Winter-special: november-december 2010

 

Rumoerig het nieuwe jaar in

Oud & Nieuw in Amsterdam

Tekst: Charlotte Goede

413-inhoud_6Hoe vierde men door de eeuwen heen Oud en Nieuw in Amsterdam? Behalve ‘de beste wensen’ speelden licht, vuur, lawaai, baksels en drank vanouds een grote rol. Toch is er in de gebruiken meer veranderd dan menigeen beseft. Het nieuwjaarsvuurwerk bijvoorbeeld is een nog tamelijk jonge traditie.

 Dat we op 1 januari het nieuwe jaar inwijden, is niet vanzelfsprekend. De oude Romeinen deden dat weliswaar al, maar na de val van hun rijk werden her en der ook andere data gangbaar, zoals 25 december (Kerstmis), 6 januari (Driekoningen) en met Pasen.

In 1575 hakte de Spaanse landvoogd over de Nederlanden Luis de Zúñiga y Requesens de knoop door en bepaalde dat de Romeinse traditie weer overal zou gaan gelden. Mogelijk sloot de datum ook goed aan op oude tradities die deze veroveraars in onze gebieden aantroffen en een lang leven hadden. De weken waarin ‘de nachten weer gingen lengen’ waren altijd al een feestelijke tijd, vol vruchtbaarheidsrituelen en kabaal om boze geesten te verjagen. Maar daarover is bar weinig zeker. De eerste berichten erover, vooral van missionarissen die hier het christendom kwamen brengen, zijn vaag en vaak tendentieus. En in de  reconstructies van 19de-eeuwse volkskundigen werden nog bestaande ruige plattelandspraktijken zonder enig bewijs, maar met veel romantische fantasie, betiteld als voortzetting van oeroude Germaanse rituelen. Want onze ‘nationale’ cultuur kon niet oud en eerbiedwaardig genoeg zijn.

Eén ding is zeker: Oud en Nieuw zonder lawaai is ondenkbaar en dat is al eeuwen zo. Net als nu nóg hier en daar in het oosten des lands, zullen daarvoor ook in de stad misthoorns en pannendeksels zijn gebruikt. Maar na de komst van het buskruit naar Europa werd vooral het lossen van vreugdeschoten razend populair. Tot zeker halverwege de 19de eeuw was het heel gewoon om klokslag twaalf wild in het rond te schieten. Schiettuig was er genoeg, want vóór 1896 bestond er nauwelijks wapenwetgeving. Stadshistoricus Jan ter Gouw (1814-1894) schrijft erover in De Volksvermaken (1871): “Maar te Amsterdam was ’t een leven of de wereld verging. Langs de straten trokken heele troepen jongelingen rond, om te schieten: schot op schot knalde uit koffij- en wijnhuizen, en de burgers schoten uit hunne stoepen. De meeste Amsterdammers hielden er een klein kanonnetje op na, dat op een blok hout bevestigd was, en ’t heele jaar op den zolder lag, maar in den oudejaarsmorgen afgehaald en schoongemaakt werd.”

 

Loeiende sirenes

Het schieten liep regelmatig uit de hand en werd meermalen verboden. Maar omdat het zo’n oude gewoonte was, werd het oogluikend toegestaan. Totdat het schieten in de nacht van 1760 op 1761 zo uit de hand liep dat het nu toch echt ten strengste verboden werd. Alweer zonder handhaving, constateert Ter Gouw: “Nog in mijne jeugd dreunde de Kalverstraat op hare fondamenten als ‘’t oude in ’t nieuwe’ geschoten werd, en ieder huismoeder zorgde schrikpoeders in huis te hebben.”

Vanaf het eind van de 19de eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog werd in Amsterdam het kabaal maken aan professionals overgelaten. Om middernacht luidden de kerkklokken, de stoomboten op het IJ lieten hun sirenes huilen en de locomotieven met hun stoomfluiten deden gezellig mee. Na middernacht gingen maar weinig Amsterdammers de straat op. De openbare orde kwam zelden in gevaar, hooguit door wat dronkemansgeknok.

Na de oorlog veranderde dat. Pas toen ging vuurwerk in Amsterdam deel uitmaken van de nieuwjaarsfolklore. Ja, ook voor de oorlog staken stoere jongens rotjes en voetzoekers af, maar dan op Hartjesdag, het baldadige volksfeest in augustus, dat rond 1960 ‘uitstierf’ – om pas rond 2000 in nieuwe vorm te herleven. In de jaren zestig en zeventig kwam er naast die simpele knallers steeds meer siervuurwerk in omloop, mede dankzij Chinese immigranten. Door de groeiende welvaart werd het vuurwerk na 1970 ook steeds massaler ingeslagen. De knallers waren gewoon te koop bij V&D en in de jaren zeventig maakte feestartikelenwinkel Witbaard in de Ferdinand Bolstraat indruk met zijn uitgebreide collectie vuurpijlen.

In de nieuwjaarsnacht verplaatste het feest zich naar de straat. Tegelijk werd het steeds baldadiger. Toen de politie in de vroege uurtjes van 1959 een eind wilde maken aan een te hoog opgelaaid kerstbomenvuur in de Anjeliersstraat, braken de hel los. Terwijl brandweerlieden de blusslang uitrolden werden ze bekogeld met stenen en flessen. Toen een 17-jarige ‘belhamel’ hoofdagent L.J. Willemse met een stuk hout op het hoofd slaat was de maat vol en werd de straat leeg geveegd.

 

Oliebollen eten

In sommige buurten kreeg de jeugd er lol in de rijweg te versperren met uit de grond getrokken verkeersborden en brandstapels van kerstbomen en autobanden. In de jaren zestig was vooral de Zeilstraat berucht. “De Nieuwjaarsviering begint steeds meer op Hartjesdag en Luilak te lijken,” verzuchtte ‘Dagboekenier’ Henri Knap in januari 1965 in Het Parool. Later bouwde Floradorp in Noord met ferm verdedigde ‘vreugdevuren’ een roerige reputatie op.

Begin jaren tachtig werd de Nieuwmarkt een populaire plek om buiten Nieuwjaar te vieren. Buurtbewoner en socioloog Herman Vuijsje denkt dat de ontwikkeling vooral te danken is aan het feit dat de Nieuwmarkt in die tijd veranderde van troosteloze parkeerplaats in een studentenplein. Een echte verklaring voor een verschijnsel heeft hij niet. Toen het jaar 2000 naderde, bedacht de gemeente in navolging van Londen, Parijs en Berlijn een groot centraal feest op de Dam. Sinds 2002 werd dit een jaarlijks evenement, tot het (wegens overlast voor centrumbewoners) vorig jaar naar het Museumplein werd verplaatst.

Alle lawaaimakerij en andere heisa ten spijt, was de viering van het nieuwe jaar tot ver in de vorige eeuw een huiselijk gebeuren. Journalist Piet Bakker (1897-1960), geestelijk vader van Ciske de Rat, beschrijft in het boek Amsterdam zooals het leeft en werkt (1933) de Oudejaarsavond als: “de avond van vreugde en droefheid, van herinneringen van velerlei aard.”  De straten en trams, de cafés en restaurants waren leeg. Rijke families nuttigden rond elf uur ’s avonds thuis een souper. Veel andere gezinnen doen spelletjes en eten oliebollen.

Wanneer de eerste oliebollen werden gegeten, is niet zeker. Het eerste recept staat beschreven in De Verstandige Kock uit 1667. De oliebol was toen nog plat en heette ‘oliekoeck’. De oliekoeken werden ’s winters waarschijnlijk door de rijken uitgedeeld aan de armen die aan de deur kwamen bedelen. Ze werden bereid met ingrediënten die lang houdbaar bleven en voor de hongerige magen waren ze lekker vet. In de loop van de tijd werd er bij het bakken meer en meer olie en gist gebruikt, waardoor de oliekoeken steeds boller werden. Sinds wanneer oliebollen vast onderdeel werden de van oudejaarstraditie blijft onduidelijk; waarschijnlijk pas rond 1900.

 

De beste wensen

Met Nieuwjaar wenst van oudsher iedereen elkaar het beste – in de hoop zelf niet vergeten te worden.  Dat kan en kon op allerlei manieren. In de Middeleeuwen gingen de armen op Nieuwjaarsdag de deuren langs om met een speciaal lied wat voedsel bij elkaar te bedelen. Dat werd niet steeds op prijs gesteld; sommige zangers hadden de hebbelijkheid het huis binnen te dringen en de aanwezige lekkernijen soldaat te maken. In 1578 werd het nieuwjaarszingen om die reden verboden, maar daar trok niemand zich iets van aan. Jan ter Gouw schrijft dat het gebruik ook in zijn tijd – begin 19de eeuw – nog voorkwam. Omdat je met een droge keel niet kan zingen, werd er terloops bij gebedeld om drank. Sommige rijke families verstopten zich daarom in de achterkamen en doofden de lichten, alsof ze niet thuis waren.

Later gingen ook bepaalde beroepsgroepen met een nieuwjaarswens de huizen langs in de hoop op een fooi, zoals nu nog steeds de krantenbezorgers doen. Tot een eeuw geleden moest je wat meer hebben klaarliggen dan nu, want je kon bezoek verwachten van lantaarnopstekers, de nachtwacht, straatvegers, porders, asophalers en torenwachters. Zij zongen nog maar zelden, maar bezorgden wel fraai gedrukte prenten met berijmde wensen. De verzen werden in opdracht gemaakt door gelegenheidsdichters, vaak onderbetaalde schoolmeesters.

In 1950 schreef Jaap Kruizinga in Ons Amsterdam dat de oudste nieuwjaarsprent in het Gemeentearchief dateerde uit 1698. Die werd door de ‘Porders en de Ratelaars’ aangeboden aan de bewoners van ‘Amstelredamme’. Maar intussen blijkt het Stadsarchief een nog oudere te bezitten: die van de Amsterdamse ratelwachters uit 1669!

 

Briefkaarten verzenden

De dienstmeisjes mochten veelal de fooien uitreiken, want op Nieuwjaarsdag waren meneer en mevrouw zelf druk met visiterijden. Per (al dan niet gehuurde) koets maakten ze een ronde over de grachten om hun beste wensen over te brengen aan familie en kennissen. Wel vroegen eind 19de eeuw B&W meermalen per advertentie om daarmee pas na twaalven te beginnen, ten einde het kerkbezoek niet te hinderen. Als de mensen van het bezochte adres zelf aan het rijden waren, werd (vaak opgelucht) een kaartje afgegeven. Op de eerste nieuwjaarsprentjes stonden vaak varkens afgebeeld. Een varken was vet en stond symbool voor voorspoed en een goed jaar. De meeste werden in de Jordaan gedrukt, waar veel drukkerijtjes en uitgevers zaten. Bekend was de drukkerij van de gebroeders Koster op Leliegracht 28 die in 1895 ook al een mooie scheurkalender aanbood.

Met de Wet tot regeling der Brievenposterij, die op 1 april 1892 inging, werd het voor iedereen mogelijk om briefkaarten te verzenden. Snel werd de afgegeven nieuwjaarswens verdrongen door de nieuwjaarskaart. Dat leverde de postbeambten veel drukte op, blijkt uit ‘Oudejaar in het Postkantoor’, een reportage in het Algemeen Handelsblad van 1 januari 1905. De verbazing over de hoeveelheid post met Oud en Nieuw is groot. De lezer wordt op het hart gedrukt dat hij niet bang hoefde te zijn dat de sorteerders de ansichten zouden lezen: daar hadden ze echt geen tijd voor.

In de 19de eeuw kwam er nog een nieuwjaarstraditie bij. Na de middagvisites op 1 januari maakte de crème de la crème van Amsterdam zich op naar de traditionele opvoering van Vondels Gysbrecht van Aemstel te gaan. Op 3 januari 1638 was dit stuk voor het eerst opgevoerd in de gloednieuwe schouwburg aan de Keizersgracht. Na een paar jaar werd het gewoonte het ieder jaar in de kersttijd op te voeren en dat gebeurde (nadat de oude schouwburg afbrandde) sinds 1774  ook in de schouwburg op het Leidseplein, maar pas sinds 1841 steevast op 1 januari. De aanwezigen – de burgemeester en vooraanstaande burgers – kwamen ruim op tijd om elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen en een babbeltje te maken. Elke acteur die een rol in het stuk op zich mocht nemen, werd uitgebreid vergeleken met zijn voorgangers.

 

Thomasvaer en Pieternel

Om de toeschouwers nog een beetje te laten lachen na dit treurspel, werd er vanaf 1707 een luchtig naspel aan toegevoegd. De Bruiloft van Kloris en Roosje, was een klucht waarbij de acteurs aan een lange tafel zaten en door sponsors geleverd eten verorberden (wat overbleef werd onder de acteurs verdeeld). De klucht werd geopend met een nieuwjaarswens van het echtpaar Thomasvaer en Pieternel, waarin zij afgelopen jaar satirisch doornamen en hoogwaardigheidsbekleders op de hak namen. Eigenlijk was dit de oervorm van de oudejaarsconference, in 1954 door Wim Kan als apart genre op de radio gepresenteerd.

Ongetwijfeld vonden veel notabelen de Gijsbreght een lange zit en smachtten ze intussen naar de sketch van Thomasvaer en Pieternel en naar de borrel achteraf. Maar dat de Gijsbreghttraditie ooit verloren zou gaan, kon niemand zich voorstellen. De opposanten tegen het ‘verkalkte toneelbestel’ kregen het toch voor elkaar. De voorstelling van 1 januari 1968 zou de laatste blijken in de lange reeks. Sindsdien is Vondels stuk alleen nog incidenteel vertoond.

Dat betekende niet dat Amsterdamse elite elkaar niet meer kon zoenen en de hand schudden op de avond van Nieuwjaarsdag.  De nieuwjaarsreceptie van de burgemeester, die sinds de jaren twintig rond 5 januari gegeven werd (meestal in het Stedelijk Museum) werd alert naar 1 januari verplaatst. Nog altijd houdt op Nieuwjaarsavond de burgemeester een zorgelijke rede, waarna de stadsbestuurders en hun gasten opgewekt de dansvloer opgaan.

Zo vierden en vieren Amsterdammers dus de jaarwisseling. Allemaal? Nou, nee. Misschien wel even representatief is dit verslag op een internetforum: “Een nieuw kalenderjaar, en wat dan nog? Ik blijf lekker thuis, lees een mooi boek, schenk me nog eens in en troost de katten. Die houden niet van vuurwerk.”