Winter-special: november-december 2010


De huiselijke haard door de eeuwen heen

Tekst: Peter-Paul de Baar

Buiten kan het ’s winters gevaarlijk koud zijn, maar ook binnenshuis is het soms geen pretje. Hoe hield men het huis toch nog een beetje warm? Een overzicht in sneltreinvaart. (Tekening Christiaan Andriessen, 1806)

 413-inhoud_3

Van gat in dak tot schoorsteen

In de Middeleeuwen was de haard nog letterlijk het middelpunt van het huizen. De eerste houten stadshuizen, met rieten daken, bestonden uit één vertrek, met zadeldak. In de nok zat een groot gat. Daardoor ontsnapte de rook van het open vuur, dat pal daaronder, in het midden van de ‘zaal’, werd gestookt. De kookpot hing aan een ijzeren rekje erboven. Vanwege het brandgevaar bepaalde het stadsbestuur dat de breedte van een huis waarin werd gestookt tenminste elf voet moest zijn, ruim drie meter. Nadeel van de rookafvoer rechtstreeks van de vloer naar de nok van het dak was vooral dat je geen (doorlopende) tussenverdieping kon maken. Terwijl het toch heel verleidelijk was om onder het zadeldak een vloertje te leggen om daar goederen op te slaan.

Na de dramatische stadsbranden van 1421 en 1452 bepaalde het stadsbestuur dat huizen voortaan stenen muren moesten krijgen (ook werd ’s nachts stoken verboden). Dat stimuleerde een nieuw systeem: een rookkanaal in de zijmuur naar een uitgang aan de gevel, eerst van hout, later gemetseld. Daardoor kon het vuur naar de zijmuur verhuizen, wat extra ruimte gaf in het woonvertrek en het mogelijk maakte alsnog een hele vloer boven de begane grond te maken, en misschien nog wel een verdieping meer.
De rook werd opgevangen door een naar voren uitstekende kap boven de stookplaats: de ‘rookvang’. Die werd vaak ondersteund door houten balken of planken aan weerszijden, de ‘wangen’ Ook die rookvang werd al snel ‘versteend’, met zuiltjes of zijmuurtjes ter ondersteuning. Zo was de schoorsteen geboren. Dat woord sloeg aanvankelijk op die overkapping boven het vuur: ‘schoren’ betekende ‘uitsteken’.

Aanvankelijk werd de rook via het rookkanaal ‘geloosd’ door een gat hoog in de zijmuur. Dat vonden buren doorgaans niet fijn. Dus kwamen er in plaats daarvan pijpen op het dak.

 

Schouw en schoorsteenmantel

Die rookvang boven het vuur, ondersteund door zuiltjes of zijmuurtjes, werd in de 16de eeuw steeds meer verfraaid en opgenomen in de architectuur. Deze verbeterde en verfraaide stookplaats in de zijmuur kreeg ook een nieuwe naam: de schouw. Ze ging er op den duur meer uitzien als een nis dan als een uitbouw. Rookvang plus ondersteuning heetten nu ‘schoorsteenmantel’. In de huizen van de rijken werd die bij voorkeur in marmer uitgevoerd.

Zo’n hoog oplaaiend vuur was een mooi gezicht, maar had ook een nadeel: mét de rook ontsnapte veel te veel warmte door de schoorsteen. Daarom werd de schouw in de 18de eeuw steeds vaker verlaagd. De bovenkant van de schoorsteenmantel kwam nu op borsthoogte. Een mooie plek om grote spiegels op te zetten.

 

Kachels in soorten en maten

Nadeel van de open haard was dat veel warmte verloren ging via de schoorsteen, terwijl tegelijk rook en roet onbedoeld de kamer inkwamen. Alleen dichtbij het vuur was de warmte intens en tegelijk zoog het vuur lucht aan. Effect: van voren werd je geroosterd, van achter

bleef je bevroren. De kachel bood uitkomst: een grotendeel gesloten holle kolom, waarin of waaronder het vuur brandde. Oorspronkelijk waren kachels van steen, later van metaal. Het waren vaak hoge cilinders, want hoe groter het wandoppervlak, hoe gelijkmatiger de warmteverspreiding.

Tot ruim na 1800 werden Amsterdamse haarden en kachels gestookt met hout, turf en soms houtskool. Hoewel in de 18de eeuw in Engeland al welbekend, werd in Amsterdam pas in de 19de eeuw steenkool populair, eerst voor de industrie en na 1850 ook voor de huisverwarming. Aan het eind van de eeuw werden ook in ons eigen Limburg kolenmijnen geopend. Deze kolen waren betaalbaar, maar lang niet zo goed als de veel duurdere kolen uit Engeland en vooral Wales. Met de kolenkachel werden ook het kolenhok en de kolenkit onderdeel van het ‘nette’ Amsterdams huishouden. In scholen en andere openbare gebouwen verschenen imposante kolenkachels. De ‘kolenboer’ werd een begrip.

Kachels stonden meestal alleen in de huiskamer. In de kille slaapkamer dook men zo snel mogelijk onder de warme dekens.

 

Olie, gas en centrale verwarming

Na 1950 werden oliekachels populair. Door optimale verbranding produceerden die geen nare bijproducten als roet of gassen. Maar olie was wel duur. Al snel werd het veel goedkopere aardgas geïntroduceerd. Door het aansteken van een vuur bij het Amstelstation gaf burgemeester Van Hall op 4 oktober 1960 het sein voor de grootse actie waarbij heel Amsterdam van aardgas werd voorzien. Studenten en andere kleinbehuisden behielpen zich met walmende ‘alladins’ (walmende, kleine petroleumkachels) of losse kachels die gestookt werden op butagas, geleverd in loeizware gasflessen.

Mede dankzij het aardgas als goedkope en makkelijke brandstof, werd het rendabel in fabrieken, kantoren en woonhuizen centrale verwarming aan te leggen: verhit water loopt door buizen en radiatoren en verwarmt zo het hele pand. De cv is nu verreweg de meest toegepaste verwarmingsmethode. Als aanvulling staat hier en daar nog wel een open haard, maar dan als luxe sfeerelement.