De Canon van Amsterdam (1) Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 15, 2010    
4738   0   0   0   0   0

Amsterdam-lessen rond 1900

012007_CanonEind vorig jaar werd de ‘Canon van Nederland’ gepresenteerd: een aantal hoofdzaken die iedereen zou moeten weten van de geschiedenis van Nederland, met als basis 50 exemplarische personen en gebeurtenissen. Meteen gingen er ook stemmen op voor een Canon van Amsterdam. Mooi plan – zeker omdat in het onderwijs de kennis van de eigen stad en de geschiedenis daarvan vrijwel geen aandacht krijgt. Dat is bepaald wel eens beter geweest.

Begin november bracht VVD-fractieleider Eric van den Burg het idee voor een Amsterdamse canon in de gemeenteraad ter sprake. Burgemeester Cohen toonde zich meteen enthousiast, net als een reeks door Het Parool ondervraagde historische autoriteiten. En zoals zo vaak werd het gepresenteerd als een gloednieuw, geniaal plan: door middel van zo’n canon vastleggen aan welke aspecten van de Amsterdamse geschiedenis in het hoofdstedelijke onderwijs in ieder geval aandacht moet worden gegeven.
Dat is om twee redenen een beetje zot. Het probleem is allereerst niet dat het onderwijs over de eigen stad tot nu toe veel te lukraak wordt ingevuld, maar dat zulk onderwijs momenteel vrijwel nergens bestáát. Bovendien: nieuw is het idee allesbehalve. Al sinds een eeuw zijn er steeds weer initiatieven geweest om de Amsterdamse jeugd (en natuurlijk ook volwassen Amsterdammers) kennis te laten maken met allerlei aspecten van hun stad en ze te laten zien hoe die stad geworden is wat ze is. Maar steeds weer ook raakten die projecten in de versukkeling.
Alvorens weer het wiel uit te gaan vinden, kan het nuttig en soms vermakelijk zijn hoe vorige generaties die stadskennis wilden overbrengen, en wát zij toen belangrijk vonden om te weten. Niet alle Amsterdam-feiten waarmee men toen de schooljeugd wilde opzadelen, kunnen nu nog onze interesse wekken. Maar ook die veranderende prioriteiten zijn op zichzelf weer een boeiend stuk geschiedenis.
De gedachte dat de schooljeugd toch iets van de stadsgeschiedenis moet weten, kwam voor het eerst serieus op in de laatste jaren van de 19de eeuw. Waarom toen? Allereerst was de tijd rijp voor herwaardering van het historisch erfgoed. De voorgaande eeuw was er veel gesloopt ten behoeve van de modernisering. Nu de economie aantrok, kwam er weer aandacht voor een ‘luxe’ als het historisch erfgoed. Symbolisch keerpunt was in 1900 het voorstel de Reguliersgracht te dempen, wat leidde tot succesvol protest én tot de oprichting van het Genootschap Amstelodamum. Maar de kentering begon al iets eerder.
In diezelfde jaren begon bovendien het lager onderwijs (basisonderwijs, zeggen we nu) vanzelfsprekend te worden: in 1901 zou dat leiden tot de Leerplichtwet. De hele regelgeving ging op de schop en dus werd er ook bewuster nagedacht over de vraag wát er onderwezen moest worden, en hoe.
Wat dat laatste betreft: nieuwlichters als Jan Ligthart(1859-1917), opgegroeid en opgeleid in Amsterdam maar sinds 1885 schoolhoofd in Den Haag (en het bekendst gebleven als co-auteur van de leesboekjes over Ot en Sien), hadden het belang van ‘aanschouwelijk onderwijs’ op de agenda gezet. Dus bijvoorbeeld met pakweg 20 appels demonstreren hoeveel ieder krijgt als vier kinderen die eerlijk delen. En de leerlingen zelf laten zien, voelen, ruiken wat bijvoorbeeld een polder, een smidse, een bijenkorf, een gasfabriek is. Excursies waren daarvoor ideaal, maar doorgaans te duur; ‘schoolplaten’, getekend door kunstenaars als Cornelis Jetses en Johan Isings, bleken een aantrekkelijk surrogaat.
Aanvankelijk werd dat vooral nuttig geacht voor het aardrijkskundeonderwijs, maar het bleek ook ideaal voor het (vooralsnog facultatieve) vak natuurkennis, en bovendien verrassend bruikbaar in de geschiedenisles. De grote ontdekking was: leerlingen zijn geïnteresseerder als de les ‘dicht bij huis’ begint.

Schoolwandelingen
Vanuit dat idee vroeg in 1894 de Vereeniging van Hoofden der Openbare Lagere Scholen aan B&W om met leerlingen ‘schoolwandelingen’ te mogen maken. Dat was echt iets nieuws. Het stadsbestuur ging akkoord, mits het maar één ‘schooltijd’ (dagdeel) duurde, en alleen in het kader van de aardrijkskundeles. Maar in 1901 werd de permissie wat verruimd. De schoolhoofden benoemden al in 1894 voortvarend een commissie die een Gids voor schoolwandelingen in Amsterdam en omgeving ging samenstellen. In die commissie zaten onder anderen bekende onderwijzers als de leesboekjesschrijver Jacob Stamperius, de natuurkenner Eli Heimans (vriend van Jac. P. Thijsse), H. Douma, later auteur van pedagogische leerboekjes, en F.G. Mellink, vergrijsd schoolhoofd op Oostenburg en lid van Provinciale Staten voor de Anti-Revolutionaire Partij. Het eerste deel ging over de stad; het tweede deel (waarvoor onder anderen Jac. P. Thijsse was ingehuurd) zou over “de omgeving der stad” gaan (en overigens ook de parken en plantsoenen in de stad), maar is om onduidelijke redenen nooit verschenen.
Voorgekookte lessen bood het boek bepaald niet, zelfs geen precieze wandelroutes. Iedere onderwijzer moest die maar uitstippelen vanuit de eigen school. Wel gaf het boek, verdeeld over zeven stadsdelen, bondige informatie over honderden straten en tientallen gebouwen. Bijvoorbeeld:
“Stormsteeg, waarschijnlijk geheten naar den storm van 1509, die groote schade aanrichtte. (De Zeedijk was met de St. Anthonies-Breestraat toen nog de Amstellandsche Zeedijk.)”
“De Duivelshoek met de afdeeling Walenhoek [nu het blok achter Tuschinski - PPdB]. Een warnet van stegen, wier bevolking allerlei muzikale en niet muzikale straatbedrijven uitoefent. De Walenhoek is zoo genoemd naar de talrijke ‘Waalsche’ vreemdelingen, die als rattenvanger, wonderdokter enz. hier hun fortuin zochten. Oud spreekwoord: ‘’t Lijkt hier de Walenhoek wel’ (’t Is hier zeer vol).”
Ook de uithoeken van de stad werden besproken, zoals het ‘Zeevaarderskwartier’ (Barentszstraat en omgeving) aan de westkant en de Czaar Peterbuurt aan de oostkant. Van een aantal straten wordt bovendien de lengte vermeld: de Warmoesstraat bijvoorbeeld blijkt “± 550 meter lang”, de Nieuwendijk zo’n 750 meter, het Damrak 525 meter, de Kerkstraat 1370 meter en de Prins Hendrikkade 1600 meter. Aardig is de observatie dat de Amstel bij de Hogesluis even breed is als de Westertoren hoog: 85 meter.
Ten slotte werden “enkele gemeentelijke inrichtingen” behandeld, zoals de Gezondheidsdienst, de Stadsreiniging, de “Gemeente-telephoon”, de “Gasfabriek aan den Haarlemmerweg” en de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij.
In Jan Ligtharts weekblad School en Leven beschreef begin 1900 onderwijzer J.G. Boterenbrood (1859-1911; niet te verwarren met de gelijknamige architect) zijn eigen methode. Hij was hoofd van de Hendrik Westerschool op het Weesperplein, waar nu de Weesperstaete staat. Eerst verkende hij met zijn leerlingen de buurt rond de school tijdens een wandeling in het kader van de aardrijkskundeles. Daarna deed hij in het klaslokaal nog eens in de verbeelding over, zich met behulp van een oude prent van de verdwenen Weesperpoort op de Schans en plattegrondjes (‘toen en nu’) zich twee eeuwen terug verplaatsend in de tijd. Om in de stemming te komen kregen de leerlingen pruiken op. En de meester vertelde: “Zoals is afgesproken, zullen we vandaag met onze wandeling door Amsterdam in 1700 beginnen. Daarvoor hebben we een tooverstokje, maar vooral deze plaat noodig. Denkt u dus op het Weesperplein, midden tusschen de Valckenierstraat en de school. Ge ziet de school nog, niet waar? Oogen dicht! Hocus, pocus, pas! Kijk nu naar de plaat. We leven eensklaps in ’t jaar 1700 en staan op de brug over dat breede water links, met het gezicht naar de stad. De school is verdwenen. Die gracht is de Lijnbaansgracht, die in 1898 gedempt zal worden. Die kade erlangs, met boomen beplant, zal in 1900 Valckenierstraat heeten. Op den dijk zullen dan de huizen van de Sarphatistraat staan. Ge ziet, met onze herinneringen van 1900 kunnen we voorspellen als de knapste profeet.”
Al een jaar eerder publiceerde hoofdonderwijzer L.C.T. Bigot (1867-1951), later schrijver van veelgebruikte psychologieleerboeken, Uit Amsterdams verleden. In dat boekje werd de geschiedenis van Amsterdam voor de schooljeugd van voor tot achter verteld, met achterin een jaartallenlijst die we misschien wel als de eerste Amsterdamse canon mogen beschouwen. Bigot verdeelde de geschiedenis in drie tijdvakken: “De Oude Tijd tot 1578”, “De Tijd der Republiek tot 1795” en “De Nieuwe Tijd tot heden”. De laatste datum was “1899 (7 juni). Het Wetsontwerp tot verbetering van het Noordzee-kanaal door de Tweede Kamer aangenomen.” Ook noemde hij “eenige merkwaardige cijfers”: “Alle lagere scholen telden op 1 Jan. 1898 tezamen 72.425 leerlingen. (…) In onze stad zijn 61 diamantslijperijen met 900 werklieden. (…) Aan het Centraal-station vertrekken en arriveeren gemiddeld 250 treinen per dag.”
Nog populairder werd Langs IJ en Amstel, het in 1909 verschenen en in 1929 herdrukte boekje van schoolhoofd Lukas Nooter (1850-1932). Maar volgens een terugblik uit 1950 volgde op dit “hoopvolle begin” een inzinking. “Was dit het gevolg van een mindere belangstelling van de zijde van onderwijzers en leeraren? Of moeten we de schuld zoeken bij de overladen leerprogramma’s van lagere en middelbare scholen?”

Tekst: Peter-Paul de Baar
Januari 2007

Powered by JReviews