De Canon van Amsterdam (3) Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 15, 2010    
4899   0   0   0   0   0

Heemkunde en de Amsterdam-canon van 1946 Al voor de Tweede Wereldoorlog was het geklaag niet van de lucht dat Amsterdammers te weinig wisten van hun eigen stad. Zeker scholieren moesten nodig worden bijgespijkerd. Na de bevrijding ging de gemeente deze taak op zich nemen. Zo ontstond in 1946 de eerste Amsterdam-canon. Én, niet lang daarna, het blad dat u nu in handen heeft.

Dat de jonge geschiedenisleraar Jacques Presser in 1931 zijn leerlingen van het Vossius Gymnasium testte op hun stadskennis (zie ons vorige nummer) en dat het Genootschap Amstelodamum vervolgens lesmateriaal ging uitbrengen, stond niet op zichzelf. Deze initiatieven pasten in een nieuwe mode: de heemkunde alias heemkennis. En die wortelde op haar beurt weer in de iets oudere Heemschutbeweging. Het woord ‘heem’ staat nog altijd in de Van Dale, al wordt het nog maar zelden gebruikt. Het betekent “besloten erf rond een boerenwoning”, maar breder gezien: “huis, woonplaats”. Het moderne begrip leefomgeving komt aardig in de buurt van de voornaamste betekenis die het destijds had: de eigen buurt, het eigen dorp, de eigen streek; en soms werd het begrip opgerekt tot het eigen vaderland. En dat alles in zeer brede zin: als tastbare, maar ook als culturele en sociale gemeenschap.
Daarbij ging het allereerst om – zoals dat nu liefst genoemd wordt – het culturele erfgoed, waaronder men naast tastbare monumenten ook de volksverhalen en volksgebruiken schaarde. Geschiedenis én folklore dus. Maar een tweede pijler van de koestering van het ‘heem’ was kennis van de natuur in de eigen omgeving. De huidige heemtuinen en heemparken zijn er nog altijd de vrucht van.
Achterliggende gedachte, ook herkenbaar in de toen opkomende nieuwe wetenschap der volkskunde, was dat ieder volk – en daarbinnen weer iedere regio – een zeer herkenbaar en eigenlijk in diepste wezen onveranderlijk karakter had. Het gezamenlijk beleven daarvan droeg bij aan de gemeenschapzin, een mateloos populair begrip in de jaren dertig. Helaas ontaardde die passie voor het samen doorleefde eigene nogal eens in angst voor ‘de anderen’, voor ‘vreemde smetten’. Maar met het basisidee was niks mis: in ieders omgeving is wel wat moois en waardevols te vinden en daar mag je best een beetje trots op zijn – zodat je er met z’n allen goed voor zorgt. Waardoor je ook weer beter op elkaar gaat passen. Die gedachtegang is zelfs weer razend actueel.

Bond Heemschut
De ‘heem-hype’ begon eigenlijk al met de oprichting van de Bond Heemschut, in 1911. In de laatste decennia van de 19de eeuw was de nette burgerij nog geheel in de ban van de modernisering: al die stinkgrachten moesten gedempt en in de opbloeiende stad verdiende het verkeer ruim baan te krijgen. Maar rond 1900 groeide het besef dat daar grenzen aan waren – mede door het al opkomende toerisme. Fransen, Duitsers, Engelsen en vooral Amerikanen bleken die grachtjes en geveltjes juist enig te vinden, en dat zette aan het denken.
De net voorkomen demping van de Vijzelgracht in 1901 gold als een keerpunt. De Bond Heemschut ontstond daarna als overkoepeling van een aantal oudheidkundige, kunstzinnige én toeristische verenigingen om het erfgoed van het ‘heem’ overal in Nederland te beschutten. Maar wil dat slagen, dan moet je wel weten wát er te beschutten valt. De bevordering van de kennis over ieders heem was dan ook een logisch vervolg.
Aan die heemkunde kende men ook uit pedagogisch oogpunt veel waarde toe. Het paste prachtig in het door de bekende pedagoog Jan Ligthart gepropageerde ‘aanschouwingsonderwijs’ en ‘zaakonderwijs’. Dat eerste ging ervan uit dat kennis beter blijft hangen als onderwijzers in hun lessen inspelen op eigen waarnemingen van kinderen. Juist de eigen omgeving met monumenten, dijken en molens bleek prachtige aanknopingspunten te bieden voor geschiedenis- en aardrijkskundeonderwijs dat uitging van de eigen beleving. En de heemkunde paste ook prachtig in het ‘zaakonderwijs’ (in de jaren zestig herleefd als projectonderwijs): het verbinden van de verschillende vakken door een thema centraal te stellen, bijvoorbeeld de boerderij.
De volkskundigen en heemkundigen waren dol op de tradities van het onbedorven boerenleven, maar ook in de stad schoot de beweging wortel. Zo entameerde de landelijke Commissie voor Volkskunde in 1938 een tentoonstelling in het Amsterdamsch Lyceum op het Valeriusplein, ingericht door de leerlingen zelf, met aandacht voor monumenten én de stadsnatuur. Toch bestond op de meeste Amsterdamse scholen weinig aandacht voor al deze nieuwigheden, die vooral door particulieren werden gedragen.

Valse start in 1941
Niettemin begon het bij het gemeentebestuur ook te kriebelen. Dat bleek al heel even in 1930, toen B&W een commissie instelden onder leiding van Hajo Brugmans om een geïllustreerd boek over Amsterdam voor het onderwijs samen te stellen. Brugmans was al tientallen jaren hoogleraar geschiedenis en bovendien voorzitter van Amstelodamum. Maar door de intredende economische crisis kwam niets van het plan terecht.
Elf jaar later pakte men de draad weer op, zij het niet op een ideale manier. In januari 1941, al kort na zijn aanstelling door de Duitse bezetters, stelde de foute burgemeester Vôute op Duits intiatief een Gemeentelijke Commissie voor Heemkunde in. Zelf was hij geen uitgesproken antisemiet, maar feit was wel dat de heemkunde in deze jaren onder invloed kwam van aanhangers van de ‘eigen volk eerst’-ideologie. Des te opmerkelijker is de samenstelling van de commissie: niet alleen uitgesproken nationaal-socialisten kregen er zitting in, maar ook enkele mensen die bekendstonden als ‘goede vaderlanders’ of die zelfs links georiënteerd waren: onderwijsinspecteur en SDAP-veteraan Piet Hoogland, onderwijzer Henk van Laar van de Arbeiders Jeugd Centrale, de non-conformist Ton Koot van de VVV, de christelijk-socialistische volkskundige Piet Meertens, de avant-gardist Willem Sandberg, conservator van het Stedelijk Museum, en Artis-publiciteitsman A.F.J. Portielje.
Mogelijk wilde de burgemeester door hun benoeming een al te nazistische invulling van de heemkunde voorkomen. De genoemde leden hebben na de oorlog de verontschuldiging aangedragen dat ze ervoor wilden zorgen dat de commissie zo min mogelijk deed – en dus ook zo min mogelijk fout deed. Vaststaat dat er inderdaad weinig gebeurde. Eind 1945 bliezen B&W de commissie nieuw leven in, onder de naam Gemeentelijke Commissie Heemkennis. Aan de voorafgaande commissie wilde men sindsdien niet graag meer herinnerd worden.

Verfrissing
Doel van de nieuwe commissie was alle Amsterdammers, zeker in die wederopbouwjaren, intensief bij het wel en wee van hun stad te betrekken. Hoewel de voorzitter bijna steeds een professor was, lag de praktische leiding bij de secretaris, de onstuitbare oud-onderwijzer Henk van Laar (1898-1955), behalve als AJC-kopstuk ook bekend als leider van AJC-kinderkoor ‘De Roodborstjes’. Op het kantoor van de commissie werd hij al snel bijgestaan door zijn AJC-pupil Jan Weggelaar. Samen maakten ze reizende exposities (over stadsschoon, de natuur, de haven, Schiphol, molens) en zetten ze speurtochten uit. Weggelaar gaf bovendien verkeersles en leidde onvermoeibaar scholieren rond door de Waag op de Nieuwmarkt. Ook gaf de commissie een populaire serie boekjes uit over onderwerpen als Vondel, gevelstenen, het stadhuis op de Dam of carillons; deze uitgaven waren vooral op een volwassen publiek gericht. En ten slotte kwam er (Van Laars grote droom) in januari 1949 zelfs een eigen maandblad: Ons Amsterdam!
Maar intussen bleef het onderwijs, en dan vooral de lagere scholen, speerpunt bij de verspreiding van heemkennis. Zoals gezegd paste dat wonderwel in het streven naar onderwijsvernieuwing. De onderwijsinspecteur Piet Hoogland, vanaf 1941 lid van de bovengenoemde dubieuze commissie, was al in april 1939 door wethouder Emanuel Boekman benoemd tot voorzitter van een commissie die hierover advies uit moest brengen. In 1946 presenteerde hij zijn eindrapport over Verfrissing van het onderwijs op de openbare lagere scholen.
Rode draad daarin was dat men moest waken voor “eenzijdig intellectualisme” en de beleving een plaats moest geven. Bovendien diende de school “gezond nationaal gevoel” te bevorderen en op te voeden tot “democratisch staatburger”. Hoe? Door uit te gaan van de eigen omgeving van het kind. Heemkennis zou dus meer aan bod moeten komen in de lessen. “Het kind dat zich aangetrokken voelt tot de eigen stad en dat de voornaamste gebeurtenissen der historie van de eigen omgeving kent én werkelijk heeft doorleefd, zal met een ontvankelijk gemoed tegenover onze eigen cultuur staan. Dan zal het tot onze taak behoren het kind niet alleen te wijzen op onze eigen taal, onze eigen historie en onze eigen kunst, maar ook deugden aan te wakkeren die (al zijn ze gelukkig niet tot Nederland beperkt) karakteristiek zijn voor het beste in de Nederlandse geschiedenis.” Zoals: verdraagzaamheid en gemeenschapszin!
“Zonder zelfingenomenheid en zelfverheerlijking zullen we de jeugd wijzen op de grote figuren van ons Nederlandse volk, hetgeen niet zeggen wil dat de internationale figuren buitengesloten dienen te blijven. Immers: de waardering van onze nationale goederen betekent allerminst een afwerende houding tegenover het goede, geboren in een wijder kring dan die van eigen land, zoals ook de liefde voor ons eigen Amsterdam geen afbreuk doet aan de opvoeding tot lid van de grote Nederlandse gemeenschap, maar veeleer daar de voedingsbodem van is.”

Compleet leerplan
Voor de kennis van Amsterdam diende volgens de commissie in het Amsterdamse onderwijs “een belangrijke plaats te worden ingeruimd”. Al was het niet de bedoeling er een apart vak van te maken. “Aan de leerlingen moet liefde worden bijgebracht voor de stad hunner inwoning: ze moeten haar historie kennen, ze moeten de schoonheid beseffen van haar grachten en haar monumentale gebouwen, ze dienen Amsterdam te kennen als de levende handelsstad, ze dienen te leren waarderen de schoonheid der natuur die ook de grote stad met haar naaste omgeving biedt. Vooral bij het onderwijs in aardrijkskunde, geschiedenis en kennis der natuur dient hieraan volle aandacht te worden geschonken.”
Daarna wordt het pas echt aardig, want het rapport schetst een compleet leerplan voor het Amsterdam-onderwijs: een lijst van te bespreken onderwerpen, compleet met didactische tips. Zeg maar: de eerste echte canon van Amsterdam! Die lijst begint bij Amsterdams eerste plattegrond, de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthonisz (“niet echt het begin”, maar didactisch wel een mooie start), gaat dan terug naar de Middeleeuwen en bespreekt vervolgens de Tachtigjarige Oorlog met de protestantse machtsovername van 1578 (de ‘Alteratie’). Daarna gaat het gezwind door met de 17de-eeuwse stadsuitbreidingen en de architectuur van die dagen (“met afbeeldingen toegelicht gaat dit niet boven de bevatting der leerlingen”), de 17de-eeuwse handel (“een geweldig onderwerp voor wel 10 lessen!”), de 18de eeuw (die in de toelichting terecht als minder suf wordt aangemerkt dan vaak gedacht), de Franse Tijd, de 19de-eeuwse opleving en de moderne tijd. Sluitstuk was natuurlijk “Amsterdam gedurende de Grote Wereldoorlog”.
Daarmee konden de Amsterdamse onderwijzers aan de slag!

Tekst: Peter-Paul de Baar
Maart 2007

Powered by JReviews