Nummer 1: Januari 2016

Kinderen-1-prent-met-kerk

Bezeten wezen teisteren de stad

Het moet een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest: dolle jongens en meisjes die in januari 1566 'beseten met boose geesten' door de straten van Amsterdam liepen. Ze klauterden als katten tegen muren en daken op. Lieten zich schreeuwend en schuimbekkend op de grond vallen. Braakten glas en naalden uit. Zagen visioenen. Een verklaring voor de 'weeshuisziekte' is niet makkelijk te geven. Maar zowel katholieken als gereformeerden probeerden er politiek een slaatje uit te slaan.

"Terstond beginnen zij, op de wijze van uitzinnigen, onder groot rumoer te tieren; van binnen zijn ze gezwollen van scherpe gal; de mond is nat van schuim, de ogen puilen uit; de leden liggen neergeploft op de grond; een donker bloed druipt zowel van hoofd als van andere lichaamsdelen." Beeldend beschrijft rector Antonius Duetus van de Latijnse school de toestand van de wezen in de winter van 1566, nu 450 jaar geleden. Hij woont niet ver van het Burgerweeshuis, dat sinds 1520 is gevestigd in de Kalverstraat, tegenover het huidige Amsterdam Museum. De weeshuisziekte maakt grote indruk op het schoolhoofd en zijn stadgenoten.
Ook het goedkatholieke stadsbestuur reageert geschrokken op de demonisch rebellerende kinderen. Meteen na het uitbreken van de weeshuisziekte op 14 januari 1566 wordt het Burgerweeshuis verboden terrein voor onbevoegden. De magistraat gaat hiertoe over om te voorkomen dat drommen nieuwsgierigen het weeshuis binnenlopen om de krankzinnig geworden 'kinderkens' te bekijken. De weesvaders en -moeders zitten met de handen in het haar. Ze willen dat er een preek en collecte zal worden gehouden in de kapel van de Heilige Stede, de locatie waar in 1345 het Mirakel van Amsterdam – met de uitgebraakte hostie in het haardvuur – heeft plaatsgevonden. Het weeshuis is noodlijdend en net als in de rest van de stad heerst er voedselschaarste. Maar de vroedschap wijst de inzamelingsactie van de hand, uit vrees voor meer onrust door een grote samenkomst van mensen in de kapel.

Helderziende
De stadsbestuurders bedenken een andere oplossing: ze verplaatsen de zieke wezen voor verdere verpleging naar het Paulusbroedersklooster, aan de overkant van de Amstel tussen Oudezijds Achterburgwal en Kloveniersburgwal. Nu breekt dáár de pleuris uit: de wezen breken de deuren van het convent open, gooien de ramen in en klimmen over de schuttingen, waarna ze in groepjes door de stad zwerven en beroering en opstootjes teweegbrengen. Mikpunt van hun baldadigheden is de kersverse schout Pieter Pietersz, later een gevreesde ketterjager. De wezen maken veel rumoer voor zijn huis. De boomlange schout probeert hen te paaien door appels en koek uit te delen, maar behalve de bijnaam 'Lange Deventer Koek' levert dat hem weinig op.
De aanhoudende weeshuisziekte raakt verbonden met de strijd van de gereformeerden tegen het verbod op uitoefening van hun godsdienst. Op 5 april 1566 vraagt een groep edelen de landvoogdes in Brussel om het opschorten van de ketterijplakkaten en het staken van de vervolgingen. Na een voorzichtige toezegging aan dit 'Edelenverbond' zien de hervormingsgezinden hun kans schoon: in de Zuidelijke Nederlanden organiseren zij de eerste openbare preken in de buitenlucht. De landsoverheid reageert meedogenloos met plakkaten waarin ketters met de doodstraf of verbanning bedreigd worden. De messen zijn geslepen.
De Amsterdamse regent Jan Claesz Samson – van beroep verver in de Drie Koningen in de Kalverstraat – moet op een geheime missie naar Den Haag om te overleggen over maatregelen tegen de steeds brutaler optredende hervormingsgezinden. Zijn moeder, Trijn Gerrits, is een van de weesmoeders. Ze schrikt zich een hoedje als een dolgedraaid weeskind ineens tegen haar zegt: "Uw soon Jan Klaes sal naer den Hage reisen, en daer niet goedts aenrechten, want dus is 't in den raedt beslooten." Wat in de vroedschap besloten wordt, is staatsgeheim! Zo'n kind kan onmogelijk aan dergelijke informatie komen. Hoe...? Trijn Gerrits rent met het weesje naar het stadhuis, waar zojuist haar zoon de trap afloopt. Hij bevestigt het plan om naar Den Haag te reizen. Geschrokken van dit staaltje helderziendheid besluiten de burgemeesters de reis af te gelasten.

Hekserij
Het is inmiddels juni als ook volwassen Amsterdammers zich bij de losgeslagen wezen aansluiten. Fye Jansdr alias Fye Lieveheer is een van hen en zij moet zich voor de schout verantwoorden. Ze zou de kinderen hebben gelokt met geld en rozijnen en ook hebben bedreigd. De vrouw ontkent alles. Wel geeft ze toe dat ze nieuwsgierig is geweest naar het van de gekte genezen weeskind Lambertgen. De jongen verblijft op het Begijnhof, waar zij hem "goede goddelijke vermaningen" heeft gegeven. Andere beschuldigingen tegen Fye Jansdr betreffen toverij. Zo zou een vogeltje bij haar binnenkomst terstond zijn overleden. Ook heeft ze op een wat onorthodoxe manier haar man van de drank af geholpen: ze voerde hem brood dat zij eerst door de mond van een dood jongetje haalde. Andere Amsterdammers zouden door haar toedoen ziek zijn geworden of zelfs zijn overleden. Een jongeman die vleselijke omgang met haar dochter had, verwenste zij, waarna hij blind werd. Fye Lieveheer wordt vastgehouden in het klooster der Elfduizend Maagden – het Sint Ursulaklooster. Zelfs na twee smerige martelsessies bekent ze niets.
Volgens de wezen is het ook niet Fye Lieveheer maar een andere vrouw die hen heeft betoverd. Ze gooien de ruiten in en maken amok bij Jacoba Jacobsdr Bam, in de wandeling Jaapje Bammen genoemd. Zij woont dichtbij het weeshuis in de Kalverstraat, stamt uit een vooraanstaande katholieke familie en is verwant aan de stadsbestuurders: haar broer Cornelis en haar zwager zijn zelfs burgemeesters. Mogelijk staat zij in een kwade reuk, omdat haar moeder eerder – in 1547 – van toverij is beschuldigd, doch vrijgepleit. Om haar naam te zuiveren laat Jaapje zich in juni vrijwillig 'ter purge stellen': twee weken lang kunnen burgers grieven en klachten tegen haar indienen. Niemand meldt zich en uiteindelijk wordt zij onschuldig verklaard, net als haar moeder indertijd.

Strijd met de duivel
Nu de beschuldigingen van hekserij zijn mislukt, zoeken de burgemeesters naar een medische verklaring voor de weeshuisziekte. Een dokter uit Delft moet de weeskinderen genezen van hun 'miserable sieckten', maar het is onbekend of hij ooit naar Amsterdam gekomen is. In augustus is de ergste opschudding rond de wezen voorbij. In de nasleep hebben de katholieke Amsterdammers en hun gereformeerde tegenstrevers zo hun eigen visie op de betekenis van de weeshuisziekte. Rector Duetus meent als vertegenwoordiger van het katholieke kamp in zijn hierboven aangehaalde schoolzang dat de toorn van God is losgebarsten over de stad als gevolg van de hervormde ketterijen. Hij draagt zijn gedicht op aan de machtige burgemeester Sybrant Occo, een zwager van de van hekserij beschuldigde Jaapje Bammen. Occo is er alles aan gelegen om zijn schoonzusje van alle blaam te zuiveren en een andere vrouw de toverij in de schoenen te schuiven. Occo en Bam zijn ook weer verwant aan de veelgeplaagde schout.
Uit hervormingsgezinde kring kennen we de mening van Laurens Jacobsz Reael. Deze korenkoopman woont aan het Damrak en is als een van de grootste voorstanders van de reformatie betrokken bij de troebelen in 1566. In zijn gedenkschriften is hij terughoudend over hekserij en plaatst hij de weeshuisziekte in de strijd van de hervormingsgezinden tegen de schout en de stadsregering. God liet via de kinderen de ketterjager Pieter Pietersz en het stadsbestuur met de duivel strijden om hen zo een lesje te leren. Het opperwezen staat volgens Reael dus aan de kant van de hervormingsgezinden.

Hennepkoeken
Historici wisten zich later geen raad met de Amsterdamse weeshuisziekte. Sommigen dikten het verhaal nog wat aan, zoals de 17de-eeuwse stadshistoricus Olfert Dapper. Hij liet de weeskinderen niet alleen op daken klimmen maar ook in de toren van de Oude Kerk. Daar sloegen ze met hun vuisten op de speelklokken en zongen ze een spotliedje op de 'heks' Jaapje Bammen: "Wy zullen hier niet van daen gaen / of Bametje zal in 't vuure staen." Tot de 18de eeuw werden de oorzaken van de weeshuisziekte vooral gezocht in het bovennatuurlijke. Jan Wagenaar komt als eerste met een politieke verklaring: de gereformeerden zouden de kinderen ertoe hebben aangezet. De oorzaak van hun gedrag was volgens hem niet bezetenheid, maar een bedwelming van de hersenen of regelrechte aanstellerij.
Schoolmeester en historicus Jan ter Gouw had in de 19de-eeuw een nuchtere kijk op de weeshuisziekte. "Ik heb geen lust de dwaasheden na te schrijven die door onze historieschrijvers daarvan zijn te boek gesteld", meende hij. Aan de hand van de stadsrekeningen constateerde hij dat de weeshuisziekte de stad veel geld kostte. Midden 20ste eeuw kwam Arie Querido (1901-1983) met een hoogst originele verklaring voor de weeshuisziekte. Volgens deze sociaal-geneeskundige zou de acute oorzaak kunnen liggen in de voeding van minderwaardig roggemeel, een gevolg van de schaarste in het 'hongerjaar' 1566. Door vitaminegebrek waren de kinderen overgevoelig voor giftige stoffen in dit meel, die ergotisme – de 'kriebelziekte' – kunnen veroorzaken.* Ook zou de rogge verontreinigd kunnen zijn geweest met cannabis indica, beter bekend als hennep.
Op grond van het kasboek van het Burgerweeshuis bevestigde Lydia Hagoort in 1994 dat het voedsel van de wezen gedurende de eerste maanden 1566 vrijwel uitsluitend uit hennepkoeken heeft bestaan. Ook concludeert zij dat niet alleen de gereformeerden maar ook de katholieken de dolgedraaide wezen gebruikt hebben in hun politieke machtsspel: beide partijen beschuldigden elkaar van een pact met de duivel. Hun sluimerende conflict kwam aan het eind van de zomer tot een gewelddadige climax: met de Beeldenstorm en de daaropvolgende troebelen verdween de aandacht voor de wezen naar de achtergrond.
MAARTEN HELL IS HISTORICUS.

* ERGOTISME IS EEN (ARMELUIS)ZIEKTE DIE WORDT VEROORZAAKT DOOR MET MOEDERKOORN (EEN SCHIMMEL) BESMET GRAAN EN KAN GEPAARD GAAN MET HALLUCINATIES.