Architect Dirk Roosenburg, 1887-1962 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 22, 2010    
4533   0   0   0   0   0

Amerikaanse weelde voor het Amsterdamse kantoorvolk

Een Amsterdamse architect is Dirk Rossenburg niet echt, maar hij ontwierp wel een voor de stad gezichtsbepalend gebouw van destijds ongekende hoogte aan de Apollolaan: de Rijksverzkeringsbank.

Wat in 1938 op de splitsing van de Apollolaan en de Stadionweg verrees was van on-Nederlandse allure. Het leek Manhattan wel: onwaarschijnlijk hoog boven het straatniveau waren silhouetten van bouwvakkers te zien die, spottend met hoogtevrees en de wetten van de zwaartekracht, over rood gemeniede stalen balken dansten. De ‘rode stalen massa’ op het strategisch gelegen diagonale vierkant in Berlages Plan-Zuid zou na het ‘twaalfverdiepingenhuis’ van J.F. Staal uit 1932 de tweede wolkenkrabber van de hoofdstad worden. Wie nu, een mensenleven later, het ‘Apollo House’ beziet, kan zich nauwelijks de opwinding van de vooroorlogse jaren voorstellen. Het gebouw heeft maar zes verdiepingen. Die zijn weliswaar uitzonderlijk hoog, waardoor het tot veertig meter boven het maaiveld reikt, maar bij ‘wolkenkrabber’ denken we tegenwoordig zelfs in Amsterdam aan iets anders. De huidige passant kan zich evenmin nauwelijks een beeld vormen van hoe het gebouw er bij de oplevering uitzag. Door latere verbouwingen is de belangrijkste schepping van Dirk Roosenburg (1887-1962) waarschijnlijk onherstelbaar verminkt. De Rijksverzekeringsbank, want daarover gaat het, was in 1939 werkelijk iets bijzonders – een stukje Amerikaanse weelde voor het Amsterdamse kantoorvolk.
De Rijksverzekeringsbank (na 1956 Sociale Verzekeringsbank) was opgericht om uitvoering te geven aan de Ongevallenwet van 1901. In de eerste paar jaar van zijn bestaan was de instelling gegroeid als kool. Lange tijd was de bank provisorisch gehuisvest in een aantal grachtenpanden en houten noodgebouwen, maar er kwamen nieuwe sociale wetten bij en die betekenden nog verder uitbreiden. Het was duidelijk dat Amsterdam iets moest doen om te vermijden dat de instelling de stad zou verlaten. Er waren veel politici die vonden dat de Rijksverzekeringsbank eigenlijk in Den Haag hoorde te staan, en ook Delft had een aantrekklijk aanbod gedaan.
K.C. de Bazel als H.P. Berlage hadden zich beiden al gebogen over een oplossing. De Bazel maakte in 1921 een ontwerp voor een groot kantoorgebouw op het toenmalige RAI-terrein aan de Ferdinand Bolstraat. Berlage situeerde de bank op de uiteindelijke locatie. De diagonale plaatsing ten opzichte van de omringende bebouwing was zijn idee. Roosenburg kreeg dat in 1935 bij de definitieve opdracht mee in het programma van eisen.
Dirk Roosenburg, de grootvader van Rem Koolhaas, had toen al een aantal belangrijke kantoorgebouwen vervaardigd. Voor Philips maakte hij onder andere het hoofdkantoor, de ‘Witte Dame’ (een fabriek voor radiobuizen), de industrieschool en een groot deel van het Natuurkundig Laboratorium. Niet voor niets is de tweejaarlijkse architectuurprijs van de gemeente Eindhoven naar hem vernoemd. In Heerlen bouwde hij het hoofdkantoor van de Oranje-Nassaumijnen (1931, na restauratie door Jo Coenen in gebruik bij de belastingdienst), en toen hij de opdracht voor de Rijksverzekeringsbank kreeg was hij bezig met het hoofdkantoor van de KLM in Den Haag (nu ministerie van Verkeer en Waterstaat). Roosenburg, een vriend van Albert Plesman, ontwierp trouwens ook het eerste beeldmerk van de nationale luchtvaartmaatschappij. Van zijn naoorlogse gebouwen zijn het Shell-kantoor in Den Haag en de ventilatietorens van de Velsertunnel het bekendst.

Pionier van de staalskeletbouw
Roosenburg een Amsterdamse architect noemen zou onjuist zijn. Weliswaar staat zijn belangrijkste schepping in Amsterdam-Zuid, maar hij woonde en werkte voornamelijk in zijn geboortestad Den Haag. Hij studeerde bouwkunde in Delft en oriënteerde zich daarna enige tijd in het buitenland. Hij begon zijn carrière in 1912, als bouwkundig tekenaar op het Amsterdamse architectenbureau van Jan Stuyt, die enige tijd de compagnon was geweest van Pierre Cuypers. In het jaar erop stapte hij over naar de Rijksgebouwendienst in Den Haag. Dat duurde maar een paar maanden, want Berlage, die zijn bureau net van Amsterdam naar Den Haag had verplaatst, trok hem aan. Twee jaar werkte hij daar met Jan Wils aan het ‘Holland House’ van de handelsfirma Müller en Co in Londen. In 1916 zette hij in Den Haag zijn eigen bureau op. In hetzelfde jaar werd Roosenburg benoemd als esthetisch adviseur van Rijkswaterstaat. In die nieuwe functie bouwde hij onder meer de uitwateringssluizen van de Afsluitdijk en het in zijn betonnen strengheid fraaie Gemaal Lely bij Medemblik.
Wie nu de gebouwen van Roosenburg beschouwt ziet er misschien niet veel bijzonders in: het lijken kantoren van dertien in een dozijn. Maar in de jaren dertig van de vorige eeuw was zijn architectuur zeer vooruitstrevend. Hij gebruikte moderne materialen, zoals beton en vooral staal, en was wars van ornamenten. In het interieur paste hij talloze nieuwe concepten toe: verplaatsbare wanden, indirecte verlichting, plafond- en vloerverwarming, airconditioning. Roosenburg wordt wel gezien als voorloper van het functionalisme en was in Nederland de pionier van de staalskeletbouw. De Rijksverzekeringsbank is daarvan een fraai voorbeeld, maar zijn mijnkantoor in Heerlen evenzeer. Roosenburg is waarschijnlijk zelfs de enige Nederlandse architect die een staalskelet in de woningbouw heeft toegepast, en wel voor zijn andere Amsterdamse project: vier woningen in de Landbouwstraat (Betondorp, 1925).
Roosenburgs kantoren waren in de eerste plaats comfortabel. Niet alleen voor de bazen, maar vooral ook voor de klerken. De Rijksverzekeringsbank had bijvoorbeeld uitzonderlijk hoge verdiepingen (bijna vijf meter) voor iedereen. De ramen waren kolossaal en konden open. Niemand zat op de tocht vanwege een vernuftig overdruksysteem en een uniek soort gepatenteerde voorzetramen. De zonwering was kunstig weggewerkt, en het gebouw was voorzien van een glazenwassersinstallatie die verder alleen in Amerika was aan te treffen. Voor arbeidsgeneeskundigen was de Rijksverzekeringsbank een schoolvoorbeeld: nergens werd gezonder gewerkt. En dan kwam het personeel nog op de fiets ook, want de bank was zo’n beetje de eerste grote werkgever met een fatsoenlijke stalling. Maar het sterkste punt van Roosenburgs schepping was zonder twijfel de vorm. Natuurlijk was de eerste gedachte om een groot blok neer te zetten, van pakweg vier verdiepingen hoog. Maar dan zouden zowel het personeel als de omwonenden gebrek aan daglicht hebben en zich opgesloten voelen. Roosenburg moest dus de hoogte in. Hij berekende de constructie zelfs zo dat er eventueel nog twee verdiepingen bovenop konden zonder dat omwonenden in de schaduw kwamen te zitten. Uit Delft kwam een professor in de grondmechanica om met geavanceerde meetapparatuur vast te stellen of de slappe Amsterdamse bodem zulke onbescheiden hoogbouw zou kunnen dragen. Waar later de computer het hart van een financiële instelling zou vormen, was dat in de eerste decennia van de vorige eeuw nog de kaartenbak. De Rijksverzekeringsbank gebruikte het Amerikaanse Adressograph-systeem en had bijna vijftig miljoen kaarten onder zijn hoede, opgeslagen in honderden kasten. De kaarten waren van metaal, en bij elkaar loodzwaar. Er was geen denken aan dat gewicht op te stapelen. Daarom bedacht Roosenburg voor het kaartarchief de karakteristieke lage ring om en door de hoogbouw heen, waardoor de toegankelijkheid optimaal zou zijn. In de hoogbouw liet hij bovendien een geavanceerde ‘aktepaternosterlift’ aanbregen.
Bij de opening van het gebouw op 20 november 1939 bejubelden de dagbladen ‘Amsterdams tweede wolkenkrabber’, met het beeldhouwwerk van Hildo Krop, de gebrandschilderde ramen van Joop Nicolas en de door het personeel geschonken wandschildering van Charles Eyck. Er werden bijnamen zoals “het Schip van Staat” en de “Toren van de Arbeid” bedacht. Maar de gevreesde architectuurcriticus J.P. Mieras miste een “architectonisch programma” en zag er vooral “ingenieurswerk” in. “Om méér uit te drukken dan de technische verwezenlijking van het zakelijk gestelde, zoals de ingenieur doet, is de dichterlijke visie van de architect nodig,” was nu eenmaal zijn standpunt. Ondanks zijn bezwaren vond Mieras de Rijksverzekeringsbank overigens toch wel “het werk van een persoonlijkheid”.

Onherstelbaar verminkt
Van dat werk is vandaag de dag niet veel meer over. Helaas is de Rijksverzekeringsbank in twee etappes van zijn karakter ontdaan. In 1968 kreeg het gebouw een nieuwe gevel van het Haagse architectenbureau LIAG – ironisch genoeg de voortzetting van Roosenburgs eigen bureau. Daarbij verdween de subtiele, bij voor- en achterbouw verschillende horizontale structuur. De ingewikkelde keramische betegeling werd botweg vervangen door vlakke stukken fantasieloos kantoormarmer, die ook nog eens gevoelig bleken voor vervuiling. Maar in 1993 maakte architectenbureau Habes het om de advocatenfirma Loeff Claeys Verbeke tevreden te stellen helemaal bont. Dat de ring werd afgebroken om een parkeergarage aan te kunnen leggen was nog tot daar aan toe, want hij werd naderhand vrijwel ongewijzigd weer opgetrokken. Maar de hoogbouw werd, waarschijnlijk onherstelbaar, verminkt. Er kwam een trappenhuis bij, ramen werden dichtgemaakt, er werd een extra verdieping gemaakt in een dubbelhoge werkruimte aan de voorzijde, en de riante verdiepinghoogte van bijna vijf meter werd door middel van verlaagde plafonds met maar liefst anderhalve meter teruggebracht. Wat eerst een lichte, open, gezonde en flexibele werkruimte was, werd omgebouwd tot de donkere vertrekken die de hedendaagse advocatuur ‘stijlvol’ vindt. Na zes jaar waren Loeff, Claeys en Verbeke uitgekeken op hun onderkomen in Amsterdam-Zuid en vertrokken ze, gefuseerd en wel, naar iets nóg representatievers in de buurt van de Zuidas. Inmiddels hebben weer andere advocaten, van Allen & Overy, zich over het gebouw ontfermd. Volgens Hielkje Zijlstra, die in september vorig jaar in Delft promoveerde op onder meer een analyse van de Rijksverzekeringsbank, is ‘respectloos’ met de kwaliteiten van het oorspronkelijke gebouw omgegaan. Zij signaleert een trend waarbij gebruikers zoals advocatenfirma’s, geholpen door willige verbouwingsarchitecten, kantoorgebouwen lukraak aanpassen en afdanken alsof het modieuze kledingstukken zijn.

Sjaak Priester
Maart 2006

Powered by JReviews