Winter-special: november-december 2010

Koud, kouder, koudst

De allerbarste Amsterdamse winters

Tekst: Peter-Paul de Baar

416-winter_4Opwarmende aarde of niet, nog steeds kunnen Amsterdamse winters koud zijn. De laatste bijvoorbeeld. Maar echt strenge winters zijn veel zeldzamer dan in vroeger eeuwen. En ze maken minder indruk, want we zijn er beter tegen beschermd.

Welke waren de strengste Amsterdamse winters en wat richtten ze hier aan? Wie een duidelijk klassement verwacht, moeten we teleurstellen. Dat kunnen we alleen geven over de afgelopen 110 jaar, domweg omdat geen weerhistoricus aan een langere lijst zijn vingers wil branden. Weliswaar bestaan er temperatuurmetingen vanaf de 18de eeuw, maar die laten zich lastig vergelijken met de veel genuanceerdere cijfers van nu. Ook de criteria van de lijstjesmakers verschillen soms. Gaat het om de gemiddelde temperatuur of het aantal dagen met vorst? Worden duur en intensiteit van de sneeuwval in het totaalcijfer verwerkt? Een enkele onderzoeker probeert zelfs de ‘gevoelstemperatuur’ mee te rekenen: strenge vorst is voor mensen immers nog slechter te verdragen als daar snijdende wind bij komt.

De meeste klassementen zijn vooral gebaseerd op de gemiddelde temperatuur en het aantal vorst- en ijsdagen. Bij ‘objectief’ weerhistorisch onderzoek blijkt dan weleens dat winters die tijdgenoten “schreclijc” vonden, door moderne experts als “zacht” worden ingeboekt. De tijdgenoten herinnerden zich de extreme perioden en vergaten dat er tussendoor ook heel wat vorstvrije dagen waren. Wetenschappelijke indelingen van winters zijn gebaseerd op gemiddelden, die sterk kunnen afwijken van de subjectieve beleving.

De cijfermatige én de subjectievere gegevens zijn met veel sprokkelwerk te vinden in oude kronieken, dagboeken, rapporten, dagboeken en krantenberichten. Scheepstellingen, waterstanden en jaarringen van bomen geven indirecte informatie. Van dit alles een synthese maken is een heidense klus – maar gelukkig heeft historisch-geograaf, oud-aardrijkskundeleraar en amateur-meteoroloog  drs. Jan Buisman (geboren in 1925) te Dan Haag zich hieraan gewaagd, met hulp van het KNMI. Zijn magnum opus is de serie Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, waarvan tussen 1995 en 2007 vijf delen van ieder zo’n 750 bladzijden verschenen zijn en er nog drie op stapel staan – “alles bij leven en welzijn van de auteur”, zoals de uitgever terecht vaststelt. Eerder (1984) schreef Buisman Bar en boos. Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen.

 

Winterse watersnoden

Buisman begint zijn verhaal al in 763, maar Amsterdam komt pas veel later in beeld: in 1421, als (volgens geschiedschrijver Caspar Commelin) “de Zee over alle dijken henen” loopt” en “zeer grote schade om deze stad” veroorzaakt. In november 1421 volgde de Sint-Elisabethsvloed. Die zette grote delen van Holland onder water; de eerste Spaarndammerdijk werd weggespoeld en zuidelijker opnieuw aangelegd, nu wat hoger. Daarmee raken we meteen aan een aspect van de historische winters dat vaak onderbelicht blijft, maar voor Amsterdam een vaste plaag was: de watersnoden.

Watersnoden traden vooral op aan het begin of het eind van de winter. Sommige overstromingen werden veroorzaakt of verergerd door plotselinge dooi na langdurige sneeuwval. Meestal was zeer zware storm in combinatie met springtij de boosdoener. Dan werd de watermassa van de Zuiderzee (verbonden met de Noordzee) zo opgestuwd dat het water via het IJ over de dijken zwiepte en soms hele stukken dijk wegsloeg. Dat het hoge water in het Damrak geregeld over de Nieuwendijk en de Warmoesstraat heenliep, was men wel gewend. Al was het natuurlijk hinderlijk als op zondagmorgen in de Oude Kerk het water bijna zo hoog stond als het tafelblad van het altaar.

Maar in de directe omgeving van de stad, vaak laaggelegen en met houten huisjes, leverde zo’n stormvloed echte rampen op, waarbij tientallen of zelfs honderden mensen, koeien en paarden verdronken. Een zo’n ramp, in maart 1651, trof het gehucht Houtewaal alias Oetewaal evenals de hele Watergraafsmeer (zie ons laatste zomernummer).

Andere rampen vonden onder meer plaats in maart 1496, september 1510, oktober 1612, januari 1616, januari 1624 en 1 december 1665. Soms hadden stormrampen elders indirect grote invloed op de Amsterdammers. Op kerstavond 1593 vergingen vele Amsterdamse schepen voor de rede van Texel, een strop voor scheepsassuradeur Roemer Visscher, die zijn op (Maria-feestdag) 25 maart 1594 geboren dochter Maria Tesselschade doopte. Zij werd een beroemd dichteres.

 

Kleine IJstijd

Allang is bekend dat de 16de, 17de en 18de eeuw duidelijk kouder geweest moeten zijn geweest dan de eeuwen ervoor en erna. De Kleine IJstijd wordt die periode doorgaans genoemd. Een tikje overdreven misschien: de gemiddelde jaartemperatuur lag zo’n twee graden onder de huidige (gemiddeld 9,3 graden Celsius in de 20ste eeuw). Klimatologen vinden dat verschil groot, maar het is natuurlijk niets vergeleken met het barste deel van de Grote IJstijden uit de prehistorie, toen de gemiddelde jaartemperatuur hier vijftien graden onder nul lag.

Het Hollandse klimaat van de Kleine IJstijd is beter te vergelijken met het Zuid-Noorse van nu. Die periode eindigde volgens de meesten rond 1850, maar wanneer begon ze? Vaak noemt men 1550,  maar Buisman maakt aannemelijk dat we beter kunnen zeggen: omstreeks 1430. In de Middeleeuwen was het in deze streken redelijk warm geweest, met prachtige wijnoogsten. Tussen 1432 en 1443 waren er ineens veel strenge of zeer strenge winters, met ook nog eens veel sneeuw. Volgens Buisman lag het dieptepunt niet in de Gouden Eeuw, maar in het laatste kwart van de 16de eeuw, volgens hem de allerkoudste periode van het laatste millennium. Na 1625 worden de winters weer wat zachter, maar tegen het eind van die eeuw opnieuw killer.

In februari en maart 1503 waren volgens een kroniekschrijver het IJ en de Zuiderzee zó stevig bevroren dat het mogelijk was per slee van Amsterdam naar Kampen te reizen. Baas boven baas: in februari 1554 vertrokken liefst veertien sleeën volgeladen met wol naar de IJsselstad. Hoe lang de Zuiderzee dicht lag, werd het belangrijkste informele criterium voor de rangschikking van Amsterdamse winters. Het Zuiderzeewater bevroor niet gauw, met het nog redelijk zoute water en de getijdewerking. De Amstel lag veel vaker dicht.

 

Bevroren schrijfinkt

Omdat januari en februari meestal het koudste waren, ontstond het gebruik legendarische winters te vernoemen naar hun gedeelte na de jaarwisseling. Met “de winter van 1740” werd bijvoorbeeld die van 1739-1740 bedoeld. Zeer streng waren in ieder geval (tot 1850) de winters van 1511, 1565, 1595, 1608, 1621, 1663, 1672, 1679, 1681, 1684, 1695, 1697, 1709, 1716, 1740, 1762, 1784, 1789, 1795, 1814, 1830, 1838 en 1845. (De ‘gewoon strenge’ of simpelweg ‘koude’ of ‘normale’ winters zijn hier niet meegeteld.)

De allerstrengste winters van de Kleine IJstijd waren 1511, 1565, 1709, 1740, 1789 en 1824. Het verhaal gaat dat in eerstgenoemd jaar in Rotterdam een massale demonstratie werd gehouden op de bevroren Maas om dooi af te smeken. God verhoorde de bede wat al te haastig. Het ijs brak en 8000 Rotterdammers verdronken. (De Amsterdammers zagen van deze methode maar af.) In 1740 barstten volgens stadshistoricus Jan Wagenaar enkele bruggen. “Ook zyn er eenige menschen, bij nagt, op de straaten dood gevrooren.” In januari 1795 wisten de Fransen dankzij het ijs Amsterdam binnen te trekken. Dat was in het benauwde jaar 1672 nog mislukt doordat onverhoeds de dooi intrad.

Maar de extreemste vorsteffecten vonden niet per se plaats in de strengste winters. Neem december 1664 (een koude, maar niet strenge winter) toen Amsterdam werd getroffen door uitzonderlijk zware ijzel. Boomtakken van een duim dik zwollen zo zwaar op dat ze afbraken, boomstammen spleten. Meestal vergeefs probeerde men bomen te redden door er brandende pektonnen onder te zetten. De winter van 1767 was formeel gewoon ‘koud’, maar januari was een uitschieter. Op 8 januari schreef Jacob Bicker Raije in zijn dagboek: “Op het moment is de kou zeer bitter en het vriest zo sterk dat hoewel ik dit bij een heel groot vuur schrijf in een kamer waar de hele dag flink gestookt wordt, de inkt me in de pen bevriest.”

 

Hollandse Twaalfstedentocht

Sneeuw en ijs hadden natuurlijk hun vrolijke kanten. Meteen ging men massaal schaatsen of sleeën. Zo maakte Claes Claescooper uit Koog aan de Zaan volgens zijn dagboek op 19 december 1676 met twee vrienden vanuit Haarlem een Noordhollandse ‘twaalfstedentocht’: via Amsterdam, Weesp, Naarden, Muiden, Pampus, Monnickendam, Edam, Purmerend, Ouwendijk, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik en Alkmaar naar Haarlem terug. En Keizersgrachtbewoner Bicker Raije noteerde in januari 1771: “Op de elfde dezer zijn er volgens mijn eigen telling ’s morgens van tien tot half twee en ’s middags van drie tot half vijf alleen al aan deze kant 357 arresleden mijn huis gepasseerd.”

Maar zeker als de vorst lang duurde, werd de toestand snel akeliger. Het grootste deel van het normale vervoer ging over het water en dat liep nu weken- of maandenlang vast. Geregeld was een groot gebrek aan levensmiddelen en drinkwater het gevolg. Onder meer in 1740 werden bakkerswinkels geplunderd.

Het winterse drinkwatertekort kon ontstaan doordat het Amsterdamse grachtwater ondrinkbaar was. Onder regie van de Amsterdamse bierbrouwers (grootverbruikers) werd sinds omstreeks 1500 schoon water uit de Vecht bij Weesp per waterschuit naar Amsterdam gebracht. Maar in strenge winters vroor de Amstel dicht. Daarom kochten de bierbrouwers annex waterverkopers in 1651 een ‘ijsbreker’ aan: een ramschuit met een ijzeren punt, voortgetrokken door soms wel 36 paarden. (Amsterdams eindstation was herberg D’Ysbreeker aan de Weesperzijde. Daar is nog steeds een café van die naam.)

Door de kosten van de ijsbreker steeg helaas ook snel de prijs van een emmer drinkwater, zodat de allerarmsten weer ziekmakend grachtwater gingen drinken…  En op 22 januari 1740 kwam volgens Bicker Raije zelfs de ijsbreker er niet meer door. De volgende dag noteerde hij dat een jongeman die te lang aan de Amstel naar de gestrande ijsbreker stond te kijken, was overleden: “Hij was zo door kou bevangen geraakt dat zijn ingewanden waren verstopt.”

Aan het eind van de Kleine IJstijd waren er nog zes zeer strenge winters: 1823, 1825, 1830, 1838, 1845 en 1855. Die hakten er nog stevig in, want economisch was de stad er slecht aan toe. In 1823 werden de bakkers weer bestormd en verkocht men op straat brokken ‘schoon’ ijs als drinkwater.

 

Bloemen op de ruiten

Na 1850 werd het klimaat zeker in Amsterdam duidelijk milder, misschien wel door de industrialisatie van de stad. De buitenlucht werd viezer en warmer tegelijk. Tientallen jaren bleven strenge winters uit. Des te harder kwam de zeer strenge winter van 1891 aan. Bij uitzondering was december de strengste maand, waardoor ze ook wel de “de barre winter van negentig” werd genoemd. Theo Thijssen, toen elf, zou deze maand nooit vergeten: “En nu is het of er één lange nachtmerrie komt. De beruchte strenge winter van 1890 doet z’n intrede; in de huiskamer brandt de kachel en in de keuken de hele dag het fornuis, maar de winkel is volgens moeder ‘een ijskelder’. ’s Morgens vroeg, als het nog donker is, moet ik al een emmer steenkolen halen. (…) En steeds is het maar koud, koud. Op de winkelramen staan altijd de bloemen, niemand kan van buiten af de uitstalling zien.” Aan het eind van de maand stierf Thijssens vader aan ‘de tering’.

Het winterklassement van de 20ste eeuw ziet u hiernaast. De pittige winter van 1917 was formeel niet extreem streng, maar kwam wel extra hard aan, omdat de Eerste Wereldoorlog nog gaande was. Nederland was weliswaar neutraal, maar het internationale handelsverkeer lag plat, zodat er grote tekorten ontstonden aan brandstoffen en voeding. De winter van 1929 werd legendarisch door de extreem koude februarimaand. Vanaf 2 februari vroor het licht tot matig, vanaf 19 februari zeer streng. Op 12 februari werd in Friesland een Elfstedentocht gereden en op dezelfde dag brandde het Flora-theater in de Amsterdamse Amstelstraat af. Dat leverde bijzondere krantenfoto’s op van ijspegels aan de gevel: meteen bevroren bluswater! De gemeente begon aan ‘behoeftigen’ warme maaltijden te verstreken voor vijf cent: de eerste dag waren er al 1409 gegadigden. De vorst hield aan tot begin mei!

 

Minder ontwrichtend

Een ongeluk komt zelden alleen: de Tweede Wereldoorlog begon met de zeer strenge winter van 1940, de strenge van 1941, en de weer zéér strenge van 1942. De vele sneeuw leverde weinig pret meer op. Het overbelaste tramverkeer liep vast. Voedsel en brandstoffen waren alleen ‘op de bon’ verkrijgbaar. De Hongerwinter van 1944-1945 heette meteorologisch ‘vrij zacht’, door een milde februarimaand. Maar januari was heel koud en vooral: alles en iedereen was óp. Subjectief was deze winter dus de ergste.

Objectief de op één na strengste winter van de 20ste eeuw was die van 1947. Vooral in februari en maart vroor het ook in Amsterdam geregeld meer dan 20 graden. De winter van 1963 werd eerste op de eeuwlijst. Op 18 januari volgden de meeste Amsterdammer de verslagen van de barste Elfstedentocht ooit (gewonnen door Reinier Paping), de meesten via de radio, een enkeling op tv. Door zware sneeuwval raakte het verkeer wekenlang ontwricht. Een gedenkwaardig feit was het afbranden van C&A op het Damrak op 15 februari: opnieuw bevroor het bluswater. De laatste zeer strenge winter van de 20ste eeuw was die van 1979. Al eind december 1978 vroor het keihard. In januari kwam daar veel sneeuw bij. En de winter duurde lang. Koninginnedag 1980 was de koudste ooit.

Toch was deze winter veel minder ontwrichtend dan voorheen. Sinds 1963 kreeg Amsterdam aardgas, centrale verwarming, dubbele beglazing. Al dat comfort maakt de strenge winters van nu misschien minder gedenkwaardig – maar zeker zijn ze beter door te komen!

 

De strengste winters na 1900 op volgorde

1.         1963

2.         1947

3.         1940

4.         1929

5.         1942

6.         1979

7.         1917

8.         1996