Column Felix Rottenberg: Dromen van dialecten

Wie stelt deze vraag zichzelf niet: mocht je een nieuw ambacht kiezen, welke krijgt voorrang? De schrijver van dit kroniekje droomt vaak over een functie als dialectoloog. Wanneer ik het voormalige pand van het Meertens Instituut op de Keizersgracht, om de hoek bij gebouw De Bazel passeer, frons ik echter mijn wenkbrauwen. Voskuils zevendelige romancyclus Het Bureau roept naargeestige beelden op: weggestopt in een studeerkamertje, gapend schrijven aan artikelen die in weinig gelezen academische tijdschriften worden gepubliceerd. Of is dialectoloog een beroep dat het onverwacht in talkshows goed gaat doen? Met een vaste rubriek eens in de week waarbij een streek of stad wordt doorgelicht op verdwijnende dialecten.

Mijn belangstelling kreeg een jaar of tien geleden vaart in Café Krom. Met een vaste bezoeker raakte ik in gesprek over de Amsterdamse dialecten. De man sprak ontegenzeggelijk Oud-Amsterdam-Wests. “Woont U in de Bilderdijkstraat?”, vroeg ik. “Drie keer raak, hoe weet U dat? Er hangt toch geen label met mijn naam en adres aan mijn tas.” Op dat moment realiseerde ik me dat ik een héél klein beetje een amateur-dialectoloog was, in het geheel niet vergevorderd en af en toe succesvol, door een combinatie van bluf en ‘helderhorendheid’, dankzij talloze gesprekken met Amsterdamse taxichauffeurs. 

Op jonge leeftijd werd ik min of meer toegelaten tot de virtuele Amsterdamse Vereniging van Mensen Zonder Rijbewijs. Opvallend veel prominenten van D66 waren lid: onder meer de legendarische duizendpoot Hans Gruijters en de wonderbaarlijke politicus Hans van Mierlo. Waar ik het geld vandaan haalde, weet ik niet meer, maar als voorzitter van de Jonge Socialisten bestelde ik toen ik nog bij mijn ouders in de Stichtstraat in Nieuw-Zuid woonde, vaak een taxi om me naar het Centraal Station te laten vervoeren. 

Op de ochtend van 11 juni 1977 stapte ik een taxi in, het nieuws stond aan. ’s Morgens vroeg was de door Molukse jongeren gekaapte trein bij Wijster ontzet. Premier Joop den Uyl sprak, indrukwekkend: “Voor mij is het een nederlaag dat het kabinet zwaar militair geweld heeft moeten gebruiken.” “Steengoed”, zong de taxichauffeur bijna. Dat was toch Jordanees wat ik hoorde? Desgevraagd bevestigde hij dit meteen: “Palmstraat 14, tweehoog”, zong hij weer. In de loop der jaren verlieten de taxichauffeurs de stad, als gevolg van de zogeheten overloop, de verhuizing van traditionele Amsterdamse gezinnen naar nieuwbouwwijken in Purmerend, Hoorn, later Lelystad en Almere. Maar ze bleven hun oude buurtdialect onverminderd spreken.

De allereerste Amsterdamse ‘dialectoloog’ was Jan ter Gouw. Hij onderscheidde in de 19de eeuw negentien Amsterdamse dialecten: van het inmiddels uitgestorven Kattenburgs en de Tongval der Christenen tot het nog sporadisch gesproken Joods-Hollands. Laat ik bescheiden blijven: mijn kennis als amateur-dialectoloog beperkt zich vooral tot het doorgronden van Nieuw-Zuids, vermengd met Gooische klinkers waarin de ‘e’ bijna als een ‘i’ wordt uitgesproken.

  

Delen:

Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Rubriek:
Column

Gerelateerd

Column Guus Luijters: Vijfhonderd uitstapjes
Column Guus Luijters: Vijfhonderd uitstapjes
Column 1 juli 2021