Nouvelle vague op de Wallen: filmer Roeland Kerbosch over Haring Arie Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 22, 2013    
4338   0   0   0   0   0

Dossiers

TEKST: Fred Baggen

 

Eind jaren zestig leerde heel Nederland  ‘Haring Arie’  kennen, na een spraakmakend tv-interview met Netty Rosenfeld en het verschijnen van een boek over zijn leven. Kerbosch, die Haring Arie een paar jaar daarvoor op een terras had ontmoet, maakte hem de hoofdfiguur in zijn semi-documentaire over de Amsterdamse rosse buurt en zijn bewoners. Fred Baggen, die Arie Elpert (zoals hijwerkelijk heette) portretteerde in Ons Amsterdam van januari 2013, ondervroeg de cineast.

 

“Die ontmoeting tussen u en Arie, op een terras…

“Nee, dat was niet op een terras. Ik was bezig met een serie filmpjes over carillons van Amsterdam. In die tijd zat televisie heel anders in elkaar dan nu. Tv-programma’s moesten beginnen op een bepaalde tijd, en dan kwam het volgende programma en dat moest ook weer beginnen op een vaste tijd. Maar dat eerste programma was misschien ietsje korter dan de tijd die ervoor was ingeruimd. En dus was er drie, vier minuten op te vullen. In die loze tijd zag je de klok en verder niks.

            En ik dacht: je kan in die paar minuten een pauzefilmpje vertonen en je kan het zelfs zo doen dat het niet uitmaakt wanneer je begint en wanneer je eindigt. Dus ik heb toen een hele serie films gemaakt, over… ik kan het me niet eens meer herinneren over wat allemaal, maar onder andere ook over carillons in Amsterdam. Dan filmde ik de Westertoren en hoorde je het carillon, en had je wat vaste shots van de Jordaan, en dat ging dan zo’n tien minuten door.

            Ik was op het Oudekerksplein bezig met zo’n filmpje over het carillon van de Oude Kerk, en tijdens de opnamen kwam er een man naar me toe en dat was Haring Arie. Hij zei (doet gruizige stem van Arie na): ‘Wat ben je hier aan het doen? Wat moet je hier?’

            Zo ben ik met hem in contact gekomen. Vanaf dat allereerste moment dacht ik: interessante man, zeg. Wie zou dat zijn, en wat doet-ie allemaal? Destijds was hij in de buurt natuurlijk een gevierde gozer. En mijn platte Amsterdams is redelijk goed, dus toen heb ik een paar keer met hem gepraat, en in dat filmpje over het carillon van de Oude Kerk een interviewtje met hem gedaan. Hij was verschrikkelijk ijdel. En door dat interviewtje dacht ik ineens: o, er zit veel meer in die man, daar kan ik veel meer mee doen. Nou, zo is dat begonnen.

            We hebben dat carillonfilmpje gemaakt en daarmee ben ik naar de vpro gegaan

en ik denk dat ik op basis daarvan ook subsidie van het toenmalige crm heb gekregen. Ik had dus al zeven, acht minuten, met daarin heel duidelijk in beeld het Oudekerksplein, Haring Arie, het carillon… Om te laten zien wat de sfeer werd

als ik daar een film over kon maken.

 

Bestaat dat filmpje nog?

Nee, ik denk het niet. Vroeger werd er bij de televisie heel veel weggegooid,

ik denk dat het niet meer bestaat. Zonde, want het was best een leuk filmpje:

je hoort de muziek, je ziet het Oudekerksplein, er is dat interviewtje met Arie,

en allemaal temeiers en anderen die aan het dansen gaan, bij het draaiorgel,

da’s óók zo Amsterdams…

 

Dus die draaiorgelmuziek waarmee Rondom het Oudekerksplein begint, is een voortvloeisel uit dat eerste oerfilmpje?

Ja, en die muziek is speciaal door Pieter Goemans voor de film geschreven, en vervolgens omgezet naar rol en op het draaiorgel afgespeeld.

 

Op het tekstmenu van de dvd staat: ‘Rondom het Oudekerksplein kent een lange ontstaansgeschiedenis. Midden jaren zestig ontving Kerbosch subsidie van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (crm) voor het maken van een film. Hij gebruikte de helft ervan voor het produceren van een proeffilm. crm vond de film echter onder de maat en draaide de subsidiekraan dicht. Gevolg: Kerbosch zat zonder geld én zonder film. Het duurde bijna een jaar voor hij zijn materiaal terugkreeg. Kerbosch meende dat een Amsterdamse lobby hiervoor verantwoordelijk was – bang voor een slecht imago.’

Onzin, zeg. Jezus. Nee, dat zat heel anders. We hebben geloof ik wel subsidie gehad van crm, maar het stopzetten van die subsidie, dat heeft er helemaal niks mee te maken. Hij is ook niet stopgezet.

 

Om hoeveel subsidie ging het?

Geen idee… twintigduizend gulden?

 

Is het inderdaad zo dat men zo lang het filmmateriaal heeft achtergehouden? Bijna een jaar lang, zoals op de dvd staat?

Dat verhaal is onzin. Wat er gebeurd is, is het volgende: ik heb die film gemaakt,

en in die film zit een interview met de toenmalige officier van Justitie, meneer Hartsuiker. Het was er een van de harde aanpak.

            Hij had ervoor gezorgd dat Rinus Veth moest stoppen met zijn hoerenkast. Tijdens mijn eerder gefilmde interview met Rinus Veth ging hij tekeer over Hartsuiker. Ik dus naar Hartsuiker, en zei: ‘Nou, meneer Hartsuiker, Rinus Veth zegt zo en zo, mag ik een interview met u maken daarover?’ Interview met Hartsuiker gemaakt en gemonteerd. Film afgeleverd bij de vpro – de film was kant en klaar – en toen kreeg Hartsuiker contact met de vpro en wilde de film zien. Die hebben ze voor hem afgespeeld, zonder dat ik dat wist, en hij zei: ‘Ik wil dat mijn interview eruitgaat.’ Daar ging de vpro mee akkoord.

            Ze belden mij vervolgens op en zeiden dat het interview eruit moest. En toen heb ik gezegd: ‘Nee, dat interview mag er niet uit, want Rinus Veth is een onderdeel van die hele film, dus dat mag er niet uit.’

            ‘Nou, dan zenden we hem niet uit,’ zeiden ze toen. En toen zat ik in zak en as;

ik kreeg van de vpro geen geld meer, misschien dat toen ook iets meespeelde van subsidie, dat weet ik niet meer.

            Niet veel later zat ik bij het nlf (Nederlands Laboratorium voor Filmtechniek)

al mijn volgende film te monteren. Paul Kijzer kwam binnen en hij zei: ‘Wat hoor ik nou, Roeland? Die Walletjesfilm van jou, die gaat niet… die wordt niet uitgezonden. Vertel es, hoe zit dat? Nou, alles uitgelegd, film gepakt, op de montagetafel gelegd en voor Paul Kijzer afgespeeld. Hij zei geen woord, voor zover ik me herinner. Tachtig minuten later zei hij: ‘Over drie weken draait-ie in de bioscoop.’ Zo was Paul Kijzer.       En inderdaad, misschien niet drie weken, maar laten we dan zeggen zes weken later draaide Rondom het Oudekerksplein in de bioscoop. Dus lange neus naar

de vpro, van: kijk es, wat jullie gemist hebben. Hij is nooit uitgezonden voor de televisie. Zo raar: er is nooit een andere omroep geweest die gezegd heeft: interessant. Nee, nooit. Ook nu niet.[1] Heel gek.

            De vpro had toen natuurlijk veel harder moeten zijn, en gewoon moeten zeggen: ‘Luister meneer Hartsuiker, kunnen we niet praten, kunnen we niet een beetje hermonteren,’ en dan was ik ook wel bereid geweest.

            Maar ze zeiden: ‘Het moet eruit. Punt.’ Wel had ik die film dan helemaal opnieuw moeten monteren, dus toen zei ik nee. Ik denk dat Paul Kijzer ook gezegd heeft dat hij het risico niet wilde nemen. Dus toen heb ik een paar dingen moeten veranderen. Zo is dat gegaan.

 

Hoe gaat dat eigenlijk in z’n werk, uw documentaire op dvd uitbrengen? Had u daarover de supervisie?

Nou, supervisie niet, dat wordt door het Filmmuseum gedaan, nu Eye geheten,

en daar zijn ze volstrekt betrouwbaar.

 

Wat is er met het filmmateriaal gebeurd dat bij de montage afviel?

Dat is weggegooid.

 

Dus outtakes zullen we nooit te zien krijgen?

Nee. Want het was zogenaamd omkeermateriaal. In tegenstelling tot het gebruikelijke procedé, waarbij je de film op negatief draait en daarvan een positiefkopie maakt, was het materiaal na ontwikkeling meteen ook het positief. Dat is wat je bij video de moederband zou noemen en daar hebben we toen mee gewerkt, want dat was wat goedkoper. Het werkte wel lastiger, maar je had het resultaat veel sneller te pakken. De belichte film ging in een ontwikkelbad en twee uur later kon je monteren. Veel filmmakers werkten toen zo, maar als je een foutje maakte in je montage was je de sigaar, dan kon je niet meer terug. Dat was rampzalig.

            Rondom het Oudekerksplein is ook gemonteerd als een documentaire, dus je zet stukken aan mekaar en er is geen, laten we zeggen, dramatisch verband tussen A en B, wat je tegenwoordig wel hebt en wat ik later in documentaires ook altijd gedaan heb. Maar dit was: monteren, hup klaar, op een rolletje zetten, in een bakje, en dan het volgende itempje als het ware.

 

En wat weggeknipt werd, dat was je voorgoed kwijt?

Dat was je kwijt, ja. Er zijn wel nog foto’s, dat is alles. Cor Jaring heeft heel mooie foto’s gemaakt, hij is een paar keer bij de opnamen geweest. Ja, ik denk dat-ie een keer of drie met ons meegelopen is. Want ik maakte die film in mijn eentje, samen met mijn vrouw [Mady Saks].

 

Wat was uw cinematografische visie bij het maken van de film? Welke stijl stond u voor ogen?

Ik was een adept van de nouvelle vague. Jules et Jim en A bout de souffle, die hele handel. Op de middelbare school schreef ik veel over film. Ik ging heel veel naar de bioscoop, schreef over film in de schoolkrant, en wilde Nederlands en geschiedenis gaan studeren, twee studies tegelijk. Maar ik schreef me te laat in voor de universiteit en toen zei Charles Boost, een bekende filmcriticus: ‘Waarom ga je niet naar de filmacademie? Ga je een jaartje film studeren en dan ga je daarna naar de universiteit.’ De Filmacademie bestond net één of twee jaar. Ik deed daar toelatingsexamen en dacht: nou, dat is altijd goed voor je, een jaartje film doen. En toen ben ik blijven hangen, want het is een fascinerend beroep. Als filmstudent kon je elke avond voor niks naar de bioscoop. Nou, dat was helemaal feest, ik heb alles gezien wat er in die tijd draaide. Zo ben ik aan het filmvak blijven hangen.

            Ik heb trouwens tijdens die filmacademieperiode vreselijk leuke dingen gedaan. We kwamen in Parijs over de vloer bij François Reichenbach, een documentaire-maker in de stijl van de nouvelle vague. Hij maakte l’Amerique insolit, een prachtige, fantastische film. Ook bij Romy Schneider ben ik thuis geweest. Dat was hartstikke leuk. Die nouvelle vague, daar was ik echt door gegrepen, want de straat is de achtergrond, het leven, het werkelijke leven is de achtergrond van wat ze dramaturgisch in elkaar zetten. En dat is fantastisch.

 

Ik had over een aantal scènes in Rondom het Oudekerksplein nog een vraag: het bezoek aan de juwelier is zo te zien in scène gezet, want er is een tegenshot van Arie als hij de zaak binnen komt; dat is niet spontaan. Het feit dat hij een horloge meejatte, was waarschijnlijk ook van tevoren bedacht, want dat bevestigde Arie’s imago. Maar wist die juwelier ervan, speelde hij het spelletje mee?

Die speelde mee, ja. Dat was allemaal in scène gezet. Maar zo komt het bij het publiek niet over. Zij realiseren zich dat helemaal niet, voor de kijker is het echt. Maar dat was natuurlijk niet zo.

 

Het kroegtafereel, waar een vrouw tegen iemand staat te kijven, en de jonge prostituee de cameraman gebaart dat hij moet stoppen met filmen, was dat echt?

Dat was helemaal echt, ja.

 

U werd dus gemaand om even te stoppen met filmen?

Ja. Ik stond toen op de bar, geloof ik, of op een stoel. Ik stond hoog. Ja, dat was riskant werk, want er hoeft maar één man te zijn die het met die vrouw eens is,

en dan was ik van de toog af getrokken.

            Maar goed, Arie was erbij, in die kroeg. Ik geloof dat, toen we die opnames maakten, we al vrij ver waren, dus we waren bekenden in de buurt. Er waren voldoende pooiers bij die ons ook zouden beschermen. Maar ja, toch riskant.

 

Hoe moet ik me dat filmen op locatie voorstellen, beschikte u over een crew?

Nee, alleen mijn vrouw en ik. Zij nam met een Uher taperecorder het geluid op, de geluidshengel was ook écht een hengel, van bamboe, en daar hing die microfoon aan. Mijn camera was een Eclair-16, een voor die tijd revolutionaire camera: hij was zo licht (loodzwaar!) en ergonomisch ontworpen dat je hem op de schouder kon dragen. Een statief was niet meer noodzakelijk. Die camera was het geëigende attribuut voor de nouvelle vague.

 

En de scène op straat, waarbij Arie tussen twee vechtersbazen springt om ze tegen te houden? Echt of nep?

Niet in mekaar gezet, maar het is wel uitvergroot. Dat was in de Warmoesstraat. Toen wij daar waren was er iets aan de hand.

 

Het zijn geen figuranten die…

Nee, we hebben geen figuranten gebruikt.

 

In dat opzicht is het dus geheel in nouvelle vague-stijl: de mensen die daar aanwezig waren, werden gefilmd.

Ja, en je kunt zeggen dat het is uitvergroot, omdat mensen zich sowieso anders gedragen wanneer er een camera bij is. Ik kan me voorstellen dat ik toen tegen Arie gezegd heb: ‘Spring er even tussen, of doe dit, of doe dat,’ zodat we dat konden filmen. Maar dat is inderdaad een typisch voorbeeld van een nouvelle vague-scène.

 

Herinnert u zich de filmopname bij de ouders van Arie thuis, in Amsterdam-Noord?

Ja, die hadden toch zo’n beetje, wat ik me herinner, een schoorvoetende trots, zal ik maar zeggen.

 

Ook komt een voormalige buurvrouw van Arie voor de camera, en zij houdt een vurig pleidooi vóór haar vroegere buurjongen.

Daar moet je toch vraagtekens bij zetten, want zo’n vrouw wordt gefilmd – wat vroeger natuurlijk veel meer betekende dan nu – en het is niet altijd gezegd dat dan de waarheid gesproken wordt. Men is toch beïnvloed… Arie sprak ook wel heel sympathiek over haar, over die buurvrouw. Het is geen onzin wat ze zegt, maar… toch altijd een kanttekeningetje bij maken.

 

Waar zijn de buitenopnames op het platteland gedraaid?

Dat is in Abcoude, langs het Gein. Vond Arie helemaal niet leuk. Dat was niks voor hem. Hij hoorde daar niet.

 

Nee, maar hij zegt in dat fragment wel: ik zou best een boerderijtje willen met een zootje kippen, maar dat was dus ook weer die filmwaarheid van hem?

Ja, natuurlijk.

 

Arie schrijft in een van zijn boeken over het maken van de film: ‘Het werd me snel duidelijk dat ik weer eens voor de zoveelste maal een zepert had gelaaien, al die maanden had ik voor noppes gewerkt…’ Hij heeft het over maanden. Hoe lang

duurde die draaitijd?

Nou, we hebben heel erg lang gedraaid. Ik denk anderhalf jaar of zo, want ik had natuurlijk… ik had geen geld. Dus ik moest rolletjes film kopen, en dan kon ik weer naar Arie, en dan zei ik: ‘Zullen we weer wat draaien?’ Zo ging dat. Zo’n rolletje kostte denk ik dertig gulden of zo. De film is op 16 mm gedraaid.

 

Schreef u ook tijdens het draaien aan scènes? Bedacht u ook samen…

We hebben wel dingen samen bedacht. Ja hoor, zeker. De scène waarin Arie zijn tatoeage laat bijwerken had ik niet bedacht, daar kwam hij mee. Hij was de leidsman. Hij kwam ook met Parijse Leen aan, en zij zou nooit iets gedaan hebben met mij als het niet via Arie was gegaan.

 

Arie schrijft ook: ‘En denk nou maar niet dat filmen zo’n lolletje is, want alles moet altijd twintig keer worden overgedaan.’

Nee hoor. Daar was helemaal geen geld voor. Je had zo’n rolletje van 30 meter

en dan kon je een stukje draaien, dus dat moest gewoon in één keer goed. Zeggen van: ‘Nou Arie, een beetje tekst was niet helemaal goed, we doen het nog een keer,’ dat kon helemaal niet. Ik kan het me best voorstellen dat hij dat zegt, want dat maakt hem natuurlijk interessant.

 

‘Het materiaal dat Kerbosch gebruikte, was ook niet veel soeps, alles ging op z’n Jan Boerenfluitjes.’ Wat bedoelt Arie daarmee volgens u? Ik bedoel, als je met een moderne blik naar de film kijkt – aan het geluid mankeert natuurlijk hier en daar nogal wat.

Ja, en aan het beeld ook. Tja, geen geld, je moest een beetje rommelen. Kijk, het is natuurlijk een historisch document geworden. Maar het is meer dan alleen maar een historisch document, omdat het toch ook heel goed het karakter van Arie weergeeft en tegelijk de oppervlakkigheid van zijn karakter. Maar goed, uit historisch perspectief was het toch een belangrijke film, die de betekenis van Haring Arie overstijgt. Maar om dat te realiseren was hij natuurlijk nodig. Zonder hem was dat nooit gelukt.

 

Arie beschrijft ook de première van de film heel uitvoerig, met Parijse Leen die als koningin van de Wallen de bioscoop in schrijdt, met een kroontje in haar haar. Over the top.

Ja, dat was in de Flora, wat daarna de It werd. Daar zat de hele misjpoge, alles zat daar bij elkaar, de hele onderwereld. Radio erbij, Paul Haenen was toen verslaggever. Het kwam op de radio, inclusief een interview met mij, ja, dat was heel leuk.

 

Nog een citaat: ‘Soms moest ik nog geld meebrengen om de figuranten wat te zuipen of te vreten geven.’

Dat van die figuranten is natuurlijk gelul, maar Arie was wel vrijgevig. Of nee, hij was níet vrijgevig – hij wist op welk moment hij een gebaar moest maken. Als we een café binnen kwamen, en ik daarbinnen wilde filmen en dat was een beetje moeilijk, dan zei hij: ‘Eh, een rondje. Neem jij d’r ook nog een, en jij ook nog een.’ Dat deed hij dan wel, omdat hij wist dat we daar dan konden werken. Hij was eigenlijk heel gierig. Maar het grote gebaar, dat had-ie óók.

 

Arie voelde zich benadeeld: ‘Iedereen verdiende eraan, behalve ik. Paul Kijzer heeft

een paar weken later mooi zijn porum naar Spanje gedrukt met alle poen, de hele opbrengst van de film.’

Gelul. Ik weet niet of Arie er veel aan verdiend heeft, dat zal niet zo zijn, want

mijn gage was 2500 gulden. Paul Kijzer was wel zo slim dat hij eerst contact met mij gelegd had. Hij zei nadat ik hem mijn film had laten zien: ‘De bioscooprechten zijn voor mij, en jij krijgt tweeënhalfduizend gulden.’ Kijzer heeft aan de film veel verdiend, dat weet ik zeker. Hoeveel weet ik niet.

            Maar ja, hij is de producent die het risico neemt. Als iemand tegen mij zegt: ‘Over drie weken draait-ie in de bioscoop,’ dan steekt hij zijn nek uit. Ik had ook kunnen zeggen: ‘Da’s heel goed, maar ik wil de helft van de opbrengst,’ en dan had hij waarschijnlijk nee gezegd. Of hij had gezegd: ‘Dan moet je de helft van het risico dragen.’ Want de film moest voor vertoning in de bioscoop wel van 16 mm opgeblazen worden naar 35 mm. Dat kostte een ongelofelijke hoeveelheid poen. En er moest een campagne gemaakt worden. Nou ja, noem maar op. Duizenden, tienduizenden guldens.

 

Zou u over het algemeen zeggen dat de samenwerking met Arie soepel verliep?

Ja, zeker. Het doet me pijn als ik dan hoor wat-ie achteraf… al dat gezeur van die man, en alles naar zichzelf toe redeneren, en kankeren… Hij kankerde altijd op alles en iedereen. Maar toen we aan het werk waren… Ik wil niet zeggen dat het altijd pais en vree was, want dat zal niet zo geweest zijn, maar ik heb daar een positief gevoel over.

 

In hoeverre was Arie zichzelf in de film?

Hij probeerde zich natuurlijk altijd voor te doen als de bink, zo van: ‘Je hoeft mij niks te vertellen, ik ken iedereen, ik heb iedereen onder controle.’ Hij was geen patjepeeër, maar hij deed zich wel heel groot voor en hij was natuurlijk maar een klein mannetje. Dat wist ik ook wel, maar ik had hem natuurlijk nodig om die film te maken, en ik mocht hem ook wel. Maar de film is geen biografie van Arie, hij neemt mij bij de hand en we doen de rosse buurt zoals die toen was. Hij was met iedereen vrienden, hij liep op iedereen af en dan was het meteen dikke mik. En daarom is hij ook voor die buitenwereld een belangrijke figuur geworden.

            Daarvóór waren de Wallen ondoordringbaar gebied, je kreeg daar geen contact. Toen ik mensen vertelde dat ik daar een film over maakte… ‘Da’s veel te gevaarlijk jongen, weet je wel waar je mee bezig bent, voordat je het weet word je omgelegd.’

 

Laatste vraag: is er een geliefkoosde herinnering of anekdote met betrekking tot Haring Arie? Iets wat hem in uw ogen definieert?

Iets wat hem definieert… Nou ja, die grootspraak. Die voortdurende grootspraak. En de manier waarop hij met mij kennismaakte op het Oudekerksplein, dat was zoals hij was. Hij ziet daar mensen met een camera bezig en dan komt-ie op je af en dan begint hij een gesprek… Open en nieuwsgierig.

 

Rondom het Oudekerksplein is een ontzettend leuk tijdsbeeld. Fantastische film waar je naar kunt blijven kijken.

 

Dat vind ik ook wel, ja. We hebben nog een voorstelling gehad, in het Filmmuseum, om een bepaalde reden. Ik denk dat de aanleiding de verjaardag van Parijse Leen was, maar misschien vergis ik me. Dat was zo’n tien, vijftien jaar geleden. Ik geloof dat het de verjaardag van iemand was. En die zei: ‘Ik zou zo graag de film willen zien, en kom jij dan ook?’ En daar zat dus de hele penoze uit die tijd. Mensen die in de film zaten, mensen die er destijds over gehoord hadden, dus het oude publiek. Ik weet nog dat Arie’s weduwe Mien er ook was. Er waren ook veel jonge mensen die de film in 1968 niet gezien hadden, dus kinderen van vroegere bewoners van de rosse buurt.

            Na afloop heb ik op veler verzoek over de film gesproken, en toen was er iemand die zei: ‘Goh, het is zonde dat er geen dvd van is,’ waarop iemand van het Filmmuseum zei: ‘Nou, daar kunnen we toch over praten?’ De film was natuurlijk helemaal in de vergetelheid geraakt. Daarna is hij in Andere Tijden te zien geweest, dat televisieprogramma, en vervolgens hebben we de film in 2006 teruggebracht in roulatie. Ik was toen eigenaar van The Movies, de oudste bioscoop van de wereld! Tenminste: de oudste nooit gesloten bioscoop; geopend in 1913 en nooit gesloten geweest, onafgebroken, ook tijdens de bezetting is er gewoon doorgedraaid.

            De presentatie van de dvd hebben we in The Movies gedaan en tijdens de voorbereidingen zei ik: ‘Nou, dan organiseren we een avond in The Movies, en dan nodigen we iedereen uit,’ en toen bleek daar zo veel belangstelling voor te zijn dat ik dacht: ik neem de gok, ik breng hem gewoon opnieuw uit. En toen heeft-ie twee of drie weken in zaal 3 gedraaid. Ja, er zijn weinig films die een heruitbreng krijgen. Ik was trots dat ik voor mijn eigen bioscoop stond, met op de gevel: rondom het oudekerksplein, tweede week, of derdeweek.

 

 

 



[1] Op 3 juni 2012 werd Rondom het Oudekerksplein op Holland Doc 24 uitgezonden, en op 16 december 2012 op NostalgieNet.

Powered by JReviews