Column Felix Rottenberg: Merwedeplein 17

Fiets eens vanaf het Amstelstation de Berlagebrug op en zie hoe halverwege de in de verte de Wolkenkrabber opdoemt, de mooiste flat van Europa; het glazen trappenhuis is schitterend, alsof Mondriaan en Mart Stam mee hebben ontworpen. Midden op de brug kijk je door de ramen van de studeerkamertjes aan het Victorieplein in een rechte lijn door de keuken naar de onderkant van de hemel boven het Merwedeplein.

Historica Rian Verhoeven heeft op een bewonderenswaardige manier alle puzzelstukjes van de oorlogsgeschiedenis van het plein verzameld en zorgvuldig beschreven in haar onlangs verschenen boek Anne Frank was niet alleen.

Het Merwedeplein was een metafoor voor de wereld; alles wat zich in de huizen aan en nabij het plein afspeelde, leek surrealistisch operatheater. Maar het was gewoon realiteit. De terugkerende taferelen van bewoners die elkaar op het plein troffen, op de stoep, zittend in het parkje of in het plantsoen, het laatste nieuws uitwisselden en geheimen bespraken.

Het Merwedeplein was in 1933 een kosmopolitisch stukje van de wereld: een deel van de bewoners was van Duitse, Franse, Luxemburgse, Belgische, Tsjechische, Zwitserse, Engelse, Poolse en Russische komaf.

In 1933 was het nog betrekkelijk eenvoudig om naar Nederland uit te wijken. Vijf jaar later zijn de Nederlandse grenzen dicht, als door de pogroms tijdens Kristallnacht een grote vluchtelingenstroom op gang komt.

Mijn vader was in 1934 met zijn familie naar de Noorder Amstellaan om de hoek van de Wolkenkrabber verhuisd. Ik vond het uitzicht 66 jaar later – ik woonde destijds op de 8ste etage – meesterlijk. Maar het is moeilijk te beschrijven wat ik voelde, als ik op het balkon bij de keuken stond, met uitzicht op het Merwedeplein. Ongemak. Ik kende de verhalen over Joodse bewoners die ondergedoken waren in hun eigen huis, ik zag vaak mensen stilstaan bij Merwedeplein 37, de woning van de familie Frank.

Ik wist toen nog niet dat mijn overgrootouders, Abraham en Theophile Ptasznik-Bienenstock, de vader en moeder van mijn oma Lena, eind 1942 door de nazi’s gedwongen werden van hun woning in de Hacquartstraat naar een van de Joodse wijken te verhuizen. Zij kregen Merwedeplein 17 toegewezen, nu het huis van Rian Verhoeven. Een doorreiswoning, zoals vele verlaten door gedeporteerde Joden. Mijn grootouders bleven niet lang; ze gingen op transport met de eerste van negentien treinen die vanuit kamp Westerbork naar het vernietigingskamp Sobibor vertrokken.

Mijn nicht Hella Rottenberg, die samen met mijn zus Sandra een boek schreef over onze opa Isay Rottenberg, ontdekte vorig jaar in het archief van haar ouders de laatste briefkaart die Abraham en Theophile in de trein naar Westerbork aan hun dochter schreven, en, oh wonder, bij haar in Zwitserland bezorgd werd.

 

Felix Rottenberg

Januari/Februari 2020

Delen:

Buurten:
Zuid
Editie:
Januari Februari
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Column