Architect Cornelis Outshoorn Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 16, 2010    
5216   0   0   0   0   0

Meesterwerk vol tegenslag Van de Amsterdamse architecten was Cornelis Outshoorn in de 19de eeuw de vooruitstrevendste. Anders dan veel collega's keek hij vooral naar de toekomst. Des te ironischer is het dat juist zijn magnum opus, het Paleis voor Volksvlijt, verloren ging bij een van de grootste branden die de stad gekend heeft.

Cornelis Outshoorn was autodidact. Hij werd in een eenvoudig milieu geboren in wat nu de Zuid-Hollandse gemeente Nieuwkoop is. De lagere school was zijn enige formele opleiding. De kennis die hij nodig had om ingenieur en architect te worden, deed hij in de praktijk op, regelmatig aangevuld met cursussen van allerlei aard. Hij begon als timmermansgezel in Leiden. Een van zijn andere vroege banen was bij de scheepswerf in Schiedam die later zou uitgroeien tot het roemruchte Wilton-Fijenoord. Daar schopte hij het op jeugdige leeftijd tot voorman van de modelsmederij.

In 1838 ving zijn carrière als spooringenieur aan, midden in de hightech van de 19de eeuw. Hij trad in dienst van de pas opgerichte Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij, de eerste spoorwegmaatschappij in Nederland, die in 1839 de lijn Amsterdam-Haarlem zou openen. Onder supervisie van Frederik Willem Conrad, een van de eerste Nederlandse ingenieurs, pionierde hij met het aanleggen van spoorlijnen op de slappe en drassige Hollandse bodem. Hij functioneerde als hoofdopzichter bij de bouw van enkele grote stations — Haarlem en Amsterdam, onder andere. Die ervaring moet hem goed van pas zijn gekomen bij zijn latere grote gebouwen. De spoorbruggen en stationsoverkappingen maakten dat de jeugdige Outshoorn expert werd op het pas ontgonnen terrein van de ijzerconstructies. Maar hij was van meer markten thuis, en speelde bijvoorbeeld ook een rol bij de drooglegging van het Haarlemmermeer. Outshoorn zou zijn mentor Conrad zijn hele leven lang blijven bewonderen; een portret hing bij hem thuis.
Wanneer en hoe Outshoorn van spooringenieur architect werd, is niet meer te achterhalen. In 1854 bouwde hij het Koninklijk Postkantoor van Amsterdam aan de toen nog ongedempte Nieuwezijds Voorburgwal, en dat was waarschijnlijk zijn eerste zelfstandige ontwerp. Ruim 40 jaar later werd het afgebroken om plaats te maken voor het monumentale ontwerp van Cornelis Peters, dat tegenwoordig Magna Plaza is.
In 1861 ontwierp Outshoorn Museum Fodor aan de Keizersgracht, dat door de gemeente werd gebouwd als onderdak voor de nagelaten kunstcollectie van de in 1860 overleden steenkolenhandelaar Carl Joseph Fodor. Het heeft bestaan tot 1993; in het gebouw huist nu fotografiemuseum Foam. Er zijn relatief weinig kleine gebouwen van Outshoorn bekend. Ook het woonhuis voor de bankier Fuld op de hoek van de Keizersgracht en het Molenpad kun je niet echt een bescheiden optrekje noemen. Hij bouwde in 1865 ook een Joods jongensweeshuis aan de Amstel, dat werd gesloopt ten behoeve van de Stopera. Van zijn gebouwen buiten Amsterdam is de Haagse sociëteit De Witte (1870) het bekendst.

Vooral ingenieur
Hoewel hij zijn succes aan de architectuur ontleende, bleef Outshoorn zich in de eerste plaats ingenieur voelen. Hij zocht geen aansluiting bij verenigingen van vakgenoten, maar bleef lid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Dat hij vooraanstaand was, blijkt er wel uit dat hij enige tijd beoogd architect voor het Rijksmuseum was. Hij maakte er ook een studieontwerp voor. Outshoorn overleed, op 23 april 1875 aan een ernstige ziekte, echter voordat de definitieve opdracht werd verleend aan Pierre Cuypers.
Outshoorn werd min of meer de huisarchitect en bouwkundig adviseur van de Amsterdamsche Bouw Maatschappij, het vehikel waarmee Samuel Sarphati veel van zijn idealistische plannen probeerde te verwezenlijken – meestal met succes. In die functie bouwde hij woningen op stand aan het Oost- en Westeinde, aan weerszijden van het huidige Frederiksplein. Hoewel hij niet voor hen bouwde – sociale woningbouw bestond trouwens nog niet – was Outshoorn wel begaan met het lot van de armen. Hij vond betere woningbouw en gezondheidsvoorzieningen van het grootste belang. Hij werd gekozen tot gemeenteraadslid (toen nog door de gemeenteraad zelf), maar bedankte voor de eer. In 1864 werd Outshoorn lid van de gemeentelijke gezondheidscommissie. Hij bemoeide zich ook met stedenbouwkundige kwesties: samen met een zekere J.L Kuinders maakte hij in 1866 een plan voor een drastische doorbraak van Dam naar de Plantage Middenlaan, waarbij de ernstig verkrotte Jodenbuurt zou worden gesaneerd. Het werd niet uitgevoerd.

Magnifiek gebouw
Van groter belang is natuurlijk Outshoorns schepping uit 1867, het Amstel Hotel. Ook dat was ontsproten aan de ideeën van Samuel Sarphati, die vond dat Amsterdam in navolging van andere Europese hoofdsteden een hotel van internationale allure nodig had. Outshoorn beperkte zich tot een voornaam gebouw zonder vleugels, waar aanvankelijk werd gedacht aan een kolosaal paleis in carrévorm. Hoewel de Amsterdamse bevolking traditiegetrouw protesteerde (al die pracht en praal waren nergens voor nodig, en voor het bedrag van ƒ 1 miljoen konden ook 250 woningen worden neergezet), werd dit magnifieke gebouw uiteindelijk door Outshoorn in nauwelijks meer dan een jaar neergezet. Toen het er eenmaal stond sloeg de publieke opinie 180 graden om en toonden de Amsterdammers zich maar wat trots op de nieuwe aanwinst. Oorspronkelijk telde het Amstel Hotel overigens maar drie verdiepingen. De vierde verdieping is een toevoeging uit 1900. Het is tegenwoordig een rijksmonument.
Met zijn meesterwerk het Paleis voor Volksvlijt hield Cornelis Outshoorn zich bezig van 1857 tot 1864. Sarphati, de ‘Hausmann van Amsterdam’, was toen al vier jaar aan het soebatten met het conservatieve en onwillige gemeentebestuur voor zijn ‘Gebouw voor Tentoonstellingen en Openbare Inrigtingen van Kunsten en Wetenschappen te Amsterdam’.
Belangrijke inspiratiebron voor het Paleis voor Volksvlijt was het Crystal Palace van Joseph Paxton in Londen, uit 1850. Overal in grote steden — Parijs, München, Dublin, New York ¬— waren soortgelijke tempels ontstaan waar de vooruitgang van menselijke kennis en kunst werd gevierd. ‘Volksvlijt’ laat zich wellicht het beste vertalen als ‘nijverheid’, maar bedacht moet worden dat de ‘industriepaleizen’ van de 19de eeuw zich nadrukkelijk ook richtten op het toegankelijk maken van de kunsten. Met wat goede wil valt het Paleis voor Volksvlijt te beschouwen als voorloper van de RAI, het Stedelijk Museum, het Concertgebouw en Nemo tegelijk.
Outshoorn kende het Crystal Palace, al was het alleen maar omdat hij samen met zijn leermeester Conrad vergeefs had meegedaan aan de ontwerpprijsvraag ervoor (ze kregen één van de 70 eervolle vermeldingen). Bovendien waren er ooit enkele ontwerptekeningen uit zijn spoorwegtijd in Crystal Palace geëxposeerd.
Aanvankelijk werd ook voor het Paleis voor Volksvlijt een prijsvraag uitgeschreven, in 1856. Er kwamen tien inzendingen binnen, waaronder één van Outshoorn, die zijn ontwerp het motto "Het strekke tot roem van Nederland" meegaf. Geen van de ontwerpen viel in de prijzen, ook niet dat van Outshoorn, dat overigens in de verste verte niet leek op het uiteindelijke ontwerp. Hij kreeg wel een eervolle vermelding. Ruim een jaar later kreeg Outshoorn desondanks de ontwerpopdracht van de Vereeniging voor Volksvlijt; wat het bestuur daartoe bewoog is niet meer te achterhalen. Het had waarschijnlijk te maken met Outshoorns ervaring met grote ijzerconstructies bij de spoorwegen.
De bouw van het Paleis voor Volksvlijt begon op 7 september 1858 – de dag dat Nederland, en vooral Amsterdam, de 18de verjaardag van de onfortuinlijke kroonprins Willem vierde (1840-1879; hij stierf berooid zonder ooit op de troon te komen). Hoewel de bouw van het Londense Crystal Palace in zeven maanden was gepiept, ontrolde de bouwgeschiedenis van het Paleis voor Volksvlijt zich op typisch Amsterdamse wijze: als een aaneenschakeling van vergissingen, mislukkingen, meningsverschillen en wijzigingen, die zich zes jaar voortsleepte. Het project begon al met de nodige vertraging omdat Outshoorn tijdens een studiereis langs allerlei Europese tentoonstellingsgebouwen een zware ziekte had opgelopen.
Op 3 september 1863 werd op het hoogste punt het Victoriabeeld met verlichte toorts geplaatst. Bijna een jaar was nog nodig voor het interieur en op 16 augustus 1864 was de feestelijke opening. Geestelijk vader Sarphati werd bij die gelegenheid ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw; Outshoorn kreeg — of, misschien beter: werd afgescheept met — een gouden horloge. Later kreeg hij overigens alsnog een koninklijke onderscheiding. Outshoorn toonde zich onverbloemd trots op zijn schepping, wat opmerkelijk is omdat hij een uitgesproken bescheiden, verlegen man was, die zich nauwelijks gedroeg of kleedde naar de eisen van zijn maatschappelijke positie. Volgens A.C. Wertheim, die Outshoorn na zijn overlijden herdacht, leidde die karaktertrek ertoe dat Outshoorn zijn hele leven vaak miskend werd – gepest, misschien.
De bouwkosten, begroot op ƒ 1 miljoen, waren met ruim de helft overschreden, maar toen had Amsterdam ook een ‘industriepaleis’ dat door menigeen in binnen- en buitenland als mooiste ter wereld werd beschouwd. Niet door iedereen, trouwens. Niemand minder dan Multatuli hakte stevig in op die "enorme ruimte op de lelykst-mogelyke manier in glas en yzer gezet". De lijnen van het gebouw, vond hij, "vloeken en waggelen als beschonken nachtlopers".
Hoewel vijf keer zo klein als het Crystal Palace, was het Paleis voor Volksvlijt in het Amsterdamse stadsbeeld een ontzaglijk groot gebouw: het reikte maar liefst tot 62 meter hoogte. Vooral de grote koepel van 21 bij 13 meter was een bouwtechnisch huzarenstukje. Indrukwekkend was de hoeveelheid daglicht die het vele glas naar binnen liet vallen. ’s Avonds verlichtten 6000 gasvlammen het gebouw.

Tochtige zaal
De exploitatie van het Paleis voor Volksvlijt bleek al snel moeilijk. Sarphati’s hoog gegrepen idealen om het volk te voeden met kennis en kunst werden allengs soepeler gehanteerd, en al snel was amusement de hoofdmoot van het gebodene, wat de populariteit van het gebouw overigens geen kwaad deed. De Grote Zaal, waar het vervaarlijk kon tochten, was veel te groot voor concerten of toneelvoorstellingen en hooguit geschikt voor tentoonstellingen. Bij een van de vele verbouwingen die na Outshoorns dood werden uitgevoerd, werd deze dan ook gesplitst in een evengoed nog forse concertzaal en een dito schouwburg. Aan het einde van de 19de eeuw werd nog even overwogen het Paleis om te bouwen tot beursgebouw.
In de nacht van 17 op 18 april 1929 maakte een felle brand een einde aan het Paleis voor Volksvlijt. De oorzaak is nooit opgehelderd, en nog steeds wordt erover gespeculeerd – zou iemand de Vereeniging voor Volksvlijt hebben willen verlossen van een onmogelijk te exploiteren blok aan het been? De 6000 gaslampen hadden er niets mee te maken; die waren allang vervangen door elektrisch licht. Als enige doorstond de Galerij de rampzalige brand. Hoewel veel Amsterdammers deze beschouwden als een deel van het Paleis voor Volksvlijt, had hij daar in feite niets mee te maken. Hij werd na Outshoorns dood gebouwd in 1881 door Dolf van Gendt, die ook de erop lijkende gebogen winkelgalerij aan de Raadhuisstraat ontwierp. De Galerij werd tot veler verdriet in 1961 gesloopt om plaats te maken voor De Nederlandsche Bank.

Tekst: Sjaak Priester

September 2010

Powered by JReviews