De Canon van Amsterdam (5) Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 17, 2010    
4146   0   0   0   0   0

Scholen doen weinig aan Amsterdam-kennis 052007_CanonIn 1981 trok de gemeente haar handen van de ‘heemkennis’ af. Scholen moesten er maar op eigen kracht mee aan de gang. Het Amsterdams Historisch Museum sprong in het gat en leidde ontelbare schoolklassen rond. Maar is de stadsgeschiedenis daarmee verankerd in het onderwijs op de hoofdstedelijke scholen?

Het vertrek van Jan Weggelaar als gemeentelijk consulent heemkennis in 1981 leverde bij de liefhebbers van de Amsterdamse historie gemengde gevoelens op. Er was bezorgdheid over het gat dat viel, maar van enige opluchting was ook sprake. Want al was Weggelaars gedrevenheid onnavolgbaar, zijn toon was duidelijk gedateerd geraakt. Dat was nog de toon van de wederopbouwjaren: van onbekommerde trots op ónze mooie oude stad, maar ook van geestdrift voor de onstuitbare vooruitgang: de uitbreidingen van onze haven, de frisse nieuwbouwwijken in Nieuw-West en Noord, de tunnels onder het IJ en de metro. Over de keerzijde daarvan zeurde Weggelaar liever niet.
En dat terwijl zowel de stedelijke politiek als de geschiedwetenschap vanaf de jaren zeventig in het teken stond van polarisatie. Voor een gezamenlijke canon was weinig plaats meer, toen in Amsterdam welhaast een ‘stadsoorlog’ losbrandde over de toekomst van het oude centrum (zie het artikel over 1975 elders in dit blad). Tegelijk kwam in de geschiedwetenschap een kritische jonge garde op, die vanuit het perspectief van de gewone man en vrouw de geschiedenis wilde herzien. Deze progressieve academici gingen onder meer hun stempel drukken op het Amsterdams Historisch Museum (in 1975 verhuisd naar de Kalverstraat).
Ook op buurtniveau kwam er aandacht voor de ‘geschiedenis van onderop’. Een wegbereider daarin was de Werkgroep VREK, opgericht in 1970. De naam stond oorspronkelijk voor Vrije Ekspressie Kinkerbuurt, maar al snel kreeg die expressie een inhoudelijke invulling: men wilde samen met de buurtbewoners uitdrukking geven aan het dagelijks leven in een arbeidersbuurt als deze. De groep ging nauw samenwerken met buurtscholen en breidde haar werkzaamheden uit naar andere 19de-eeuwse buurten. In 1977 begeleidde de VREK projecten op elf scholen en had ze losser contact met nog eens 24 scholen, die schriftelijk materiaal bestelden.
Het werk had inmiddels ook een stadshistorische component. Het jubileumjaar 1975 werd aangegrepen voor het opzetten van een Amsterdam 700-project, dat een heel andere toon had dan het hieraan gewijde werkboek van Weggelaar. In het VREK-materiaal werd de Amsterdamse geschiedenis verteld aan de hand van ‘gewone’ jongetjes uit verschillende periodes, die temidden van armoede en ander sociaal onrecht opgroeiden. “Ze roepen steeds maar dat onze Gouden Eeuw met al haar pracht en praal uitbuiting van velen door enkelen betekende – nou vraag ik je!” morde Weggelaar prompt in een kranteninterview.

Geen blakwannes
Maar op één punt volgde de VREK – zonder dat te weten – al snel Weggelaars lijn: de eigen buurt van de kinderen was het uitgangspunt voor de verkenning van de bredere geschiedenis. Als achtergrondmateriaal voor leerkrachten maakten de VREK-leden Wim Kuin en Gerard van de Burgwal in 1976 een vlot leesbaar boekje, Geen blakwannes!, over de geschiedenis van de Spaarndammerbuurt. Niet de architectuur, maar het buurtleven van de arbeidersbevolking stond daarin centraal, zoals de Houthaven, huurstakingen en de buurtvoetbalclub DWS.
Eind jaren zeventig ontving de VREK gemeentelijke subsidie, in concreto verleend door het Advies- en Begeleidingscentrum voor het lager onderwijs in Amsterdam (ABC). Niet toevallig was dit ook de werkgever van Weggelaar. Bij diens pensioen in 1981 wilde het ABC wel een nieuwe consulent heemkennis aanstellen, maar tegelijk wilde men met nieuwe activiteiten inspelen op het snel groeiende aantal allochtone leerlingen. Van extra geld kon echter geen sprake zijn, aldus B&W. Het ABC moest kiezen en dus kreeg Weggelaar geen opvolger. Wethouder Evert van der Wall betreurde dat niet, want “het onderwijs in de heemkunde zal op het niveau van de school zelf tot ontwikkeling moeten worden gebracht”. Helemaal ongelijk had hij niet. Weggelaar verzuchtte in zijn memoires dat de onderwijzers steeds minder betrokken waren en soms zelfs met een stapeltje correctiewerk de klas verlieten als hij binnenkwam. Maar dat het er zonder stimulans van buiten beter op zou worden, was wel erg optimistisch gedacht.

Kolossale legpuzzel
Er was wél een gemeentelijke instelling die in het gat sprong: het Amsterdams Historisch Museum (AHM). En daar waren de nieuwe inzichten in de geschiedwetenschap doorgedrongen, zodat onderwerpen uit de ‘geschiedenis van onderaf’ te zien waren in de tentoonstellingszalen. Voor het eerst klonken nu verhalen van gewone Amsterdammers uit de koptelefoons die de bezoekers konden opzetten. Het AHM richtte zich met zulke exposities ook expliciet op een jong publiek. “Aanvankelijk was onze rol bescheiden,” zegt Anneke van de Kieft die in 1978 in dienst kwam van de jonge Educatieve Afdeling. “Als een tentoonstelling af was, mochten wij nog even bedenken hoe die naar het onderwijs te vertalen was. Als we dan al een aardige draai wisten te verzinnen, bleek de expositie zelf veel te saai voor scholieren. Pas in de jaren negentig werden we van het begin af aan bij de opzet van tentoonstellingen betrokken.”
De lespakketten en rondleidingen voor schoolklassen waren aanvankelijk alleen opgehangen aan de wisselexposities. “Toen we de vaste opstelling gingen vernieuwen, hebben we meteen werk gemaakt van het aanbieden van algemenere en langer bruikbare lesmodellen en museumspeurtochten,” vertelt Van de Kiefts jongere collega Elvire Jansen, momenteel de drijvende kracht achter het scholenwerk. Als voorbeeld noemt ze het project Mijn stad, waarin leerlingen met behulp van een kolossale legpuzzel van de stadsplattegrond de plaats van hun buurt in de stad leren herkennen. En zo zijn er veel meer projecten, zowel voor het basis- als voor het voortgezet onderwijs: Oma’s tijd, Amsterdam in een flits, Een Dam in de Amstel, Aan de slag in de 17de eeuw.
Ook het Gemeentearchief en de Anne Frank Stichting produceren educatief materiaal waarin de Amsterdamse geschiedenis een hoofdrol speelt. De Anne Frank Stichting gaf twee stripboeken uit over de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging, waarin niet verwonderlijk Amsterdam een belangrijk decor is. Daarnaast is internet heel bruikbaar om scholieren te bereiken. Het Gemeentearchief en het AHM zetten al een paar jaar geleden de website Bronnen uit Amsterdam op, met interessante historische documenten rond thema’s als wonen, werken, politiek, hygiëne en onderwijs. En het Gemeentearchief lanceerde onlangs de site Buurt en stad, met (opnieuw!) de ambitie “jonge Amsterdammers te laten kennisnemen van de geschiedenis van hun stad, te beginnen in hun eigen buurt”.

Modegrachten
Maar wat doen de scholen met dit aanbod? Het aantal bezoeken van schoolklassen aan het Amsterdams Historisch Museum steeg sterk in de loop der jaren. Maar een telefonische rondvraag leert dat het vaak bij één bezoek blijft: een aardig uitje, dat los staat van de rest van het onderwijs. Veel hangt ook af van de belangstelling van de individuele leerkracht; diverse directies geven ruiterlijk toe geen beleid op dit punt te hebben.
Toch zijn er ook scholen die het echt van belang vinden dat hun leerlingen thuisraken in de geschiedenis van hun eigen stad. De leerlingen van basisschool De Burght op de Herengracht voerden drie jaar geleden het project Modegrachten uit, gewijd aan de vroeger zo prominente kledingindustrie in dit deel van de grachtengordel. Op de Anne Frank-basisschool in de Uiterwaardenstraat was Amsterdam vorig jaar het thema van het jaarlijkse schoolbrede project. Twee weken lang bouwden de leerlingen maquettes, bezochten musea, bekeken de stad vanaf het dak van het torenhoge Okurahotel, interviewden toeristen in het Engels, verzorgden lessen plat-Amsterdams (!), zongen Amsterdamse liedjes en zochten (met hulp van ouders, internet en boeken) antwoorden op vragen als: Hoe heeft de stad zich uitgebreid? Hoe komt de stad aan haar naam? Wat voor verschillende gevels zijn er? Wat betekent de naam van mijn straat? Spelenderwijs kwamen daarbij allerlei schoolvakken aan bod.
De ASVO-school op het Frederiksplein was onlangs in de ban van een soortgelijk project, Reis om de ASVO in drie weken, over het cultureel erfgoed rondom de school. Ook hier werd een maquette gemaakt, werden ouders en grootouders ingezet, musea bezocht. En er werd weer ouderwets gewandeld, langs de ‘knakenpaal’ (sculptuur van André Volten op het Frederiksplein), de Magere Brug en het Huis met de Bloedvlekken, de woning van de aan het eind van zijn leven krankzinnig geworden burgemeester Coenraad van Beuningen. “Het leukst vond ik het Huis met de Bloedvlekken,” mailt Myrd Schenk (11), “omdat dat zo spannend klonk. Het leukste in de musea vond ik die kamer in het Rembrandthuis waar al zijn verzamelingen hingen: slangenhuiden, tijgerhuiden, geweien, oude schilden en wapens.”

Niet zo heldhaftig
Ook in het voortgezet onderwijs is de mate waarin Amsterdam een plaats krijgt in het onderwijs sterk afhankelijk van de individuele belangstelling van docenten. In het vwo lijkt die interesse het meest structureel. Ondertussen zijn in de afgelopen decennia inhoudelijk nieuwe accenten gelegd. De Tweede Wereldoorlog kreeg bijvoorbeeld meer aandacht en werd anders belicht. In het lesmateriaal van Weggelaar figureerden al de Februaristaking en de spreuk die Amsterdam na de oorlog van koningin Wilhelmina mocht toevoegen aan het stadswapen: ‘Vastberaden, heldhaftig, barmhartig’. Maar pas met de verschijning van Pressers boek Ondergang (1965) begon de echte verwerking: de omvang van het drama werd velen toen pas duidelijk, en ook dat het met die heldhaftigheid niet steeds was meegevallen. Antisemitisme en racisme werden weer actuele vraagstukken, ook door de toestroom van immigranten vanaf ongeveer 1970.
Het opduiken van de multiculturele samenleving in lesmateriaal en tentoonstellingen was dan ook een andere accentverschuiving. Het Amsterdams Historisch Museum bracht in 1985 de spraakmakende tentoonstelling Allemaal Amsterdammers (over immigratiegolven door de eeuwen heen) en de Werkgroep VREK kwam in 1982 en 1985 met lespakketten over fascisme en racisme. De komst van zovele immigranten had trouwens ook gevolgen voor het oude didactische concept van het uithoren van de eigen ouders en grootouders, of van de kruidenier op de hoek. Kruideniers bestonden ineens niet meer en die familieleden waren nieuwkomers in Amsterdam. Dat betekende echter niet dat allochtone scholieren alleen belangstelling hadden voor hun land van herkomst. Uit een onderzoek van het AHM in 1995 bleek dat allochtone en autochtone kinderen even geïnteresseerd (of ongeïnteresseerd) waren in de Amsterdamse geschiedenis. Veel belangrijker bleek de vraag hoe ver ze van de binnenstad af woonden.
De afgelopen kwart eeuw is de bevordering van de Amsterdam-kennis zeker niet stil komen te liggen. Maar op talloze scholen wordt er niettemin bar weinig aan gedaan, en waar het wel gebeurt heeft het vaak een incidenteel karakter. Welke scholieren weten dat het Paleis op de Dam ooit het stadhuis was? Of dat de Waag is gebouwd als stadspoort? En wat móet iedereen eigenlijk weten van de stadsgeschiedenis? Daarover meer in ons zomernummer!

Tekst: Peter-Paul de Baar
Mei 2007

Powered by JReviews