De zwerftocht van Dick Ernst Claassen Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Februari 14, 2014    
2804   0   0   0   0   0

"Als je maar vraagt, krijg je van alles voor elkaar:

Als Sint Nicolaas spreekt hij jaarlijks op de Dam de burgemeester toe, terwijl hij als scholier al burgemeester D’Ailly voor de schoolkrant interviewde. De zwerftocht van oud-raadslid Dick Ernst Claassen, in 1938 geboren in Oud-Zuid en via de Wallen-buurt neergestreken in het Beethovenkwartier, opgetekend door zijn zus.

“Mijn vader hield me tegen. ‘Daar is de oorlog juist voor geweest: dat je mensen die zich niet kunnen verweren nooit mag aanvallen.’ Ik wilde vanaf ons balkonnetje op tweehoog een geranium naar beneden gooien toen daar Duitsers, krijgsgevangenen en foute Nederlanders met losse schoenen en slobberige kleren door onze straat werden afgevoerd. Zijn opmerking maakte erg veel indruk op me en ik propte die plant terug in de bak. Een jaar of zeven was ik.

Lomanstraat
Een paar jaar later werd ik voor andersoortig smijtwerk door mijn vader tot de orde geroepen. Samen met mijn broers had ik aardappelen liggen kogelen vanaf de vensterbank van ons slaapkamerraam op de derde verdieping van Lomanstraat 54. Mijn aardappel was precies in de soeppan gekomen van de man met de bakfiets: ‘Soep, soepie prima, lekkere soe-oep.’ Een voltreffer. De volgende dag moest ik met een pan naar beneden om soep bij hem te kopen. Met een sigaar en met mijn excuses.
Er waren in die tijd allerlei straatverkopers en vensters: de voddenman (‘Ouw kleer t’koop – vodduh!’), de orgelman, het duo pianist/violist, dat de piano op een bakfiets had staan, en de Centenman. Die liet voor een cent alle kinderen uit de buurt zingen, dansen of de Zevensprong doen, op de hoek van de Lomanstraat en de Des Prés (waar in de oorlog gaarkeuken was). Gewoon midden op straat, op de kinderhoofdjes, tussen de hoge platanen. En niet te vergeten De slagroomwafelman. Als we aan tafel zaten en we hoorden de bel, zaten we allemaal  te kijken of papa, aan het hoofd van de tafel, zijn portemonnee zou trekken. Negen slagroomwafels, dat was ƒ 2,25. Ik herinner me nog precies de weeë geur in die dichte, door een paard getrokken wagen, met hoge ramen en een carbidlamp. Zo’n dikke man met een poedersuikerzeef, een spuitzak en dan het wafelplateau waarop vier en nog eens vier en tenslotte de laatste slagroomwafel werden gestapeld. Op vrijdagavond als de bel ging, trok ik aan het lange touw waarmee op de benedenetage onze voordeur met een trekstang werd geopend. ‘Boterboer!’ De man met bakfiets uit Landsmeer, bij wie we tien pakjes margarine en een pakje roomboter kochten. En vlak voor Pasen twee plateaus met eieren, altijd link om die drie trappen op te dragen.
Op ons plat aan de achterkant konden we via de kolenkist op het dak komen, wat absoluut niet mocht. Maar op zondagmiddag gingen we soms met drie, vier of vijf kinderne het dak op om over het grind, tussen allerlei draden en (radio)antennes door, tot aan de Amstelveenseweg te lopen, waar we op ons buik lagen te kijken naar de drommen mensen die het Olympisch Stadion verlieten over de hele breedte van de weg, alsof er geen verkeer bestond.
Op dat dak hebben we ook staan kijken naar de voedseldroppingen en ik was ervan overtuigd dat alle piloten ons zagen zwaaien en hun duim opstaken. Mijn vader haalde ons ongerust binnen en even later plofte een groot pakket op ons dak, waardoor in onze slaapkamer, de jongenskamer, het stro van het plafond door de kalk heenstak. Wij dachten dat het pakket voor ons was, maar daar was geen sprake van. Dat moest worden ingeleverd. Het bovenhuis in de Lomanstraat, waar we met ouders en zeven kinderen woonden, is tot mijn 25ste jaar mijn woning geweest. Op kamers gaan toen ik van school kwam, kon eenvoudig niet. Voor een beurs kwamen we niet in aanmerking, omdat het salaris te hoog was en extra huren voor al die in Amsterdam studerende kinderen was een te zware belasting. Daardoor is het heel lang een vol huis gebleven, waar altijd alles kon. Waar negen mensen eten, kunnen ook twaalf mensen eten, redeneerden mijn ouders, dus schoven vrienden én vreemden aan de lange tafel aan. Zat ik bij het Holland Festival naast twee heren die ik niet kon verstaan, dan sprak ik ze aan in het Engels en de volgende dag aten ze bij ons. Een beeldhouwer en een schilder uit Noorwegen. Of een Amerikaan die ik rondleidde (studenten-baantje via de ASVA). Hij vond de gevels erg mooi, maar wat zich achter die gevels afspeelde vond hij veel interessanter. Dus mee naar huis voor het eten. Met zijn zevenen (de twee oudsten waren al weg) werden we vervolgens door hem in het net geopende Hilton-hotel onthaald op een diner met verschrikkelijk veel champagne.
Het Hilton-hotel werd gebouwd naast het uitgebrande Muzieklyceum aan het Albert Hahnplantsoen. In dat gebouw kreeg ik vanaf mijn achtste jaar vioolles van Louis Metz, altviolist van het Concertgebouworkest. Dankzij die leraar heb ik heel wat repetities in het Concergebouw bij kunnen wonen: ik meldde me gewoon bij de portier van de artiesteningang, zei dat ik een afspraak met de heer Metz had en ging in een donker hoekje van de zaal zitten luisteren.
Na de christelijke lagere school in de Titiaanstraat deed ik het Gereformeerd Gymnasium aan de Keizersgracht. Heen fietste ik meestal door het Vondelpark en over de Passeerdersgracht door de lucht van Klene’s dropfabriek, terug door de Spiegelstraat via het Rijksmuseum. Daar parkeerde ik mijn fiets onder de bogen en deed met mijn scholieren-museumkaart even een of twee zalen. Toen ik alles gezien had, heb ik toegang tot de kelders gevraagd om de voorraden te mogen bekijken.
Als je maar vraagt, krijg je van alles voor elkaar. Zo ook bij de solistenkamer van het Concertgebouw. Ik zei gewoon: ‘Mag ik de solist even spreken?’ en tegen Kim Borg, David Oistrach, Jascha Heifetz en weet ik wie nog meer had ik voor onze schoolkrant de standaardvraag: ‘Wat heeft u te vertellen aan de jeugd? Wat betekent muziek voor de jeugd? De portiers kenden me wel, want ik vond het altijd heel interessant om daar binnen te lopen. Zo sprak ik na het Heifetz-concert de nieuwe Amerikaanse ambassadeur. Ik vroeg hem of hij die hobo ook zo mooi had gevonden en vertelde hem vervolgens dat die hoboïst Haakon Stotijn was, die voor de Amerikaanse tournee geen visum had gekregen omdat hij communist was. Die keer werd ik met zachte hand uit de solistenkamer verwijderd.

Spinhuissteeg
Tijdens mijn rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam – de hele klas ging door naar de Vrije, maar ik niet – kon ik een kamer krijgen in de Spinhuissteeg. Een collegevriendje ging trouwen, had een huis gekocht en vroeg me hem bij de verbouwing te helpen. Boven, op de tweede verdieping, kon ik een kamer krijgen van vier bij 2,5 meter en twee meter hoog. De gevel leunde zo ver naar voren dat ik via een zijraam net de toren van de Zuiderkerk kon zien. Langs het plafond liepen vijf balken met de hoogte van een pocketboek, dus daar hing 50 meter pockets. Het was om de hoek van de Oudemanhuispoort en voor het college van kwart over negen kon ik om negen uur mijn bed uitkomen.
Van 1963 tot 1971 heb ik daar gewoond, dus ook ten tijde van het huwelijk van Beatrix.Dat was ook de tijd van ‘de pyromaan’. De buurt werd geteisterd door brandstichtingen en toen er doden waren gevallen, zijn we met een man of vijf gaan patrouilleren. Ook op de Wallen. Het was een heel onheilspellende sfeer en de buurt besloot de trouwerij te gaan boycotten, omdat de politie geen of nauwelijks aandacht schonk aan dit rampgebied. We hebben toen via het secretariaat van Prins Bernhard om een bezoek van de prins gevraagd, wat hij ook gedaan heeft, omringd door politie in burger. En het aardige van dat bezoek is geweest dat de buurtbewoners de ‘stillen’ herkenden. De politie hield de buurt dus wel in de gaten, maar niet geüniformeerd.

Kromme Waal, Willem Royaardsstraat
Tijdens mijn studie, die aan elkaar hing van baantjes (souvenirshop, babysitten, autowassen), werd ik vaste klant van café ’t Hoekje, op de hoek Oude Waal/Lastageweg, jammer genoeg afgebroken voor de metro. Hier kwamen buurtbewoners, kunstenaars en studenten samen bij tante Nel en oom Piet. Tante Nel maakte de allerlekkerste gehaktballen van de wereld, er werd zeer intensief geflipperd en eindeloos gediscussieerd. Ik herinner me een tafeltje waar de toneelbewerking van Kees de jongen ter sprake was, waar we fel tegen waren. Aan het tafeltje achter ons zat de bewerker, Gerben Hellinga, die zich bij ons voegde met de vraag waarom we ertegen waren. Uiteindelijk bleek dat we de confrontatie met Rosa Overbeek niet aandurfden. Iedereen had zo zijn eigen fantasiebeeld van dit meisje en dat wilden we niet ingevuld zien.
Aan ’t Hoekje heb ik mijn volgende woning te danken. Een stel dat ging verhuizen, droeg mij voor en in 1971 had ik een eigen huis op de derde etage van Kromme Waal 22. Een hele serie trappen naar een zolderverdieping met wc en douche, een aparte keuken en een slaaphoek in de kamer van vier bij zes meter. Op loopafstand van het Havengebouw waar ik inmiddels werkte, maar ik verplaatste me bij voorkeur in mijn Fiat 600.
Na twee jaar op een advocatenkantoor was ik adjunct-secretaris van de Scheepvaart Vereniging Noord geworden, waar ik permissie kreeg om deze baan te combineren met het raadslidmaatschap. Van 1974 tot 1982 zat ik in de VVD-fractie, wat in het begin enigszins ingewikkeld was, omdat de vrouw met wie ik wilde samenwonen niet in Amsterdam zat en als raadslid dien je in je gemeente te wonen. Het laatste jaar Kromme Waal sliep ik buiten de stadsmuren, maar bij ons huwelijk kwam zij met haar twee kinderen naar Amsterdam en betrokken we het huis Willem Royaardsstraat 16, in een rustig stukje stad. Voor de ouderavonden van de kinderen gingen we naar de Openluchtschool in de Cliostraat en ik kon in de verste verte niet vermoeden dat ik ooit met een andere vrouw in diezelfde Cliostraat zou komen te wonen.

Herengracht, Cliostraat
Mijn raadstijd heb ik een fantastisch interessante periode gevonden. Spannend ook. De metrodebatten, de bezetting van het Indonesisch consulaat, de inhuldiging van Beatrix (‘Geen woning, geen kroning’). Als het stadhuis weer eens afgegrendeld was, verdween ik tijdens schorsingen in mijn Fiat 600. Ik vroeg de portier om de voetgangersingang open te doen en daar kon ik precies tussendoor.
Tijdens m’n tweede termijn in de raad liep mijn huwelijk uit op een scheiding. Als noodwoning betrok ik de derde verdieping van Herengracht 407, uitkijkend over de Leidsegracht. Niet in het meest optimale humeur, maar een schitterend punt natuurlijk. Na een jaar kon ik een woning in de Cliostraat krijgen en voor de zekerheid checkte ik dat even aan het thuisfront. ‘Lekker dichtbij,’ zie mijn stiefzoon, dus dat was oké. Van 1981 tot 1993 heb ik in Cliostraat 43 gewoond, maar mijn vrouw – in 1988 ben ik opnieuw getrouwd – en ik begonnen zo genoeg te krijgen van de naastliggende CV-kelder met pompen en hitte dat we in 1993 een paar huizen opgeschoven zijn. Een identiek huis, maar dan gespiegeld en zonder lawaai.
Wat ik zeker ook als woning zou willen betitelen, is het Havengebouw, de prachtige Dudok-constructie aan het IJ waar ik 27 jaar heb gewerkt. De totale renovatie heb ik geregeld, Ed van Thijn verrichtte de heropening in 1992, en ik kan wel zeggen dat ik daar heb gewoond. En met liefde. Door reorganisatie binnen de scheepvaartvereniging heb ik vorig jaar afscheid genomen, maar dat gebouw houdt mijn hart. Nu ben ik ambteloos burger met een aantal functies, waarvan ik zeker het adviseurschap Sail 2000 wil noemen. Daar wordt nu al ontzettend hard aan gewerkt en ik ga er maar vanuit dat mijn moeder weer vooraan zal staan. Geboren in de Kalverstraat, in 1907, heeft ze alle Sails van dichtbij meegemaakt. Een door en door Amsterdamse – ik heb het van niemand vreemd.

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
Maart 1997

Powered by JReviews