Winter-special: november-december 2010

Op het ijs!

IJsvermaak is voor iedereen en van alle tijden

Tekst: Marius van Melle

422-ijsvermaak_uitsnede “Nooit had ik meer verblijen, als ’s winters in het rijen”, kraste Gerbrandt Adriaensz Bredero begin 17de eeuw op het papier. Schaatsliefhebbers van nu herkennen dat. Zoals Max Dohle in Op één nacht ijs (2004): “Glijden is vliegen, moeiteloos komen we bijna los van het aardse.” Wij kennen het beeld ook uit een jeugdgedicht van Multatuli: “En als uw schaatsen u vliegend doen zweven...” Sneeuw en ijs bieden veel aanleiding tot vermaak, maar schaatsen staat al eeuwen nummer één. Zolang Amsterdam bestaat is er ijsvermaak geweest.

 

In 1979 werd op de Nieuwendijk een middeleeuwse smederij opgegraven, waarbij een houten schaats tevoorschijn kwam die omstreeks 1225 gemaakt moet zijn. Het is naast een in Dordrecht gevonden schaats uit dezelfde tijd, de oudste echte schaats die aan het licht is gekomen. Al eeuwen eerder bewoog men zich op het ijs voort op glissen: ondergebonden bewerkte dierenbotten. Daar viel nauwelijks mee af te zetten, vooral niet tegen de wind in, dus gebruikte men prikstokken om vooruit te komen. De naam voor het ijzer onder de schaats, de schenkel, herinnert aan deze benen voorloper.

         Een van de weinige schriftelijke bewijzen van ijsvermaak in het middeleeuwse Amsterdam betreft niet het schaatsenrijden, maar het sneeuwballen gooien.

Op oudejaarsdag 1472 werd verordonneerd: “Nyemant en moet met sneecluyten werpen noch maecht noch wijff noch manspersoen.’ Spitsvondig merkte geschiedvorser Jan ter Gouw in zijn boek over volksvermaken in 1871 daarover op, dat het onduidelijk is of het verbod nu slaat op het gooien of het getroffen worden en dat jongens kennelijk hun gang konden gaan.

         De periode van ca. 1500 tot ca. 1700 wordt wel aangeduid als ‘kleine ijstijd’, omdat de winters in doorsnee kouder waren. Van de nood werd een deugd gemaakt. IJs nodigde uit tot allerlei vermaak. Op schilderijen van Pieter Brueghel de Oude is te zien hoe men zich in Vlaanderen op het ijs amuseerde. Na hem heeft Hendrick Averkamp de ijspret in Amsterdam in beeld gebracht, net als zijn vriend Arent Arentz Cabel en anderen. Op hun doeken wordt druk geschaatst, bewegen mensen zich voort op priksleetjes en grote arresleden, en is er vermaak met sneeuwballen gooien, klootschieten (nu als ‘curling’ een olympische sport) en kolven. Met een soort hockeystick moest in zo weinig mogelijk slagen een schijf naar een bepaald doel worden geslagen, bijvoorbeeld een vastgevroren roeiboot of een paaltje. Het ging om de laatste slag: wie het verst de schijf via het doel terug kon stuiten. De fervente schaatser Bredero had het er niet zo op, want je kon lelijk vallen als zo’n kolfschijf tussen je benen schoof.

 

Vrijheid op het ijs

Schaatsen was niet zonder risico. De de pret kon afgestraft worden, wist ook Averkamp. Ter waarschuwing schilderde hij op menig ijsgezicht galgen. Voorzichtige schaatsers reden met een lange stok, om niet onder het ijs te schieten als ze in een wak belandden. Bredero reed zonder – wat hem in de winter van 1618 fataal is geworden.

         De schaatsen hadden in de loop der tijd een enorme krul gekregen. Historicus Bernardino de Mendoça, die met het leger van Alva was meegekomen, vergeleek de vorm met Turkse pantoffels. Hij verbaasde zich erover dat men zo stevig op de schaats stond. Had zelfs vrouwen gezien die met een mand eieren op hun hoofd reden. En dan die snelheid! Menigeen reed een paard eruit, toentertijd het snelste vervoermiddel. Met ijszeilen kon nóg meer vaart gemaakt worden, ontdekte men niet veel later. Een lang doorverteld verhaal gaat over een ijszeiler op het IJ die het idee kreeg om voorwaarts een pijl af te schieten. Hij ging zo snel dat de pijl naar achteren leek te vliegen.

         Het ‘vliegend zweven’ van schaatsen, de snelheid die je kon maken, was een sensatie die iedereen greep zodra hij de slag te pakken had. Schaatsen appelleerde ook aan het gevoel van vrijheid. P.C. Hooft dichtte: “Hier vraagt men naer geen stand, hier is men vranck en vry.” IJsvermaak hield zich niet aan rangen en standen. En omdat men zich op het ijs vrijer bewoog, golden omgangsconventies minder. “Op het ijs is alles gemeen, wie geen meisje heeft die kiest er een”, was een volksgezegde. IJs was de sullebaan [glijbaan] der liefde, volgens Hooft.

         Des te aangenamer werd het nog doordat er overal koek-en-zopietentjes op het ijs verschenen. Warm bier met kruidnagel en een flinke scheut brandewijn erdoor, flip genoemd, was erg geliefd. Deventer koek en rozijnen gingen er ook wel in. Die bevroren niet zo gauw, in tegenstelling tot brood. Bij tijd en wijle werd er zelfs een kermis op het ijs gehouden, in strenge winters zowel op het IJ als de Amstel.

 

Gauwdiefjes te schaats

De koek-en-zopies kregen dan gezelschap van allerlei andere tentjes met koopwaar, goochelaars en potsenmakers vermaakten het publiek, fraai versierde arresleden met gemaskerde dames gleden af en aan: men ging niet over één nacht ijs om er iets van te maken. De overheid keek bij gelegenheid de andere kant op, want ze had weliswaar de jurisdictie over land en water, maar ijs was geen van beide. Daar wisten gauwdiefjes te schaats gebruik van te maken.

          Wedstrijden werden wel gereden, maar erg populair waren ze niet. Dat had te maken met de schaatstechniek. Op die krulschaatsen werd ‘buitenover’ gereden, zwierend, door het gewicht van het ene been naar het andere over te brengen en daarbij sterk over te hellen. Een sierlijk gezicht en ook energiebesparend, want de afzet gebeurde als vanzelf door het gewicht te verplaatsen, maar geen methode om snelheid te maken. Uit dit zwieren ontwikkelde zich schoonrijden, waarbij met rond geslepen ijzers fraaie krullen en zelfs namen in het ijs gekrast konden worden.

         In Friesland was dat anders: in deze waterrijke provincie met een slecht wegennet waren ‘ijswegen’ ideaal om snel ter bestemming te komen. Daar werd hardrijden op de korte baan ongekend populair. De schaatsen werden daartoe aangepast. De schenkel verloor zijn krul en kreeg een vrij rechte lijn. Zo kon er meer vaart gemaakt worden. Het ijzer bleef wel eindigen onder aan de hak, want dat kwam de afzet bij een sprint ten goede. Pas in de 19de eeuw werd het ijzer verlengd tot voorbij de hak: de Friese doorloper.

         Vanaf eind 18de eeuw groeide de populariteit van wedstrijdschaatsen. Er werd om geld gereden, eerst uitgeloofd door kasteleins en later ijsclubs. Of om voedsel, wat vaak een pijnlijke vertoning werd, omdat het gekrabbel van de armen slechts leedvermaak opleverde. Sociaal voelende hardrijders reden dan soms ‘voor spek en bonen’ mee en deelden het gewonnen voedsel uit aan de deelnemers. In 1865 organiseerde de net gestichte Amsterdamsche IJsclub (AIJC) ook zo’n wedstrijd met voedsel als prijs, maar gooide dooi roet in het eten.

 

Gloriejaren ijsclub

Het zou lang duren voordat de hegemonie van de Friezen in het hardrijden zou worden doorbroken. De AIJC had in 1879 de beschikking gekregen over een vijver in het Vondelpark en organiseerde er voor zijn leden ook dansfeesten. “Het schijnt alsof alle Hollandsche stijfheid en Amsterdamsche nuffigheden geweken zijn, zoodra de schaats is aangeschoten en de vrije winteradem jong Holland de kaken kleurt”, schreef het Algemeen Handelsblad enthousiast. Het moet in deze winter zijn geweest dat Aletta Jacobs, die net als vrouw het universitaire mannenbastion had genomen, veel op de schaats in het Vondelpark was te vinden. In haar memoires denkt ze zelf een jaar eerder, maar dat was een slappe winter.

         Jacobs schrijft dat zij opzien baarde met haar schaatsende verschijning als dame alleen, maar dat men eraan wende. Het was een baanbrekende actie. De standsverschillen waren toegenomen en anders dan in vroegere eeuwen was het niet meer gewoon dat dames zich op de schaats voortbewogen. In Friesland kleedden boerenmeisjes zich voor een wedstrijd half uit en dat vonden de gegoede heren en dames van de AIJC maar onzedelijk. De ijsclub zou zijn gloriejaren hebben tussen 1890 en 1935, toen de basis het Museumplein was. Men moest verhuizen naar een winderig terrein achter het Olympisch Stadion, dat nooit een groot succes werd, ook omdat er na de oorlog concurrentie kwam van sproeibanen (besproeide tennis- en sintelbanen). Inmiddels is het ijsclubterrein opgeslorpt door een andere sportaccommodatie.

         In de jaren tachtig van de 19de eeuw ontstonden internationale contacten tussen hardrijders. De Noor Axel Paulsen bleek onverslaanbaar op zijn ‘hoge noren’, waarop de schaatstop die direct ook aanschafte. Weldra stak natuurtalent Jaap Eden met kop en schouders boven iedereen uit. Paulsen legde zich maar toe op kunstschaatsen en bedacht de dubbele axel. Het kunstschaatsen, iets anders dan schoonschaatsen, was uitgevonden door balletmeesters om te dansen op ijs en overgewaaid uit Amerika. Daar rezen overdekte ijshallen uit de grond voor dit doel.

 

Opkomst toerschaatsen

Het is hier ook geprobeerd: in het Paleis voor Volksvlijt werd in 1879 zonder succes een ‘skating rink’ geopend. Pas na de komst in 1937 van zo’n baan in de Apollohal, werd er enthousiasme voor kunstschaatsen gewekt. De Amstelveense Sjoukje Dijkstra begon in 1948 er op zesjarige leeftijd mee, op schaatsen gemaakt door de Amsterdammer Jaap Haverkotte, de stichter van de Viking schaatsenfabriek. Twee maanden later brak ze in de Apollohal haar been toen een achteruitrijdende pastoor bovenop haar viel. Maar ze zette door, oefende vanaf 1951 in Den Haag omdat de baan in Amsterdam werd gesloten, en werd in 1964 olympisch kampioen.

         De grote opkomst van het toerschaatsen begon eigenlijk met de (officiële) Elfstedentocht, waarvan de eerste in 1909 werd gereden. De twee volgende edities won geen Fries, maar de in Edam geboren Coen de Koning. De tocht kreeg in Noord-Holland navolging, ondanks flinke tegenwerking van de KNSB. De schaatsbond stond pal voor het amateurisme en sloot zowel ‘beroepsrijders’ uit die om geldprijzen schaatsten, als rijders die in wedstrijden waren uitgekomen waaraan beroepsrijders hadden deelgenomen. Deelname aan wedstrijden van niet-aangesloten ijsclubs was ook taboe.

         De in 1895 gestichte IJsbond Hollandsch Noorderkwartier stond daarom op slechte voet met de bolknakken van de KNSB, die geleid werd door de Amsterdamse effectenmakelaar Gerrit van Laer. De oppositie kreeg tijdens de Tweede Wereldoorlog vleugels, vooral toen de NSB – van de Duitsers moest het koninklijke eraf – eiste dat de “schaatstoeristen” zich aansloten bij de ANWB. Na de bevrijding opposieleider mr. H.W. Vliegen, de Amsterdamse gemeenteadvocaat, KNSB-voorzitter.

         Wat niet veranderde was de bond als mannenbolwerk. Vóór de oorlog had Gonne Donker uit Ilpendam moeten vechten om uitgezonden te worden naar internationale wedstrijden. En nog in de jaren zestig werd Carry Geijssen uit de Indische buurt flink tegengewerkt. Het ijs was pas gebroken toen ze in 1968 een olympische titel behaalde. Ze had haar talent kunnen ontplooien op de in 1961 geopende Jaap Edenbaan. Niet de eerste kunstijsbaan in Amsterdam: van 1934 tot de oorlog floreerde ’s winters het tot ijsbaan omgetoverde Sportfondsenbad in de Linnaeusstraat.

         Onder auspiciën van buitenstaanders kwamen ook toertochten annex wedstrijden tot stand, zoals de Waterlandrondritten die Elka Watch Company (Kalverstraat 206) in de jaren twintig organiseerde en de Grachtentocht in 1956 op initiatief van Het Vrije Volk. Van 1938 tot 1962 organiseerde de IJsbond de Noordhollandse dorpentocht van circa 100 km, met steeds meer deelnemers. Daarna gingen de ijsclubs toertochten zelf organiseren en nam het massatoerisme een aanvang. Maar ook zonder organisatie is een tochtje machtig mooi.