De zwerftocht van Donald Jones Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Februari 14, 2014    
3863   0   0   0   0   0

Nog altijd in de Jordaan

Voortdurend wordt het verhaal van Donald Jones (1932), gezeten in de zon op het terras van Kalkhoven op de Westermarkt, onderbroken. Iedereen ziet de acteur-danser-zanger en spreekt hem aan. Jones ziet ook iedereen en praat of zwaait terug. Aan de overkant van de brug, aan de andere kant van de tramrails, loopt Timmy. “Timmy!” Zwaaien. “Dat is my baby. Zo’n schat van een vrouw.”

“In 1957 kwam ik hier voor een weekje. De groep waarmee ik gedurende tweeëneenhalf jaar door Europa had getoerd, spatte uiteen en voordat ik terug zou gaan naar New York wilde ik nog even een paar mensen zien in Amsterdam. We hadden hier opgetreden in Carré en dan krijg je altijd adressen voor als je nog eens in Amsterdam komt. En Amsterdam vond ik een schoonheid, ik vond het een soort wonderland. Geen zwervers, geen daklozen, geen hondenpoep. Het was hier schoon. Je kon van de straat eten.
Ik nam mijn intrek in hotel Koning in de Tweede Helmersstraat. Toen ik de trap op wou, kwamen er net een paar in het zwart geklede Griekse vrouwen naar beneden, die gehaast een kruisje sloegen toen ze mij zagen. De zwarte duivel, dachten ze misschien. ‘Hé, aardige man,’ roept de man van de fotowinkel verderop. ‘Ze zijn goed geworden, hoor. Uitstekend werk.’ Zwaaien. Een van de adressen die ik had gekregen, was dat van Henk van Ulsen. Hij introduceerde me bij Sieto Hoving, die mij meteen vroeg voor zijn cabaret Tingel Tangel. We traden op in de Beethovenstraat, in Lion D’Or, op een hoek, waar je een trapje op moest. Sieto en Marijke Hoving, Henk van Ulsen, Maya Bouma, Dini de Neef, die na korte tijd tot onze schrik (en ons verdriet) plotseling overleed, en ik.

Jacob Obrechtstraat, Michelangelostraat
Henk van Ulsen vond dat hotel van mij in de Tweede Helmersstraat maar niks en bood mij woonruimte aan in zijn huis in de Jacob Obrechtsstraat, een vriendelijke, maar beschaafde, vrij saaie buurt. Zwaaien en lachen tegen een belangstellende voorbijganger. ‘Nee, ik ben zijn broer.’
Hoelang ik bij Henk heb gezeten weet ik niet, maar de volgende woning was in de Michelangelostraat. Nummer 24, gek genoeg weet ik dat nog wel. Een enig huis vol conservatoriumstudenten. Overal werd muziek gemaakt. Piano, blazers, strijkers – heerlijk huis. Intussen had ik Adèle leren kennen. Zij repeteerde in Tingel Tangel met Albert Mol en ze had toen kort, rood haar. Net Lucy Ball. We hebben ons samen rot gelachen. ‘Hé, derde keer vandaag al hè?’ zegt hij tegen een vader met kinderwagen en kind aan de hand. ’t Ga je goed.’ Zwaaien.

Leidsekade, Weteringschans
Met Adèle ging ik op de Leidsekade wonen, het roemruchte huis van Tanja. Tanja was de moeder van Ingrid Valerius, maar wij noemden haar de moeder van het Leidseplein. Iedereen kwam daar over de vloer: Maxim Hamel woonde er met Ingrid, Ramses Shaffy, Jetty Wagenaar en Rob – iedereen die op het Leidseplein hoorde, kwam bij Tanja.
Adèle en ik woonden er op zolder tot we op de Weteringschans gingen wonen. Nummer geen idee, maar wij bleven de kinderen van het Leidseplein en dat plein was van ons. Harry Mulisch, Hans van Mierlo, Wim Wagenaar, Rijk de Gooyer, Johnny Kraaykamp. (Johnny lag een keer stomdronken in de goot van Reijnders en Adèle wist dat hij moest werken. Ze heeft hem mee naar huis genomen en we hebben hem met bad en eten weer bij zijn positieven gebracht.)
Dat pleintje, waar nu de ijsbaan is, was van ons. Als we niet hoefden te werken, waren we daar om te zuipen en te praten, mensen te ontmoeten, elkaar te versieren. Eylders, The Old Inn en The Blue Note, Lucky Star en de Bamboo Bar, een straatje verder. Dan dat ding van François Dekker, die inmiddels overleden is. Kom…Le Fiacre. Alles kwam daar: homo’s en straights. François was een soort Eddie Constantine – fantastische man. En waar we elkaar uiteindelijk ook altijd weer tegenkwamen, was in ’t Sterretje. Vierentwintig uur per dag open, op een splitsing vlakbij het oude Waterlooplein, waar nu een groot bouwgat is. Bij ’t Sterretje stonden zulke boys als uitsmijters.
‘Wat ga je doen?’ vraagt hij een tiental vrouwelijke dertigers in witte, versierde t-shirts die op hem afstormen. ‘Ga je trouwen ofzo? Doe dat niet, doe dat niet. Ga toch samenwonen.’ Dat doet ze al zeven jaar. ‘Doe het niet. Als je gaat trouwen, lig je niet meer met z’n tweeën in bed, dan ligt er een ambtenaar tussen.’ Adèle en ik zijn getrouwd voor de gein. Niet zwanger of iets – gewoon uit liefde en voor de lol. We lachten en zwierden door de stad, dus in een romantische bui riepen we dat we gingen trouwen. Samen in een koetsje, maar middenin het Vondelpark moesten we eruit. ‘Afgelopen,’ zie de koetsier en wij gillend van de lach lopend het park weer uit, naar het Leidseplein. ‘Ga niet,’ adviseert hij drie vrouwelijke veertigers die opgewonden aan Donald ‘Dinky’ (Pension Hommeles) Jones komen vertellen dat ze naar Tina Turner gaan. Hij vertelt waarom ze niet moeten gaan en enigszins beteuterd druipen de dames af. Tina Turner en Frank Sinatra heb ik afgeschreven. Toen Mandela in de gevangenis zat, was er een internationale boycot van Zuid-Afrika. Niemand trad daar op behalve Tina Turner en Frank Sinatra. Sinatra – ik was een fan van hem. Ik verpestte mijn stem door hem na te doen, maar toen ik hoorde dat hij de boycot negeerde, heb ik al zijn platen weggedaan.
‘Toedeloe! Kijk nou toch,’ zegt hij over een kind op een driewielertje, dat op het zebrapad worstelt met de stoeprand. Kinderen zijn te gek. Ik ben stapelgek op ze. Op de BBC hoorde ik kortgeleden een programma waarin het profiel van de pedofiel werd geschetst. Ik schrok me rot: daar paste ik precies in. Dat was ik! Ook altijd aandacht voor kinderen, grapjes maken. Een buurmeisje bij mij aan de overkant noemt me altijd Bruine Opa. Ik schrok echt, omdat ik misbruik van kinderen het ergste van het ergste vind. Ik weet toevallig zelf wat het is.
Een bovenraam wordt opengeschoven. ‘Word je al een beetje bruin?’ vraagt de oudere Jordanese, vragend om haar serenade. Donald Jones springt op van zijn stoel om haar toe te zingen.

Sarphatistraat, Zoutsteeg
Ik had John altijd op mijn schouders. Zoals hij, zie je hem? Zo liep ik altijd met John door de stad. Zulke afro-haren had ik, waar hij zich met twee handjes aan vasthield. Na de Weteringschans zijn Adèle en ik in de Sarphatistraat gaan wonen, tegenover de laatste tramhalte vóór het museum. Hoe heet het, Tropenmuseum, en vandaar verhuisden we naar de Zoutsteeg, boven schoenwinkel Van Haren. Daar werd John-John geboren. Leuke buurt. Duiven voeren op de Dam en lekker dicht bij het station.
Openbaar vervoer – altijd. Ik ben een potentiële spookrijder. Autorijden kan ik absoluut niet. Als ik een rol krijg als motorrijder wordt de motor op een plateau gezet, want ik ben een gevaar op de weg. Ik kan het niet. Terwijl John nu ook nog zijn helikopterbrevet heeft gehaald. ‘Nee, sorry,’ antwoordt hij een fietser die vraagt of Jones hem nog kent. ‘Zeg even waarvan. Ik ontmoet zoveel mensen, ik weet het echt niet meer.’
Ik zeg nu gewoon dat ik het niet meer weet. Vroeger riep ik meteen ‘ja natuurlijk’ maar je loopt altijd vast als ze door gaan praten. Ik was bang dat ik mensen beledigde, wanneer ik ze niet herkende, maar daar maak ik me nu niet druk meer om. Ik kom ook wel erg veel rare, maffe mensen tegen. Dan sta ik op de tramhalte en daar vraagt een keurige man: ‘Meneer Jones? Donald Jones? Gaat ú met de tram?’ Of als ik met twee boodschappentassen naar huis loop, vraagt een dame: ‘Heeft u niet iemand die dat voor u kan doen?’ En als ze je niet meer op de televisie zien, denken ze dat je niet meer bestaat. ‘Hé, hoe is het met u?’
Nou, ik maak het heel goed. In december zeven optredens als Master of Ceremony in een portret van Ira Gershwin, samen met Mathilde Santing, Denise Jannah en Ernst Daniel Smit. Ira heeft altijd in de schaduw gestaan van zijn broer, George Gershwin – een prachtige tekstschrijver. ‘Hallo,’ begroet hij de oudere Italiaan van het niet meer bestaande Rozengracht-restaurant Ferro, die met een volle boodschappenmand langsschommelt. In rap Italiaans vraagt Jones wanneer hij eens mag komen eten. Hij de ingrediënten, de kok aan het fornuis.

Bloemdwarsstraat
Waar zijn we? Na de echtscheiding ben ik in de Bloemdwarsstraat gaan wonen. Tijdelijk. Een leuk huis, weer vol muzikanten: drummer, pianist, saxofonist – klassiek en jazz – maar ik had die woning als een soort uitvalsbasis. Veel weg, vriendinnetjes. Bij terugkeer uit Spanje trof ik politie voor de deur, omdat een van de huurders eruit werd gezet. Ik kreeg te horen dat ik het pand voor dertienduizend gulden kon kopen, maar nee, ik zat er toch maar tijdelijk. Nou, ik had schatrijk kunnen zijn..
Ik woonde er wel, maar ik woonde er ook weer niet. Ik woonde samen met Patsy in de Bestevaerstraat en in de Van Ostadestraat of ik woonde samen met Cécile, maar altijd kon ik me terugtrekken in de Jordaan. Dan wilde ik weer bovenop de Westertoren zitten. Nu zit ik er nog altijd en ik denk dat ik hier doodga. Geboren in Nieuw Amsterdam, in Harlem New York, dus voorbestemd om in Oud Amsterdam te sterven. Nog niet hoor, nog niet. Ik leef erg naar mijn zin in dit land, waar geen verbod ligt op abortus, euthanasie, homohuwelijken en noem maar op. Nederland is te gek. De grachten, de rivieren, de zee.
Toen het Zuiden overstroomd was werd mij een boodschap voor het rampgebied gevraagd. Ik heb gezegd: ‘Sterkte met je eeuwige vijand en vriend: het water.’ Is het de of het water?”

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
November 1996

Powered by JReviews