De machtige koopman en geleerde Pompejus Occo, in 1515 geportretteerd door Dirk Jacobsz, was baardloos en dat gold ook voor de zeventien dinerende schutters die Cornelis Anthoniszn in 1533 schilderde. Maar Occo's schoonzoon Joost Sybrandsz Buyck (tussen 1549 en 1577 liefst zeventien keer gekozen tot een van de vier jaarlijks vervangen burgemeesters) droeg een stevige volle baard. Net als de rond 1550 door ketters gevreesde schout Willem Baerdesen (sic!) en op één na alle in 1566 geschilderde schutters van het Kloveniersgilde. Tussen 1540 en 1550 lijkt de baard Amsterdam veroverd te hebben.
Het afscheren of bijwerken van al die baarden was het werk van baardsnijders oftewel barbiers; alleen minvermogenden en onverschilligen deden dat zelf. Aanvankelijk was het een bijverdienste van chirurgijns (georganiseerd in een gilde), die ook op andere manieren andermans lijf met gereedschap bewerkten: blaas- en nierstenen verwijderen, kiezen trekken, aderlaten en zo meer. Rond 1550 werd scheren een vak apart. Barbiers bleven behoren tot het chirurgijngilde, maar in een bijzondere onderafdeling. De eigenlijke chirurgijns schoren niet meer en de barbiers onthielden zich van medische handelingen.
De barbiers leefden zich uit op experimentele baardvormen. Wie krijgshaftig wilde overkomen nam een 'stilettobaard' (zo een als de gevreesde Spaanse hertog van Alva droeg) of een gespleten 'vorkbaard'. Razend populair was het geciviliseerde korte puntbaardje, dat veel minder dan de lange modellen verstrikt raakte in de populaire witte molensteenkragen. Trendy was de combinatie van een puntbaard met een opkrullende snor. We zien die stijl bijvoorbeeld bij dichter/geschiedschrijver Pieter Corneliszn Hooft, koopman/dichter Laurens Spiegel en dichter, predikant en hoogleraar Caspar van Baerle alias Barlaeus, maar ook bij de schutters op Rembrandts Nachtwacht. Subtieler nog was snor plus 'mouche': het subtiele plukje haar net onder de onderlip, gedragen door dichter Joost van den Vondel, zeeheld Michiel de Ruyter en de door Rembrandt geschilderde jonge regent Jan Six. Sommigen, onder wie Barlaeus' collega-hoogleraar Gerardus Vossius, hechtten sterk aan de lange volle baard, net als de grijsaards in de regentencolleges. Natuurlijk zijn bijna uitsluitend vooraanstaande burgers geschilderd, maar op gevelstenen worden in de 17de-eeuw ook een timmerman, metselaar of korendrager steevast met (volle) baard afgebeeld.

Waarom scheren?
Scheren werd in de loop van de Gouden Eeuw een stuk gemakkelijker door de komst van het inklapbare, open scheermes met stalen blad, te slijpen met een strijkriem. Dat zal hebben bijgedragen tot een nieuwe, frivole mode bij vooral jongeren uit de elite die zich tegen hun strenge ouders afzetten. Zij gingen vanaf ongeveer 1630 kleurige kleding dragen in plaats van sober zwart, schoren hun kin glad en lieten het haar groeien tot op de schouders. Woedend noemde een aantal rechtzinnige dominees met Bijbelse argumenten deze haardracht verwijfd en onzedig. Dat was tegen het zere been van vrijzinnige predikanten die zelf de nieuwe haarmode volgden. De tweestrijd leidde tussen 1640 en 1648 tot een pamflettenstrijd: de 'Harige Oorlog'. De mode won, uiteindelijk gaven de scherpslijpers het op.
Tegen het eind van de eeuw verving de elite de eigen weelderige lokken door een lange golvende pruik. Trendsetter was de Franse 'Zonnekoning' Lodewijk XIV, die wilde maskeren dat hij al jong kaal werd. Hij was weliswaar een vijand van de Nederlanders (de Fransen vielen Nederland binnen in het 'Rampjaar' 1672), maar door zijn grandeur toch een stijlvoorbeeld voor de hogere standen.
Rond 1850 sloeg de mode weer plotseling om, allereerst in Engeland: tussen 1840 en 1860 steeg de bebaardheid aldaar van 10% naar 60%. Men sprak van The Beard Movement. In een door romancier Charles Dickens uitgegeven familieblad verscheen zelfs het manifest Why Shave? Een van de argumenten was dat baarden bescherming zouden bieden tegen vieze lucht. Dickens zelf droeg een stevige sik en de spraakmakende ontdekkingsreiziger en natuurwetenschapper Charles Darwin, bijvoorbeeld, een witte lange baard.
De rage sloeg snel over van Londen naar Amsterdam, waar allereerst de bakkebaarden groeiden. We zien het aan de portretten van de opeenvolgende Amsterdamse burgemeesters. Cornelis Fock (in functie van 1868 tot 1868) heeft ze al, bij Cornelis den Tex (1868-1880) zijn ze samengegroeid met een snorloze baard, Gijs van Tienhoven torst een volle baard. Allard Pierson (van 1877 tot 1895 de eerste Amsterdamse hoogleraar in de kunstgeschiedenis) droeg forse bakkebaarden verbonden door zijn snor. Ook bierbrouwer Gerard Adriaan Heineken had bakkebaarden en een snor. De drager van de allermonumentaalste bakkebaarden van eind 19de eeuw was zonder meer de filantroop en koloniaal ondernemer P.W. Janssen.

Krulknevels
King Camp Gillette introduceerde in 1901 het scheertuig met wegwerpmesjes. Eerst alleen nog in Amerika, maar al snel veroverde de Gillette Safety Razor de wereld en acht jaar later ook Amsterdam. Scheren was nu een stuk veiliger en goedkoper. De baard ging eraf, maar de snor bleef tot vlak na de Eerste Wereldoorlog zeer populair. In allerlei vormen: vakbondsmannen, zoals de vermaarde diamantbewerkervoorman Henri Polak, hadden (getuige congresfoto's) massaal een bescheiden strakke snor. Maar circusdirecteuren, legerofficieren en politiecommissarissen waren dol op lange met veel pommade opgekrulde knevels. Mooi voorbeeld is hoofdcommissaris Hubertus Hordijk alias Stalen Bart.
Na enige tijd verdween ook de snor en was gladgeschoren de nieuwe norm in Amsterdam. Maar niet voor iedereen. Architect Piet Kramer (Amsterdamse School, vooral bekend van de bruggen) trotseerde de mode en koos juist voor een lange volle artistieke baard. En er waren er meer zoals hij. Enkele (vaak kunstzinnige) non-conformisten gingen ook tegen de trend in, onder wie de architecten H.P. Berlage (puntbaard) en Piet Kramer (lange baard), schrijver en schoolmeester Theo Thijssen (walrussnor) en niet te vergeten de woestbaardige zwerver Cornelis de Gelder alias Hadjememaar.
Kort voor de Tweede Wereldoorlog berichtten Nederlandse kranten dat in Amerika de baard weer oprukte, een nieuwe mode die wel snel zou overslaan. Maar tijdens de oorlog was daar weinig van te merken en daarna bleven de gladgeschoren Amerikaanse filmsterren het voorbeeld. Als in Amsterdam iemand een snor of baard droeg, dan moest hij wel een kunstenaar zijn. Zo een was experimenteel schilder (en kapperszoon) Karel Appel, bekend om zijn imposante donkere snor.

Baardverbod
Eind jaren vijftig en begin jaren zestig provoceerden de pioniers van de rock-'n-roll en de popmuziek de oudere generatie met hun haardracht, denk aan Elvis Presley met zijn bakkebaarden en de Beatles met hun lange haren. Enkele voorlieden van de in 1965 begonnen provobeweging, met name Roel van Duijn en Hans Tuynman, droegen bovendien een baard als protest tegen de gevestigde orde. Tegen het eind van de jaren zestig werd de baard gecombineerd met steeds langer haar, wat problemen gaf op scholen en in kazernes. Zo schreef de Amsterdams scholier A. de Kater in 1961 in dagblad Het Vrije Volk dat het dragen van een baard bij hem op school verboden is.
Nadat de generatiestrijd gestreden was, verdween de lange haardracht en verminderde het aantal baarden. Eind jaren zeventig raakten glad geschoren en korte tot middellange kapsels weer in. Alleen de punkers waren provocerend in hun haardracht met hanenkammen en kale koppen. De decennia erna bleven baarden schaars en hield slechts een enkeling een snor. Denk aan de in 1978 bij De Telegraaf begonnen (misdaad)verslaggever Peter R. de Vries. Ook Ajax-voetballer Frank Rijkaard was de trotse drager van zo'n typische jaren tachtig snor, een soort vette vinger op de bovenlip. Rond de millenniumovergang verdween gezichtsbeharing compleet. De metroseksuele man kwam uit zijn schulp, een behaarde kin of een snor onder de neus was voor de onsuccesvolle medemens.
Sinds 2010 is de baard weer terug. Met name de houthakkersbaard en de hipsterbaard zijn populair. Tv-presentator Arie Boomsma draagt bijvoorbeeld de houthakkersbaard en rapper/acteur Olivier Locadia, beter bekend als Willy Wartaal, heeft een volle baard. Baard en snor moeten net zoals vroeger goed worden verzorgd en het aantal kapperszaken exclusief voor mannen groeit dan ook met de baarden mee. Amsterdam is begin 2015 de enige grote stad in Nederland met meer mannelijke dan vrouwelijke kappers: 51%. Mannen laten hun gezichtsbeharing weer massaal verzorgen door een specialist – net zoals vóór de komst van het Gilette's scheermes. De barbier maakt zijn comeback.


DAAN SCHINKEL STUDEERT NIEUWS EN MEDIA AAN DE HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM.


MET DANK AAN NINKE BLOEMBERG, CONSERVATOR MODE VAN HET CENTRAAL MUSEUM UTRECHT. DAAR IS VAN 20 FEBRUARI TOT EN MET 29 MEI DE TENTOONSTELLING HAAR! OVER MENSELIJK HAAR IN MODE EN KUNST.