Column: Flipperen tot je erbij neerviel

Op de roltrap die van perron 5 naar de hal van het Centraal voert, hing de weeë stank van een verstopt riool. Maar van een verstopt riool kan het niet komen, want die lucht hangt er al maanden. Zoals het op het station ook altijd naar patat ruikt. Zodat ik aan de zee moet denken, want geuren wijzen hun eigen weg en trekken zich van plaats en tijd niets aan. Bij het verlaten van het station viel het mij op dat veel mensen die naar binnen gingen een plastic zak bij zich hadden waaruit tulpen bungelden. Soms gaat iedereen bij het station in het wit gekleed, soms hebben ze allemaal een gekke hoed op of een voetbalshirt aan, en nu hadden ze dus tulpen bij zich.

Langs de eeuwige bouwput liep ik naar het Damrak, waar tulpen nog steeds de toon zetten. Sommige mensen hadden twee, drie tassen vol tulpen bij zich, een vrouw met een kind op haar arm had een hele kinderwagen gevuld. Lelijke tulpen waren het, met lange stelen, de bol er nog aan. Ze werden ergens uitgedeeld, besloot ik. Gratis. Wegens 75 jaar Tulpen uit Amsterdam of zoiets. Op het Rokin werd het minder en tegen de tijd dat ik was waar ik moest zijn, het café in het Gebed Zonder End, waren ze verdwenen.

In het café vierden we het honderddertig jarig bestaan van het blaadje waarvan we allemaal ooit redacteur waren geweest. Toen het in de lange rij van redacteuren mijn beurt was, maakten we het blad in het fietsenhok van drukkerij Jacob van Campen aan de Oudezijds Voorburgwal, schuin tegenover de Oude Kerk. De baas van de drukkerij was meneer Van Dongen, die een grijze stofjas droeg en net als mijn grootvader, die typograaf was, de krant ondersteboven en in spiegelschrift kon lezen. Het zetten ging in lood en af en toe viel er iets in de pastei.

Meneer Van Dongen was een keurig gereformeerde man die alles wat wij in ons/zijn blad aan vreselijke streken uithaalden prachtig vond. Nog zie ik het gebaar waarmee hij een touwtje straktrok om de opgemaakte pagina, nog hoor ik het geluid van de persen in de drukkerij en ruik ik de geur van inkt en lood. Als het redactiewerk erop zat, liepen we over de gracht naar het koffiehuis naast het stadhuis voor een biertje en een broodje. En daarna naar de flipperhal waar we flipperden tot we erbij neervielen. Mensje was heel goed, Tim was beter, maar de beste dat was toch de bliksemsnelle Koentje Koch. Inmiddels zijn we vijftig jaar verder, en wat ik me afvraag: zou er nog geflipperd worden?  

 

Guus Luijters

Aprilnummer 2020

Delen:

Editie:
April
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Column
Tijdperk:
1950-2000

Gerelateerd

Oom Karel en zijn vijf neven
Oom Karel en zijn vijf neven
Column 1 april 2020