Kleine criminelen met een grote mond Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Oktober 04, 2013    
2349   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

Voorzichtig was ze wel, maar niet voorzichtig genoeg: Anna Maria Marsman, Moeke voor haar gasten, pensionhoudster in de Warmoesstraat 99. Er was al vaker bij haar ingebroken, vandaar dat zij enige voorzorgsmaatregelen had getroffen.

Anna Marsman sliep altijd op de begane grond, aan de straatkant. Elke nacht borg zij haar geld op in de kelder van haar woning. Die bevond zich onder haar slaapkamer. De divan waarop ze sliep, stond op het luik. De sleutels van de voordeur en alle andere deuren lagen ’s nachts onder haar hoofdkussen. Overdag ging ze de deur uit voor bezoeken aan haar zusters of dochter en dan droeg ze haar geld altijd bij zich. ’s Avonds, als ze thuis was, borg Moeke haar geld altijd op in de keuken. De keukendeur werd afgesloten met een hangslot. Het sleuteltje daarvan droeg ze in haar vestje. Haar gasten mochten zo goed als nooit in de keuken komen.
Het pension was een duiventil. Het herbergde mannen die door moeder de vrouw de deur waren gewezen, en dames die de reden waren dat de heren op straat stonden. Volgens Het Parool stond Moeke in de buurt zeer ongunstig bekend, “vooral omdat zij tijdens de bezetting altijd Duitscher in haar huis ontving”.  [Let op het woord ‘vooral’ – alsof de voormalige verzetskrant de deksel van de beerput slechts een beetje optilde-ES.] “Niemand van de omwonenden bemoeide zich met de vrouw. Men kende zelfs haar naam niet. (…) In de Nieuwe Nieuwstraat exploiteerde de vrouw nog een café. Zij heeft tijdens de bezetting het pand in de Warmoesstraat betrokken en leefde met een man die haar kort geleden verlaten heeft.” Die man had bij zijn vertrek nog een aardig afscheidscadeau voor Moeke.

Morgen heb ik poen in mijn zak
Het is vrijdagavond 1 november 1946. Op de Nieuwendijk, met z’n vele uitgaansgelegenheden, is het zoals altijd druk. Op de dijk bieden zwarthandelaren hun waren aan. Om ongeveer half tien die avond stapt Metje V., een 21-jarige dienstbode, café De Magneet binnen. Metje heeft enige tijd omgang gehad met Kees H., maar die relatie heeft ze twee maanden daarvoor verbroken omdat H. als haar souteneur wilde optreden.
Metje V. ziet in het etablissement Leo van der H., een vriend van Kees. Die twee raken aan de praat en aan de drank. Later zal Metje zich herinneren dat Leo dan al diep in het glas heeft gekeken. Leo is geen onbekende op de Nieuwendijk, hij is een van degenen die deze plek hebben uitgekozen om hun zwarte spullen aan de man te brengen. De jonge vrouw is dan ook niet verbaasd als Leo tegen haar zegt: “Het zal gaan zoo als het wil maar morgen heb ik poen in mijn zak.” Metje denkt dat de man tegenover haar een mooi zaakje heeft gebouwd.
Behalve Metje hoort ook ene Jacob D. die avond dat Leo de toekomst zonnig tegemoet ziet: morgen zal hij binnen zijn. Opgewekt gaat Leo die avond naar bed. Hij slaapt sinds enige tijd in het pension Warmoesstraat 99.
Leo, Kees en diens broer Jaap waren bepaald geen onbekenden van de politie. Leo had wegens diefstal al eens in een rijksopvoedingsgesticht gezeten en was enkele malen met de politie in aanraking geweest voor heling. Ook Kees had al eens in een opvoedingsgesticht gezeten, wegens heling van konijnevellen. Toen hij op een dag in oktober zijn ouders bezocht, trof hij daar zijn broer Jaap aan. Vreemd, die zat toch vast in het Huis van Bewaring voor diefstal van een rijwiel?

Ze hebben haar zeker een tik gegeven
Laat op die avond van de eerste november zit Moeke nog met enkele gasten op haar kamer in het pension te praten. Om twee uur ’s nachts staat de 61-jarige vrouw van haar divan op en maant de aanwezigen naar hun kamers te gaan: “En nu naar bed jongens, want ik moet morgenochtend om negen uur weer op want ik moet morgen naar de belasting.” Ze zal die ochtend vergezeld worden door een bevriende winkelier.
De gang naar het belastingkantoor is noodzakelijk omdat de ex-vriend van Moeke de inspecteur van de belasting heeft verteld hoeveel Moeke in werkelijkheid verdient. Althans, zo heeft de inspecteur het begrepen. En dus heeft hij Moeke een belastingaanslag van ƒ 20.000 gestuurd. Hij weet echter niet dat de man Moeke inmiddels heeft verlaten en haar inkomen heeft overdreven in de hoop dat de vrouw door de (te hoge) belastingaanslag in financiële moeilijkheden zal komen. In moeilijkheden komt ze inderdaad, alleen niet in financiële.
Op de ochtend van zaterdag 2 november ziet een pensiongast de divan waarop Moeke altijd slaapt midden in de kamer staan. De man constateert dat Moeke naast de divan op de grond ligt, met een deken over zich heen. Hij ziet verder dat een kleerkast is opengebroken. Hij denkt, zo verklaart hij later tegenover de politie: “Er is vast ingebroken en ze hebben haar zeker een tik gegeven.” Een tik heeft ze zeker gekregen. Sterker nog, ze is dood – vermoord. Meer dan 7000 gulden en vier ringen zijn verdwenen. Wie nu denkt dat de man spoorslags de politie waarschuwt, komt bedrogen uit. Hij wil eerst zijn vriendin, die nog boven is, waarschuwen, maar doet dat niet omdat hij, naar zijn zeggen, op tijd bij zijn baas wil zijn. Op maandag 4 november meldt Leo zich bij de politie. Hij ontkent alles. Niet alleen dat hij Moeke vermoord heeft, maar ook dat hij zich in de nacht van 1 op 2 november per taxi vanaf de Dam naar Den Haag heeft laten vervoeren en dat hij, zoals de chauffeur verklaart, vijf gulden fooi gaf. Hij ontkent tevens dat hij de ober van logement Koers op de Dunne Bierkade 13 een fooi van 85 cent heeft gegeven na een kop koffie van 15 cent te hebben gedronken. Voorts ontkent Leo dat hij een stapeltje bankbiljetten bij zich heeft gehad, dat dubbelgevouwen wel twee centimeter dik was.

Twee dagen bewusteloos
Leo vertelt de politie dat hij de avond voor de moord Jaap in het pension heeft binnengelaten. Vlak voor ze naar bed ging, heeft Moeke hem ingeschreven, onder de naam Willem van de Wal. ’s Nachts, vertelt Leo, hoorde hij gestommel beneden. Daar zag hij Jaap met de handen om de hals van Moeke. Op het moment dat hij Jaap wilde bespringen om Moeke te ontzetten, kreeg hij van een derde een klap op zijn achterhoofd waardoor hij het bewustzijn verloor. Op 4 november – twee dagen later! – kwam hij weer bij kennis ergens op de keien in Rotterdam. Toen hij in krantenberichten over de moord zijn eigen naam las, gaf hij zich aan bij de politie. De politie vaardigt onmiddellijk een opsporingsbevel uit voor Jaap en zijn broer Kees, die inmiddels in de gevangenis van Frankfurt blijken te zitten, wegens illegale grensoverschrijding en het smokkelen van koffie. Nadat beiden terug in Amsterdam aan de tand gevoeld zijn, ziet Leo zich genoodzaakt zijn verhaal aan te passen. Was hij eerst twee etmalen bewusteloos geweest, nu blijkt dat slechts twintig minuten te zijn. Voor de politie reden die overige 2860 minuten na te gaan.
Het wordt een lange gang langs diverse cafés in Den Haag, Delft, maar vooral in Rotterdam waar Leo ‘toevallig’ Kees en Jaap is tegengekomen. ’s Ochtends hebben de heren zich nog onledig gehouden met het kopen en weggeven van hondjes aan dames, ’s middags komt er drank op tafel. In de loop van de avond raken ze dronken en tegen middernacht daagt Kees iedereen in een café in de Rotterdamse Veerlaan uit mee naar buiten te gaan om een potje te vechten. De volgende ochtend wordt Kees wakker in de keuken van een huis waartoe hij zich illegaal toegang heeft verschaft. Beroofd en berooid: ruim ƒ 1400 en twee van de vier ringen zijn hem ontnomen.
Leo en Jaap hebben zich op meer traditionele wijze onderdak verschaft: zij zijn met een vrouw meegegaan. Het moet krap geweest zijn in het hun toegewezen eenpersoonsbed. De vergoeding is er ook naar: slechts ƒ 2,50 per persoon.

Hun mond voorbijgepraat
Alleen al aan de hand van de getuigenissen van meisjes van de vlakte in Rotterdam weet de politie de gaten in het verhaal op te vullen, maar daarmee heeft ze nog geen bewijs tegen de vermoedelijke daders. Kon Leo vóór de moord zijn mond niet dichthouden, nu is het Kees die de politie onbedoeld de helpende hand toesteekt. Hij vraagt aan de gangloper (een medegevangene in het Huis van Bewaring) Leo een briefje van hem te geven. Kees zal dat briefje deponeren in de schijtemmer, die door de gangloper wordt opgehaald. De gangloper geeft het briefje evenwel niet aan Leo, maar aan de recherche. Jaap, die van de briefjesschrijverij hoort van diezelfde gangloper, is woedend op zijn broer. Doorslaggevend is echter de informatie die Kees een celgenoot verstrekt. Hij vertelt dat Moeke tijdens de roof geen onderbroek droeg, iets dat alleen de dader kan weten. Jaap ontsteekt opnieuw in woede. Zijn broer heeft hém vlak na de roof verboden op de wallen naar de hoeren te gaan, uit vrees dat hij zijn mond voorbij zou praten, en nu verraadt Kees zichzelf!
Leo blijkt een trotse moordenaar. Tegen een celgenoot zegt hij dat hij er ten minste vijftien jaar voor zal krijgen. De rechter geeft hem zijn zin, al hield hij ‘slechts’ Moekes voeten vast toen Jaap haar wurgde. Jaap krijgt dezelfde straf, evenals mededader Kees. De rechtszaak maakt ook duidelijk waarom de drie dachten dat er bij Moeke wel wat te halen viel. Iemand die een belastingaanslag van 20.000 gulden krijgt…

Eric Slot
April 1992

Powered by JReviews