De zwerftocht van Pien Franssen Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Februari 21, 2014    
2189   0   0   0   0   0

"Het 's-Gravenhekje was mijn toplocatie"

Toen Pien Franssen (geboren in 1970) drie jaar geleden in Amsterdam kwam wonen, koos ze bewust voor tijdelijke en avontuurlijke adressen. Ze was aangesloten bij een landelijke anti-kraakorganisatie en kwam zo op de vreemdste plekken terecht. En op de mooiste: het ’s-Gravenhekje heeft haar hart gestolen.

“De Vrije School in Zutphen. Dankzij die school misschien wel heb ik nooit op een kamer gewoond, nooit op een kamer willen wonen. Ik moet ruimte hebben en toen ik vier mensen uit mijn klas in de eigenaardigste panden zag wonen, heb ik me ook aangemeld bij de HOD, de Huishoudelijke Oppasdienst, oftewel een anti-kraak-bewoningsorganisatie.
Anti kraken ben ik absoluut niet, want het is aan de eisen van de krakersbeweging te danken dat men oog heeft gekregen voor de schandalig langdurige leegstand van gebouwen. En bij gratie van de krakers zijn instellingen als Zwefkei, Ad Hoc, HOD en nog een paar kleinere organisaties ontstaan die aan huislozen onderdak bieden als anti-krakers. Dus tegen krakers ben ik in de verste verte niet. Ik heb het aan hun initiatieven te danken dat ik op de mooiste plekken van Amsterdam heb gewoond. Ruim behuisd ook. Op mijn achttiende ging ik van huis. De Vrije School vond me nog niet gedisciplineerd genoeg voor VWO-a, maar ik dook toen wel een prachtig Zutphens souterrain in, met tuin en een schitterende rozenstruik. Ik had daar alle vrijheid die ik wilde, alleen geen herenbezoek en geen onderbroeken aan de lijn. Twee jaar later haalde ik mijn VWO-a en omdat ik wou reizen, zocht ik een baan om te kunnen sparen. Op de Rijnboot kon ik terecht. Vanaf mijn zestiende werk ik in de horeca (begonnen bij Van der Valk!) en die Rijn op en af verdiende goed. Maar het meisje met wie ik zou gaan reizen, haakte af en ik ging psychologie studeren in Nijmegen. Geen leuke stad. Ik woonde in een Zutphense steeg, waar we met een hele groep in voormalig gekraakte arbeiderswoninkjes woonden en van die studie maakte ik helemaal niks. In 1994 ging ik over op Nederlands en dan in Amsterdam.

Peter van Anrooystraat
De HOD beschikte over het Anrooygebouw in de Peter van Anrooystraat. Een voormalig advocatenkantoor schuin tegenover het Spinoza Lyceum, met een lengte van bijna de hele straat. We hadden daar de grootste badkamer van Amsterdam: in de ondergrondse parkeergarage had de HOD voor ons een douchecabine middenin die gigantische ruimte geplaatst, heel koud en heel unheimisch. Boven de parkeergarage lag het kantinegedeelte, waar twee van ons woonden.
We hadden een marmeren entree en we zaten daar met veertien man in totaal, onder wie nog altijd mensen van mijn klas. De tweede verdieping was eigenlijk overbevolkt, vonden we, met vijf bewoners. Ik woonde op de vierde verdieping, hoek Dina Appeldoornstraat, en daar heb ik de Amsterdamse wolkenluchten leren kennen. Schitterend uitzicht met alleen de Aegon-toren [aan de Strawinskylaan-red.] als ruimtevervuiler. Aan de andere kant op ‘mijn’ verdieping zat David. Een joodse Amerikaan die bezig was een boek te schrijven over het Jan Bik-bordeel. Hij had net in Zuid-Afrika gezeten, waar hij een boek over piloten schreef en nu woont hij in Antwerpen, in de stetl, en schrijft er een boek over orthodoxe joden. Een figuur apart.
Ik had een keuken en onze verdieping had twee wc-groepen. Die enorme etage was leeg, op David en mij na. Nynke-van-de-begane-grond kwam een keer op de fiets bij me langs. Van alle ruimtes op vierhoog gebruikte ik er twee. Om naar de wc te gaan moest ik bijna een minuut lopen. Daar wen je wel aan, maar in het begin vergis je je toch in die afstand. Het gebouw werd slecht verwarmd. Alleen aan de kant waar geen zon was, brandden de radiatoren, dus we zaten allemaal met elektrische kachels te stoken als gekken. De buurt zelf was uitermate saai. Alleen die wilde scholieren van het Spinoza, vol lippenstift en rare kleurtjes in hun haar, brachten wat leven in het wijkje. Ik had wel een fiets, maar ik sprintte liever de Parnassusweg over naar het Olympiaplein voor lijn 24. Dat is de tram van mijn opa. Die is tien jaar lang conducteur op de 24 geweest. Ik ben dol op de tram.
De eerste vier maanden heb ik hard gewerkt voor mijn studie, die ik trouwens droog en saai vond, in de weekends ging ik naar mijn vriendje in Zutphen en voor de eerste tentamens zakte ik. Er was ook wel heel veel gebeurd: de dood van mijn vader, relatie na ruim twee jaar stuk en dan ook nog zakken. Ik ben uiteindelijk gestopt en ging werken voor Interview. In maart 1995 moesten we Anrooy uit en kregen we een oude mavo in Purmerend toegewezen. Dat is een nadeel van HOD: het is landelijk gespreid. Ook mooi met kloosters in het oosten van het land, maar Purmerend! Ik heb me meteen laten inschrijven bij Schrader & Schrader, omdat die voornamelijk in Amsterdam opereren. David en ik naar Purmerend, een school met 30 douches waarvan er geen een werkte. Ik sliep onder een schoolbord.

’s-Gravenhekje
We hadden gezegd dat we maar heel tijdelijk wilden oppassen, dat we bovenaan de lijst moesten staan mét twee sterretjes. En verdomd, na twee weken kwam ’s-Gravenhekje 1B in de aanbieding. De aller-, aller-, allermooiste plek van de stad. Daar heb ik mijn 25ste verjaardag gevierd. Daar heb ik het allermooiste uitzicht op het IJ gehad (nu verpest door het nieuwe museum op de IJtunnel). Daar ging ik buiten op een pijler zitten en werd ik door wildvreemden meegevraagd voor boottochtjes. Begane grond (1A) werd bewoond door een kleinzoon van de eigenaar, maar over 1B mochten wij ons ontfermen. We stormden met vier man het pand in: de een wilde dit, de ander wilde dat. Enorm groot, echt enorm. Ik wilde de tweede verdieping, een ruimte van 25 bij 25 meter, schat ik, met zeven toegangen. Ergens in de verte stond mijn bed en ergens in de verte een bank met wat boeken en ergens een tafel en ergens een gasfornuisje. Mijn spiegel van twee bij twee meter viel er volkomen in het niet. Het was er vrij laag en donker, met schitterende balken. De luiken konden niet open, want die zaten echt dichtgeteerd. Met harde hand en voet hebben we die open weten te krijgen, waardoor we zicht kregen op de Oudeschans en de Montelbaanstoren. Nu zitten er ramen in, maar wij hadden toen alleen die luiken. Behoorlijk koud dus.
Het gebouw was van justitie geweest en het stond propvol met stellingen. In totaal was er veertien kilometer plankenruimte, waarvan ik in vier dagen drie kilometer voor mijn rekening heb genomen. Daarna is er een professionele ruimdienst bijgehaald. Het was er waanzinnig stoffig. Van dat vettige stof, dat je nauwelijks weg krijgt. Ik had er een wc met een fonteintje met koud water. Meer niet. Toen heb ik de verrijdbare keuken uitgevonden met een tafel op wielen. Vaak afwassen deed ik er niet. Een enkele keer en dan heel veel.
De telefoonaanleg was nog een reuze toestand, met draden door het hele gebouw. Nergens mocht een schroefje in de muur, omdat het een monument is. Dat geldt trouwens voor al die gebouwen. Niks schroeven of timmeren. Om iets op te kunnen hangen, word je aardig vindingrijk. Een kledingrek voor je kleren, touwtjes over leidingen en buddies (van die roze ‘kauwgom’). In de Anrooy waren tegelplafonds. Twee optillen en een touwtje over het raamwerk waarop die tegels rusten. Op het ’s-Gravenhekje nam ik vanwege al het stof een tentkast in plaats van een kledingrek. Vier keer heb ik die hele vloer geschrobd, maar als er boven gelopen werd, zag je het stof zo naar beneden dwarrelen, dus daar ben ik mee gestopt. Dit was dus wel mijn toplocatie. Naar Albert Heijn op de Nieuwmarkt tussen mannequins, junkies en hoeren bij de kassa. De cafés. Middenin de nacht een rol koekjes halen in de rosse buurt. Het was er echt fantastisch. Zo’n omgeving heeft invloed op je. Je bewustzijn wordt anders, je gaat anders denken, anders bewegen, sprookjesachtig.

Herengracht, Koningslaan
Na vier maanden was de droom afgelopen. We moesten eruit en er was niets in Amsterdam. Ik kreeg een villa in Hilversum op de Groest. Nee! Dametjes in tenniskleding – vreselijk. Ik heb mijn spullen in de villa gezet en ben bij Sara in de Van Hogendorpstraat gaan wonen. Dat is mijn vluchthuis, bij Sara kan ik altijd terecht en die Groest…
In september werd ik godzijdank opgeroepen voor Herengracht 40. Ik heb de grond gekust voor het Centraal Station dat ik weer echt in Amsterdam kon wonen. In tegenstelling tot het ’s-Gravenhekje kwam ik nu in een prachtig hoge ruimte terecht. Hoge ramen, licht en in de hal een balkonnetje met gipsen rozetjes, waar ik met een jongen uit mijn klas Romeo en Julia speelde. Toen we opeens zonder water kwamen te zitten, hebben we emmers water bij buurman Hans van Mierlo gehaald. De vorige bewoners schenen iets met de betaling fout te hebben gedaan. Aardige buurman trouwens. Mijn verdieping, eenhoog, was de laatste die verkocht werd. Zes ton, casco, inclusief een monumentenkamer uit 1820 met hoge schilderijen, waaraan dus niets mag worden veranderd.
Na een half jaar moest ik eruit, het was weer maart. Er is iets merkwaardigs met maart. Omdat er niets voorradig was nam ik voor vier maanden een etage over in de Rustenburgerstraat. Ik zat er nog geen week of ik kreeg Koningslaan 46 aangeboden. Toen leek ik het schip in te gaan, maar gelukkig vond ik iemand die de Rustenburgerstraat van me overnam (ƒ 700 per maand) en kon ik voor 235 gulden (HOD begon met ƒ 125, maar dat is in rap tempo opgetrokken) de Koningslaan betrekken. Beeldhouwwerk langs de trappen, op eenhoog, waar ik zat, een gebeeldhouwde schoorsteen in de ‘laankamer’ waar we diners gaven, de ‘parkkamer’ met zicht op alles wat het Vondelpark te bieden had en op tweehoog het majestueuze balkon. Ik deed seizoenswerk in café Vertigo, dat ik vanaf dat balkon kon zien liggen. Overdag liep ik vrij kwiek het park door en na mijn dienst strompelde ik door het Vondelpark terug. Verder is het een buurt van niets met bureaus, kantoren en hotels.
Maar het werd maart 1997 en we moesten eruit. Uiterst lullig.
De HOD moest het pand overdoen aan Schrader & Schrader en was verantwoordelijk voor verwijdering. Al mijn bidden en smeken of ik nog zes weken mocht blijven zitten liep op niets uit. Woedend was ik. Schrader & Schrader kende me, ik stond al twee jaar op hun wachtlijst, en die paar werken werden me niet gegeven! Volgens mij is het kinnesinne tussen de anti-kraakbewegingen.
Volkomen onnodige chaos voor een korte periode, want op Hemelvaartsdag zou ik samen met Ilan naar Israël vliegen. Hij om te promoveren in de filosofie en ik naar de kunstacademie in Jeruzalem voor keramiek. (Mijn pleegmoeder heeft een eigen pottenbakkerij in Warnsveld, waar ik al veel gemaakt en geleerd heb.) Als aanstaande daklozen hebben we toen maar al onze spullen vast naar Israël verscheept, en toen…kreeg Ilan een beurs aangeboden in het Amerikaanse Buffalo. Daar word je toch niet goed van? Hadden ze ons laten zitten, dan was die boedel niet de verkeerde kant opgegaan.
Tijdens onze huwelijksreis hebben we het huisraad maar weer van Israël naar Amerika gestuurd. Eind april zijn we gratis getrouwd (tussen 8.45 en 9.15 uur) en voor de ƒ 275 gulden die we zo uitspaarden, hebben we ontbeten in het Amstelhotel. Ik hou van ruimte.”

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
September 1997

Powered by JReviews