Comazuipen en donderpreken

Genotsmiddelen en hun bestrijders in vroegmodern Amsterdam (1600-1800)

Kluchten, schilderijen en spotprenten uit de Gouden Eeuw tonen een beeld van in tabaksrook gehulde en naar alcohol stinkende kerels, die voortdurend in een roes leken te leven. Hoewel dit beeld overtrokken is, werd er in het 17de- en 18de-eeuwse Amsterdam inderdaad flink gedronken en gerookt. Alleen de kerk en moralistische burgers boden enige weerstand tegen openlijke onmatigheid.

Tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in 1669 maakte de Duitse chemicus Johan Joachim Becher kennis met de beruchte Hollandse drinkgewoonten. De buitenlandse gast was op een uitvoerige maaltijd getrakteerd door een groep Amsterdamse regenten. Bij uitgebreide visgerechten dronken de heren een 'geweldig zware Rijnwijn' uit grote, diepe glazen. Tussendoor rookten zij tabak en dronken zij thee. En op het hoogtepunt van het feestmaal maakten de regenten een dansje met elkaar op de zoete klanken van de stadsmuzikanten, herinnerde Becher zich later met enige moeite.
Zulke alcoholische bijeenkomsten waren in de 17de eeuw geen uitzondering. Voor de Amsterdamse elite was er altijd wel een reden om de roemers tevoorschijn te halen. In de Gouden Eeuw was de consumptie van wijn sterk toegenomen, vooral omdat een grote groep bemiddelde kooplieden zich de luxe van deze drank kon permitteren. Met de groeiende welvaart en internationale handelsexpansie was ook het aantal beschikbare genotsmiddelen gestegen. Naast bestaande verleiders als bier en wijn waren sterke dranken in opkomst en vanuit het buitenland veroverden exotische middelen als tabak, thee en koffie de genotsmiddelenmarkt.
Gewone Amsterdammers zochten hun alcoholisch heil steeds vaker in brandewijn. Deze populaire volksdrank won langzaam terrein op het bier. Volgens de Amsterdamse regent Bontemantel waren er in 1663 al zo'n 400 brandewijnbranders in de stad, die jaarlijks 3.000 flessen brandewijn produceerden. Daarbij kwam nog de import uit Frankrijk. Net als bij de thee, koffie en tabak zagen medici sterke dranken als jenever en brandewijn aanvankelijk als geneesmiddel. Ze zouden prima preventiemiddelen tegen de gevreesde pest zijn.
Gelegenheden om het glas te heffen waren er genoeg in Amsterdam. Rond 1613 waren er al 518 tapperijen: ongeveer één op de 200 inwoners. Daarnaast werd ook thuis stevig ingenomen. Het hoofdelijk verbruik van alcohol lag aanmerkelijk hoger dan nu. Bij bier was dat 4 à 5 maal hoger; het wijnverbruik was 2,5 maal zo hoog. Hoewel die hoge verbruikscijfers vooral op het conto van de elite kwamen, blijkt uit alles dat de gemiddelde 17de-eeuwer fiks moet hebben gedronken.

Buitensporige bruiloftsfeesten
Opvallend hoog was de inname tijdens feesten, begrafenissen, bruiloften, regeringsmaaltijden en andere sociale bijeenkomsten. De grens tussen een aanvaardbaar feest en verwerpelijke overdaad was vaag. Daaraan veranderde weinig door de bekende 'weeldewet' uit 1655, die paal en perk moest stellen aan buitensporige bruiloftsfeesten. Die wet beperkte onder meer het maximaal aantal bruiloftsgasten tot vijftig, terwijl de feestelijkheden niet langer dan twee dagen mocht duren. Amsterdammers die toch groter wilden uitpakken, konden de boetes vooraf voldoen. Bovendien gaf zelfs de vrome dr. Tulp, de man achter de weeldewet, het verkeerde voorbeeld, door zijn jubileum als stadsbestuurder te vieren met een omvangrijke feestmaaltijd.
Juist in Amsterdamse regentenkringen werd stevig gedronken. In de geschriften van de 17de-eeuwse schepen Bontemantel wemelt het van de maaltijden waarbij de wijn rijkelijk vloeide. Dat deze drinkgelagen tot hoogoplopende ruzies en misverstanden leidden, namen de regenten op de koop toe. Zelf was Bontemantel geen sterke drinker, zoals bleek bij een maaltijd in 1668. Als nieuwkomer moest hij een kan met ruim een liter wijn achteroverslaan, bij een bordje rijstebrij. De drank viel Bontemantel zwaar, waarop hij hulp kreeg van de burgemeester naast hem die hem gedienstig hielp bij het ledigen van de kan. Echt grote innemers stonden niet erg hoog aangeschreven bij Bontemantel. Bij zijn collega-regent Cornelis Witsen, die als schout het goede voorbeeld moest geven, tekende hij kritisch aan: 'was een heer, wat te veel genegen tot groote glaesen'.
Het Amsterdamse stadsbestuur was terughoudend bij de bestrijding van overmatig drankgebruik. Niet alleen omdat de meeste regenten zelf ook van een glaasje hielden, maar ook omdat zij de opbrengsten uit de accijnzen liever niet kwijtraakten. Openbare dronkenschap was op zich niet verboden. Pas als het leidde tot onrust of criminele uitwassen kwamen politie en justitie in actie. Zo werden dranklokalen aangepakt als klanten te veel overlast veroorzaakten. Naar aanleiding van openbare ordeverstoringen in de knijpjes in de Dollebegijnsteeg mocht daar tijdelijk niet meer getapt worden. Ook de sluitingswetten leken vooral te zijn bedoeld om overlast tegen te gaan. Kroegen moesten om negen uur de deuren sluiten.
Net als tegenwoordig was bij vechtpartijen, rellen en andere geweldsdelicten dikwijls drank in het spel. Laveloze zeelieden die met elkaar of anderen op de vuist gaan, zijn geen uitzondering in de rechterlijke archieven. Een doorgedraaide dronkenlap die in de 18de eeuw een aantal mensen had neergestoken kwam er gunstig van af. Dagboekschrijver Jacob Bicker Raye schrijft dat de man zich eenmaal ontnuchterd niets meer van het incident herinnerde en berouw toonde. Omdat hij door een slechte vriend tot de uitspattingen zou zijn overgehaald, werd hij zelfs vrijgelaten. Wel greep de Amsterdamse overheid soms in als alcoholisten hun gezinsleden mishandelden of verwaarloosden. De schuldigen konden in een van de tuchthuizen terechtkomen.

Lam in de kruiwagen
De gereformeerde kerk voerde een actievere strijd tegen alcohol, tabak en ander 'satansvoedsel'. Predikanten waarschuwden vooral tegen grof en openlijk drankmisbruik, want een enkel glaasje 'binnen de palen der vrientschap ende maticheyt' was toegestaan. Regelrechte dronkenschap was echter een kwalijke zaak, omdat het een 'moedersonde' was. Hieruit konden ergere zonden voortspruiten zoals dansen, geweld of ongeoorloofde seksualiteit als sodomie.
Als het de eigen lidmaten betrof, dan kon de kerkenraad streng optreden tegen dronkenlappen. Zeker als zij in het openbaar blijk gaven van hun kennelijke staat en dan vooral als het drinkgelach op een zondag of bededag plaatsvond. Stille drinkers ontsprongen doorgaans de dans. In het uiterste geval werden lidmaten vanwege hardnekkige dronkenschap uit de kerk gezet. Opvallend veel militairen en wachters moesten zich komen verantwoorden voor de kerkenraad. In het schutters- en soldatenleven speelde drank dan ook een grote rol; zowel verveling als spanning zullen daartoe hebben bijgedragen. Ook schouten, chirurgijns, schoolmeesters, kosters en zelfs predikanten komen voor in de grote stoet drankzuchtigen die de kerkenraad ontbood.
Bij vrouwelijke lidmaten werd de zonde van de dronkenschap nog schandelijker geacht dan bij mannen. Een onverbeterlijke alcoholica was Maeijcken Kosters. In 1651 had zij zich zodanig bedronken, dat zij op een kruiwagen moest worden thuisgebracht. Sommige drankzuchtigen waren afhankelijk van de ondersteuning van de diaconie die bij recidive kon worden ingetrokken.

Tabakspolemiek
In slechts één aantekening van de kerkenraad wordt ook het roken genoemd. In 1650 bleek een vrouw verslaafd te zijn aan sterke drank én het roken van tabak, dat zo'n dertig jaar eerder in de mode was geraakt. Na de introductie van de tabak werd roken nog als 'druggebruik' gezien, waaraan vooral jongeren uit lagere sociale kringen, zoals soldaten en matrozen, verslaafd raakten. In de eerste helft van de 17de eeuw streden voor- en tegenstanders in een 'tabakspolemiek' over de goede of slechte eigenschappen van het nieuwe en dus verdachte genotmiddel.
Medici als Johan van Beverwijck roemden de positieve effecten van het roken. Zo zou het roken van een pijp met tabak tegen de pest beschermen. Moralisten vreesden dat de jeugd uit hogere sociale kringen de tabaksverslaving zouden overnemen. In 1628 waarschuwde Dirck Pietersz Pers in zijn Bacchus Wonder-wercken voor de gevaren van overmatig drankgebruik. Maar ook het roken van tabak vond hij een zondige dwaasheid. Predikant Petrus Wittewrongel, bekend van zijn strijd tegen het dansen en het toneel, ageerde eveneens fel tegen 'toebacksdronckenschap'.
Die vergelijking van tabak met alcohol was niet zo vreemd. Hoewel in het algemeen tabak als veel onschuldiger gold dan alcohol, werd het destijds volgens sommigen ook weleens vermengd met roesverwekkende stoffen, zoals zwart bilzekruid, waarmee ook sommige bieren geestrijker werden gemaakt. Dit kruid veroorzaakte een bijzondere opwinding met hallucinogene effecten en een daaropvolgende depressie. Mogelijkerwijs was een deel van de tabak zelfs gesausd met een cannabisproduct. Zulke geestverruimende toevoegingen zouden de verdwaasde blikken van pijprokers op 17de-eeuwse schilderijen kunnen verklaren. 

Blauwe bordeelbezoeker
De kerkelijke en moralistische antirooklobby moest uiteindelijk het onderspit delven. Veel van Wittewrongels collega's raakten zelf aan de tabak verslingerd. Evenals de regenten: ook op het jubileumfeestje van de vrome regent Tulp ging de geparfumeerde tabak rond.
Ook de strijd tegen de alcohol lijkt te zijn mislukt. Het vinden van sterke staaltjes van drankmisbruik in de 18de eeuw is in elk geval geen groot probleem, dankzij dagboekschrijver Jacob Bicker Raye. Hij mocht graag stunts opschrijven als die van Samuel van Breda. Deze kleine, gezette Amsterdammer kon 'afgrijselijk veel eten en nog meer drinken', grapte Bicker Raye. In een bierkroeg had Van Breda eens 24 pinten bier gedronken. Toch wist hij zonder al te veel slingeren zijn huis te bereiken. Op wijngebied spande Simon Plaat de kroon. Binnen twaalf uur sloeg hij 22 flessen wijn achterover. Dankzij zijn sterke gestel is Plaat hier niet onder bezweken.
Ook Paling, makelaar in wijnen, kon vreselijk veel drinken en eten, wist Bicker Raye. Met gemak verschalkte hij ossenvlees, schapenbout, tientallen bokkingen en als toetje nog eens drie grote piepkuikens. De daarbij genuttigde zes flessen wijn hadden op Paling nauwelijks effect. Minder goed eindigde het 'comazuipen' van een bordeelbezoeker in de Molensteeg in 1745. Omdat hij zo blauw zag, dachten mensen eerst dat prostituees hem hadden doodgeslagen. De stadschirurgijn ontdekte echter dat de man 'door de drank gesmoort' was. Ook een jongetje van tien verloor zijn leven aan de drank. Als gevolg van een weddenschap dronk hij zoveel jenever dat hij dood op straat neerviel.
Predikanten en ouderlingen waren in de 18de eeuw zeker niet allemaal geheelonthouders. Tijdens kerkelijke vergaderingen ging er aardig wat wijn doorheen. De kerkenraad zag veel door de vingers als het de eigen mensen of leden van de elite betrof. Maar armen die steun ontvingen en vrouwen uit de lagere klassen werden nog vaak op het matje geroepen.
Naast de kerk gingen ook burgerlijke genootschappen zich bezighouden met drankmisbruik en onmatigheid. Zo trakteerde Jan Jacob Breemers zijn gehoor van het genootschap Concordia et Libertate in 1774 op een 'Waarschouwing tegens Brasserijen en Dronkenschap'. Vooral vanuit medische hoek klonken waarschuwingen tegen de gevolgen van alcoholmisbruik. Maar pas in de 19de eeuw hebben de bonden voor drankbestrijding de problematiek serieus aangepakt. De vroegmoderne Amsterdammer had redelijk ongestoord kunnen genieten van zijn genotsmiddelen.
 

Delen:

Jaargang:
2008 60

Gerelateerd

Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Recensie 12 april 2013
Czaar Peterbuurt herleeft
Czaar Peterbuurt herleeft
Verhaal 14 december 2010
De onzichtbare hasjhandelaar
De onzichtbare hasjhandelaar
23 november 2008