De Canon van Amsterdam (4) Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 17, 2010    
4418   0   0   0   0   0

De gloriejaren van de heemkennis

In geen andere periode had de bevordering van de Amsterdam-kennis zó de wind mee, als in de jaren vijftig en zestig. Reizende tentoonstellingen, speurtochten en een jaarlijks ‘stedekennistoernooi’: het kon niet op! Het maandblad Ons Amsterdam bediende de volwassen belangstellenden, op de scholen werd de gedreven ex-bouwvakker en nu ‘heemkennis-consulent’ Jan Weggelaar een geliefde verschijning.

In 1950, een jaar nadat het gelijknamige maandblad het licht zag, verscheen het boek Ons Amsterdam – De historische ontwikkeling van Amsterdam. Een kloeke uitgave, geschreven door drie auteurs, die zorgvuldig waren geselecteerd op hun deskundigheid en didactische ervaring, maar niet minder op hun levensbeschouwelijke achtergrond. Er werd duidelijk gezocht naar een afspiegeling van de nog hevig verzuilde Amsterdamse samenleving. J.C. van der Does was “Oud-Leeraar aan een Chr. Hogere Burgerschool”, J. de Jager “Oud-Hoofd ener Openbare School” en A.H. Nolte “Lerares aan het Rooms-Katholiek Lyceum voor Meisjes”. Daaraan had overigens kunnen worden toegevoegd dat Agnes Nolte sinds 1948 tevens Tweede-Kamerlid was voor de Katholieke Volkspartij.
In zijn inleiding toont onderwijsinspecteur Piet Hoogland (mede-opsteller van de eerste ‘Amsterdamse canon’ van 1946) zich blij noemt het “een verheugend verschijnsel” dat “in brede lagen der bevolking” de belangstelling groeit voor de Amsterdamse geschiedenis, getuige onder meer de initiatieven van het Genootschap Amstelodamum en de jonge Gemeentelijke Commissie Heemkennis.
En hij stelt vast dat daarover dat al veel geleerde boeken zijn geschreven. Maar: “Door velen werd het gemis gevoeld aan een boek van niet te grote omvang, dat toch de geschiedenis der stad volledig weergeeft, van haar ontstaan tot aan de huidige tijd, dus ook van het moderne Amsterdam. (…) Het zal de belangstellende burger in kennis moeten brengen met de het verleden van de stad zijner inwoning, het zal de onderwijzer en leraar tot gids dienen te zijn, het zal de rijpere jeugd in nauw contact moeten brengen met het verleden en met het heden.”

Dikke turf
De drie auteurs verdeelden de stof naar hun belangstelling. Het lag voor de hand dat Nolte de katholieke Middeleeuwen zou behandelen. De gereformeerde orangist Van der Does beschreef onder meer het “geestelijk leven in de 17e eeuw” , “Amsterdam onder Duitse terreur”, “Na de bevrijding” en het slothoofdstuk over “troonsafstand en inhuldiging”. De onkerkelijke De Jager nam de meeste andere hoofdstukken voor zijn rekening.
In zijn voorlaatste hoofdstuk kon Van der Does het niet laten om een breed gevoelde ongerustheid te etaleren. Tegen het einde van de oorlog waren veel scholen noodgedwongen lange tijd dicht gebleven. Dat was “fnuikend voor de vorming” van de kinderen, bromde de auteur. “De geregelde afwisseling van onderwijs en vrije tijd was veranderd in een bijna altijd verstoken zijn van onderwijs, iets wat de jeugd wel lag, doch dat bij het ontbreken van speel- en sportgelegenheid aanleiding gaf tot baldadigheid en in het ergste geval tot criminaliteit”. Hoog tijd dus voor een nieuw opvoedingsoffensief, met speciale aandacht voor de bevordering van de liefde voor de eigen stad.
Of dit boek daarbij nu een voortreffelijk hulpmiddel is geweest, valt intussen enigszins te betwijfelen. Vergeleken met de acht monumentale delen van de Amsterdamse geschiedenis van prof. Hajo Brugmans, was het een zeer bondige tekst, maar toch was het met z’n 460 dichtbedrukte pagina’s een behoorlijke turf. Dat scholieren zelf het boek met rode oortjes lazen, lijkt niet waarschijnlijk. Wel zal menige onderwijzer er informatie uit geput hebben.
De gemeentelijke onderwijsvernieuwingscommissie die in 1946 verslag uitbracht, had ‘heemkennis’ bewust niet tot apart schoolvak willen maken; wel gaf het een lijst van Amsterdamse thema’s die aan bod konden komen in vooral de geschiedenis- en aardrijkskundelessen. Hoe zinnig die visie ook was, het niet dwingende karakter van hun ‘canon’ en de onhandzaamheid van het boek uit 1950 zullen er toe hebben geleid dat op heel wat scholen de onderwijzers er in hun eigen lessen weinig raad mee wisten.

Puzzeltocht
Gelukkig bood de Gemeentelijke Commissie Heemkennis ruimschoots de helpende hand. Die bestond uit hotemetoten uit vele gemeentelijke instellingen, die eens per maand vergaderden. Maar het echte werk werd gedaan door een ‘bureau’,dat in het stichtingsjaar 1945 nog alleen bestond uit secretaris Henk van Laar, oud-onderwijzer, voormalig jeugdleider bij de rode AJC en dirigent van het VARA-kinderkoor De Roodborstjes. Het werk dat hij zich graag aanhaalde groeide hem al snel boven het hoofd – maar gelukkig kende AJC-collega Jan van Halm nog een jongeman die hem zou kunnen helpen: ene Jan Weggelaar1. Die was in 1916 geboren in de Willemsstraat. Na de ambachtsschool was hij onder meer tegelzetter, fietsjongen, kistenmaker, kantoorbediende, dijkwacht en tuinman geweest; toen Van Laar hem in 1946 ontdekte, was hij (inmiddels 30 jaar) magazijnchef bij de vereniging Volksherstel op de Raamgracht.
Zijn Amsterdam-liefde had hij vooral opgedaan als lid van de Arbeiders Jeugd Centrale. Die organiseerde in 1932 in Bellevue op de Leidsekade een tentoonstelling over Amsterdam, begeleid door tentoonstellingen en lezingen. Een van de sprekers was wethouder De Miranda, zoals Weggelaar zich levenslang zou herinneren. “Hij boog zich voorover, zette zijn bril af en riep met stemverheffing: ‘Als je eenmaal het water van de Amstel hebt gedronken, raak je het nooit meer kwijt. Ik dank u!’” Jan was diep onder de indruk. In 1937 werkte hij actief mee aan een AJC-puzzeltocht en in 1946 mocht hij die zelf ontwerpen.
Zo kwam hij bij Henk van Laar terecht. Die had wel schik in hem, nam hem serieus en gaf hem veel vrijheid. Samen maakten ze tentoonstellingen (soms reizend) over Amsterdamse bomen, molens, de haven, vlinders, de Jordaan en de destijds nog razend populaire Hollandse walvisvaart, en regelden ze op aanvraag excursies naar Het Rembrandthuis, Museum Amstelkring, de Hortus en de Waag (toenmalig onderkomen van het Amsterdams Historisch Museum). Overigens was het duo ook vele dagen bezig met het handmatig adresseren van de duizenden exemplaren van Ons Amsterdam; pas na twee jaar mocht daarvoor een machine worden aangeschaft.

Te chique bureaustoel
Bij het organiseren van de tentoonstellingen en excursies maakte Weggelaar kennis met C.Th. Mahieu, destijds hoofd van de Cabotschool op de Admiralengracht. Die vroeg hem om in de aardrijkskundeles voor de zesde klas een praatje over Amsterdam te komen houden. Dat sloeg in. Drie stukjes in de schoolkrant volgden, en toen een rondvaart met rederij Boekel, vanaf de school de hele stad door. Toen Mahieu kort daarop hoofd werd van de Beatrixschool in Geuzenveld, kregen Weggelaars Amsterdam-lessen daar een structureel karakter. Om de veertien dagen kwam Weggelaar de leerlingen over de stad vertellen, of sleepte hij ze mee, de stad in. Hij liet ze hun buurt zien vanaf het dak van het GAK-gebouw op het Bos en Lommerplein, en vervolgens de hun nauwelijks bekende binnenstad vanaf de Westertoren. Dat maakte indruk: “Je zal er maar aflazeren, meester!” Mahieu zong intussen Weggelaars lof bij collega’s. Het aantal door hem bediende scholen werd groter en groter.
Met de gemeentelijke ambtenarij had Weggelaar intussen een moeizame relatie. De kantoorkrachten van de Gemeentelijke Commissie Heemkennis vielen aanvankelijk onder de afdeling Secretarie, daarna onder Onderwijs. Voor iedere kleinigheid was toestemming van een reeks van superieuren nodig. Maar het kon nog erger. Zo maakte rond 1950 ‘het stadhuis’ bezwaar tegen het feit dat Weggelaar op het Heemkenniskantoor op de Willemsparkweg op een verkeerde bureaustoel zat. “Die stoel had twee leuningen en die waren bestemd voor de armen van een hoofdcommies en niet voor die van een bureelambtenaar. Bovendien was de zitting van een geribde stof en ook daarin zat dat graduele verschil”, schrijft hij cynisch in zijn memoires. Maar Weggelaar liet niet over zich lopen – en na zijn pensioen mocht hij de stoel mee naar huis nemen.
Mede op advies van oud-onderwijzer Van Laar ontwikkelde hij al snel zijn eigen didactische concept. Hij begon zo dicht mogelijk bij de leerlingen zelf. Die liet hij allereerst een plattegrond van hun klaslokaal tekenen, en inplakken in hun werkboek. Hij deelde vervolgens een ‘blinde kaart’ uit van hun schoolgebouw, waarvan ze de verschillende lokalen mochten benoemen. Dan kwamen de straten rond de school aan de beurt. Weggelaar verklaarde bijvoorbeeld de straatnaam en duidde allerlei zichtbare details die iets over het verleden vertelden. Als er een belangrijk bedrijf in de buurt gevestigd was, regelde Weggelaar een excursie. Maar voordat ze bijvoorbeeld de Rioolwaterzuivering bezochten, confronteerde Weggelaar de jongens en meisjes met de vraag wat ze dachten dat er gebeurde met de poep die ze dagelijks doortrokken. Daar hadden ze eigenlijk nog nooit over nagedacht – en in ieder geval leverde de vraag steevast veel hilariteit, dús aandacht op. Zo ‘veroverden’ deze rondreizende meester en zijn talloze leerlingen op den duur de hele stad, eerst die van hun eigen tijd, daarna die van vroeger.
Weggelaar was er een meester in allerlei bedrijven en instellingen tot medewerking te bewegen. Eerst wilde de GAK-directie bijvoorbeeld niks weten van een schoolexcursie naar het dak; het kantoorpersoneel zou daardoor te veel worden afgegeleid. Maar dat veranderde prompt toen Weggelaar erop wees dat door al het heikabaal tijdens de net voltooide bouw de rapportcijfers op de naastgelegen Bos en Lommerschool significant waren gedaald. Schuldbewust stemde de directie in met wel zestien excursies (met ijsjes na)!

Donkere wolken
Intussen drong de heemkennis ook door tot de middelbare scholen. Ditmaal nam het Inititiatief Comité Amsterdam het voortouw, het notabelengenootschap dat al sinds 1934 de Sinterklaas-intocht in Amsterdam organiseerde. Op 15 mei 1951 organiseerde het ICA voor het eerst een ‘Heemkennis-Tournooi’ in het City Theater, waar onder leiding van de bekende journalist en heemschutter Ton Koot 900 middelbare scholieren probeerden plekken in de stad te herkennen van ‘lichtbeelden’. Dit ‘Stedekennistoernooi’ werd een jaarlijkse traditie, die tot kort na 1970 voortbestond. In de jaren zestig liet ook Weggelaar zich ook een paar keer inschakelen; de laatste keer verzorgde hij een complete rondvaart, waarna de scholieren ( ditmaal in de Marinekazerne op Kattenburg) vragen moesten beantwoorden over wat hij onderweg had aangewezen. Het toernooi was een succes, maar de nazit beviel Weggelaar minder. “De sfeer van de ICA-heren was niet bepaald mijn sfeer en zeker niet als ze ‘op de goede afloop’ enige zorgvuldig uitgezochte flessen wijn uit de kelder haalden en die natuurlijk ook ledigden.”
Toen in 1971 de Gemeentelijke Commissie Heemkennis werd opgeheven, kwam Weggelaar als ‘consulent heemkennis’ in dienst van het Advies- en Begeleidingscentrum voor het lager onderwijs (ABC). Echt wennen deed hij daar nooit. De viering van ‘Amsterdam 700’ in 1975 beleefde Weggelaar nog als een hoogtepunt. Hij maakte er een speciaal werkboek voor: Amsterdam 700. Een historische zevensprong. Maar al kort daarop trokken zich boven zijn werk donkere wolken samen. Weggelaar kreeg (als producent van lesmateriaal) concurrentie van ‘maatschappijkritische’ jonge honden die zijn toon veel te braaf en belegen vonden. En de gemeente (nog steeds zonder sluitende begroting) begon al dat historische gedoe als dure luxe te beschouwen. Toen Jan Weggelaar in juni 1981 met pensioen ging, werd hij massaal gehuldigd in de aula van de hem zo vertrouwde Beatrixschool en reikte loco-burgemeester Louis Kuijpers hem namens de gemeente de gouden speld van verdienste uit: een uitzonderlijke onderscheiding. Maar de vreugde daarover werd sterk overschaduwd door het al uitgelekte bericht dat zijn vacature niet vervuld zou worden. De onderwijzers moesten het maar weer zelf gaan doen.
Weggelaars afscheid was het einde van een tijdperk.

Tekst: Peter-Paul de Baar
April 2007

Powered by JReviews