De Canon van Amsterdam (2) Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 15, 2010    
3769   0   0   0   0   0

“Kent het jonge geslacht Amsterdam?”

Naar het voorbeeld van de vorig jaar gepresenteerde Canon van Nederland (‘wat iedere Nederlander moet weten over de eigen geschiedenis’) wil ook de gemeente Amsterdam nu een ‘stads-canon’ maken. Nieuw is dat streven om (allereerst) de schooljeugd de eigen stad te leren kennen niet. Vorige maand bespraken we een paar initiatieven van rond 1900. In de jaren dertig namen geschiedenisleraar Jacques Presser en het Genootschap Amstelodamum de fakkel over.

In maart 1931 wilde de later nationaal beroemde historicus Jacques Presser, sinds de oprichting in 1926 geschiedenisleraar op het Vossiusgymnasium, wel eens weten hoe goed zijn leerlingen hun eigen stad kenden. Aan 205 leerlingen vertoonde hij één lesuur lang 35 plaatjes van bekende plekken in Amsterdam, bijna allemaal in de binnenstad. Het resultaat viel niet mee. Gemiddeld werden slechts twaalf van de 35 afgebeelde gebouwen, grachten en bruggen herkend. Niet onverwacht steeg de kennis met de leeftijd, zo bleek, met als verrassende uitzondering een jongen uit de tweede klas die alle vragen goed had. Eén meisje daarentegen had nul goede antwoorden. De jongens deden het duidelijk beter dan de meisjes. Het beste herkend werden het Centraal Station (90%), al zag een enkeling het aan voor het nog jonge Koloniaal Instituut, het huidige Tropenmuseum. De Waag werd door 75% herkend (de rest dacht onder meer aan de Muiderpoort, de Haarlemmerpoort of ‘de gevangenis’), net als de Munttoren (weliswaar soms verward met de Westertoren). De Schreierstoren, de Muiderpoort en de Magere Brug bleken met 60 tot 70% ook nog aardig herkenbaar, net als een historische afbeelding (daarvan zaten er vijf tussen) van de Dam met ‘Naatje’ en de Beurs van Zocher. Maar de Zuiderkerkstoren werd maar door een kwart van de gymnasiasten juist geïdentificeerd en de Oudekerkstoren door nog geen 13%. De missers waren vaak hilarisch. Zo werd de Sint Nicolaaskerk door liefst 13 leerlingen aangezien voor Rijksmuseum, en één vulde zelfs in: “Citroën-autozaak”.

Geen geleerdheidskramers
Nog niet wetend dat driekwart eeuw later Amsterdamse docenten deze scores fantastisch zouden vinden, luidde Presser de noodklok in het Maandblad Amstelodamum: “Uit bovenstaand onderzoek blijkt m.i., dat onze gymnasiasten veel te weinig weten van hun prachtige stad. Het heeft mij getroffen, dat de leerlingen, uit de oude stad afkomstig, veel betere resultaten bereikten dan hun medescholieren uit de nieuwe buurten. De laatsten verlaten hun omgeving slechts weinig en dan nog doorgaans op de fiets of met de tram. Van de eigenlijke binnenstad betreden zij slechts enkele straten en dat zij daarin hun oogen de kost geven, mag men betwijfelen. De meeste meisjes voelen niet veel voor ’t maken van tochten in tegenstelling tot de jongens, die er nog wel eens op uit gaan. Dit laatste is dan ook aan de uitslagen wel te merken.”
Presser hoopte natuurlijk dat de lagere school wat aan die kennisachterstand kon doen, en herinnerde zich de in onze vorige aflevering beschreven boekjes van Bigot en Nooter. “Ik weet echter niet, of zij, en zoo ja, hoe zij gebruikt worden.” Voor de middelbare scholen zag hij op zich veel kansen om in het geschiedenisonderwijs aan te knopen bij Amsterdamse voorbeelden, vaak nog tastbaar aanwezig in het stadsbeeld. Maar: “een groot bezwaar is hierbij het ontbreken van een bruikbaar leerboek; met dicteeren komt men niet ver! Het houden van excursies kost een zee van tijd; men kan slechts een beperkt aantal leerlingen meenemen. Bovendien vallen de afstanden sterk tegen, ook al is het maar de kleine stad van Cornelis Antonisz die wij doorkruisen. Men doet niet veel op een vrijen middag, wanneer men iets dieper op de zaken wil ingaan!”
Tot slot van zijn stuk veroorloofde Presser zich de vraag of hier geen taak lag voor het Genootschap Amstelodamum. “Met de uitbreiding van de stad verlaten steeds meer rasechte Amsterdammers de binnenstad en men moet vrezen dat hun kinderen van de aloude veste in toenemende mate zullen vervreemden. Wanneer kennis liefde kweekt, ziet het er voor onze mooie, oude stad niet erg hoopvol uit. Evenmin voor het Genootschap, dat toch eenmaal uit deze leden zijn leden zal moeten recruteeren.”
Het stukje trok de aandacht van de dagbladen (“Kent het jonge geslacht Amsterdam?”). Dat leidde ertoe dat Reisbureau Lissone (later Lissone Lindeman) een gat in de markt zag en het Vossiusgymnasium aanbood om voor de leerlingen stadsrondritten te verzorgen, voor 40 cent per leerling (dat zou nu ruim twee euro zijn) “met vrij vervoer voor den leeraar”. De school ging er graag op in en op 1 en 6 juli 1931 vonden twee zeer geslaagde excursies met enkele bussen plaats.
Intussen vond het idee ook weerklank in de vooraanstaande ontwikkelingsorganisatie Ons Huis, bestuurd vanuit de Rozenstraat. De legendarische directrice Carolina van Asperen van de Velde meldde najaar 1931 dat ook in haar Jongerenbond (“jongens en meisjes van 14 tot 20 jaar uit den arbeidersstand”) wordt gepoogd “de belangstelling voor den stad aan te wakkeren en de kennis omtrent Amsterdam uit te breiden”. Ze stimuleerde de competitiedrift door wedstrijdjes wie zoveel mogelijk van onderschrift ontdane plaatjes uit het gemeentelijk maandblad de Amsterdamsche Gids kon thuisbrengen, en had voor november al een paar busritten bij Lissone geboekt.

‘Pleizier in de zaak’
Vooral de laatste zin van Pressers stukje in hun maandblad alarmeerde intussen het bestuur van Amstelodamum, onder leiding van de hooggeleerde Hajo Brugmans, die juist in die jaren zijn achtdelige Geschiedenis van Amsterdam publiceerde. Na rijp beraad benoemde het bedachtzame bestuur begin 1935 een Commissie voor het Jeugdwerk, onder leiding van bestuurslid jhr.dr. P.J. van Winter, geschiedenisleraar aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes. Naast Jacques Presser namen daarin onder meer zitting de sociaal-democratische onderwijsinspecteur Piet Hoogland, de katholieke lerares Agnes Nolte (later Kamerlid), de gereformeerde hbs-leraar J.C. van der Does en J. de Jager, ‘hoofd ener openbare lagere school’. In 1935 presenteerde deze commissie haar eindverslag aan het bestuur en op 29 april 1936 ook aan de pers en de scholen. Op deze persconferentie verklaarde voorzitter Van Winter dat het “niet de bedoeling was een nieuw vak ‘kennis van Amsterdam’ toe te voegen aan de vaak al lange lijst van leervakken. Belangstelling wekken en de ogen openen moest het hoofddoel zijn.” Ook wilde de commissie niet één didactische methode opdringen. Iedere leerkracht moest zelf maar een lesmethode kiezen. Maar er was hoe dan ook duidelijk behoefte aan makkelijk toegankelijke informatie over de stad, in de vorm van eenvoudige artikeltjes, en vooral ook aan plaatjes, veel liefst uit te knippen plaatjes, “opdat men de kinderen zelf aan het werk kon zetten om iets smakelijks samen te stellen naar aanleiding van het op school behandelde en aldus hen pleizier in de zaak kon doen krijgen”.
Het meegeven van een helder chronologisch kader was kennelijk nog geen urgente kwestie: daaraan werd in de gewone geschiedenisles al veel gedaan. Bovendien: “Het gaat er niet om onze leerlingen te maken tot geleerdheidskramers, maar hun belangstelling en liefde bij te brengen voor onze stad.” Daarvoor koos de commissie een thematische aanpak. Het allereerste thema, voor het schooljaar 1936-1937, werd ‘De Dam’. Daarover verschenen maandelijks voor de docenten korte artikelen, zoals over het ontstaan van de stad bij de dam in de Amstel, over het stadhuis dat paleis werd (en daarmee de architectuur en het bestuur van stad en land), over de Nieuwe Kerk (en het religieuze leven), over de oude Beurs en het Damrak (en daarmee de handel), en het dagelijks straatleven. Voor iedere leerling konden de scholen tegelijk grote, verknipbare plaatjesvellen op krantenformaat bestellen, vol met oude foto’s en prenten van de Dam in al zijn onderdelen en facetten. Het werd een groot succes. De scholen bestelden vrij massaal en het materiaal werd jarenlang herdrukt. In 1936-1937 en 1937-1938 werden respectievelijk de ‘Oude bouwkunst’ en ‘Nieuwe Bouwkunst’ belicht, met teksten van architect J.J. Vriend. In het volgende jaar had men ‘Amsterdam als havenstad’ willen behandelen, maar de oorlogsdreiging maakte dat gemeentesubsidie uitbleef. Toen Nederland werkelijk werd bezet, kwam er uiteraard ook niets van. In de eerste oorlogsjaren en vlak daarna behielp men zich met herdrukken van het bestaande materiaal. De commissie moest het bovendien stellen zonder de ondergedoken Presser en de nieuwe voorzitter Henk Brugmans (zoon van de in 1939 overleden hoogleraar), die in een gijzelaarskamp zat.
In 1946 verscheen het haven-materiaal alsnog, hoogst actueel uitgebreid met passages over de oorlogsverwoestingen en het noodzakelijke herstel. Daarna volgde nog het thema ‘Kleine musea’, maar toen was de koek op. Rond 1950 werd Amstelodamums Commissie voor het Jeugdwerk stilletjes opgedoekt. Dat hield waarschijnlijk verband met het feit dat de gemeente zelf intussen een Commissie Heemkennis had opgericht en zelfs een eigen blad uitgaf: Ons Amsterdam. Maar daarover volgende maand méér.

Tekst: Peter-Paul de Baar
Februari 2007

Powered by JReviews