Chinese liefde van dochter Pierre Cuypers valt helemaal verkeerd

'Ik heb u lief. Ik wil met u zijn. Kom vanavond om half negen in de galerij van het Paleis voor Volksvlijt, West-Einde, dan zullen wij samen spreken.’ [Briefje van May (Mia) aan Tsengki-Harr (Frederick), in Blank en geel van Lodewijk van Deyssel.]

Dát was schrikken voor Pierre Cuypers, de beroemde architect van kerken, Rijksmuseum en Centraal Station. Zijn dochter Mia verliefd op een Chinees! Nee! Jawel. En tegen alles en iedereen in zet dochterlief haar zin door. Niet alleen de familie is in rep en roer: de hele Amsterdamse high society.

Tussen 1 mei en 1 oktober 1883 beleefde Amsterdam vijf geweldige maanden. Een lange zomer van feestelijkheden die uitwaaierden vanaf het terrein van de Wereldtentoonstelling. Bezoekers uit binnen- en buitenland vergaapten zich aan de luidruchtige kermis achter het Rijksmuseum in aanbouw en genoten van melodieën van de Berlijnse kapel van dirigent Benjamin Bilse, de met bloemen versierde feestmasten in de stad en de indrukwekkende elektrische verlichting. Alles bijeen was het de ideale enscenering voor opbloeiende verliefdheden. 
Eén van die verliefden woonde om de hoek in de Vondelstraat bij haar beroemde vader, de architect Pierre Cuypers. Achteraf gezien had hij wellicht liever wat verder weg gewoond – misschien waren er dan geen schandaal en geen moeizaam huwelijk geweest. Hij was destijds nog dagelijks actief bij de voltooiing van ‘zijn’ Rijksmuseum en ‘zijn’ Centraal Station en woonde hier met zijn echtgenote Antoinette Alberdingk Thijm en hun vier nog thuiswonende kinderen. Hij stond op het toppunt van zijn roem.

Grote ambities 
O Cuypers, Neerlands bouwvernuft / Wij zien uw werk en staan versuft. Meteen al bij zijn allereerste grote opdracht – de bouw van de nieuwe Sint-Lambertuskerk in Veghel (1856-1862) – werd hij met deze lofzang luid geprezen. Zijn naam was toen al gevestigd dankzij de lofzangen in het tijdschrift Dietsche Warande van zijn latere zwager Jozef Alberdingk Thijm. Cuypers trok een spoor van nieuwe katholieke kerken door Nederland. Ook in Amsterdam. Van zijn hand zijn de Posthoornkerk (1860), de Vondelkerk  (1870) en de Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste (1871). 
Hij raakte tijdens zijn studie gegrepen door de neogotiek. Cuypers en zijn medeliefhebbers van de Middeleeuwen en de gotiek voelden zich revolutionairen, bestormers van de bewonderaars van de Antieken en de Renaissance. Met de neogotiek vonden zij aansluiting bij de vormentaal van de oorspronkelijke christelijke kerk van vóór de Reformatie en plaatsten de katholieken zich in de traditie van de ongedeelde moederkerk.
Ook als restaurator van monumenten maakte Cuypers naam. Hij kwam in vriendschappelijk contact met de Franse architect Eugène Viollet-le-Duc, bekend door zijn restauratie van de Notre-Dame in Parijs. Hij had de beroemde Fransman ook een beetje nodig: collega-architecten waren buitengewoon kritisch over zijn drastische ingrepen in de middeleeuwse Munsterkerk in Roermond. Het was één van de redenen waarom Cuypers zijn geboortestad achter zich liet en naar Amsterdam verhuisde.
Met een reuzensprong werden Cuypers en zijn zoon Jos dankzij hun almaar groeiende bouwfabriek en ervaring met restauratiewerkzaamheden een soort van ‘Rijksdienst voor de Monumentenzorg’. Tot 1910 voerden zij –krachtig geholpen door de machtige katholieke ambtenaar Victor de Stuers – zo ongeveer alle belangrijke restauratieopdrachten van het Rijk uit. De roem als nieuwbouwarchitect vervluchtigde wat sneller. Het Rijk selecteerde Cuypers niet meer voor grote projecten na de voltooiing van het Amsterdamse Centraal Station en het Rijksmuseum. Dat moet pijnlijk zijn geweest voor de ambitieuze bouwmeester.

Nouveau riche
Ook de Wereldtentoonstelling van 1883 en de festiviteiten eromheen waren de aanzet tot een voor hem pijnlijke geschiedenis. Zijn dochter Mia (Maria Catharina Ursula, 1864-1944) ontmoette tijdens de feestelijkheden de Chinese koopman en vertegenwoordiger van het Chinese ministerie van Koophandel Frederick George Taen-Err Toung, kortweg Frederick Taen (1859-1945) . De romance die volgde viel niet in goede aarde bij vader en moeder Cuypers. Zij beschouwden de affaire als een bedreiging van hun naam en faam. De huwelijksvoltrekking ging na drie jaar verloving desondanks gewoon door. Bij die gelegenheid op 27 april 1886 poseerde het jonge stel voor de fotograaf.
Wij zouden van deze laat 19de-eeuwse affaire weinig meer vernomen hebben als Lodewijk van Deyssel, pseudoniem van Mia’s neef Karel Alberdingk Thijm, er niet zijn novelle Blank en Geel op had gebaseerd. Het werk beleefde tussen 1892 en 1921 meerdere herdrukken. Neeflief zette oom Pierre in de eerste pagina’s fijntjes neer als een man van geringe afkomst die zijn fortuin dankt aan zijn zwager en aan het speculeren met bouwgrond, kortom als een nouveau riche. Cuypers’ concurrenten en vijanden hebben de novelle ongetwijfeld met plezier gelezen.
Volgens de normen van de toenmalige standenmaatschappij was de katholieke familie Cuypers anno 1886 nog maar net doorgedrongen tot de maatschappelijke bovenlaag. Nieuwe arrivés beseften nu dat zij extra hun best moesten doen om erbij te blijven horen. Net als in eerder eeuwen wist men in 19de-eeuws Amsterdam precies elkaars soortelijk gewicht qua stand. 
Pierre Cuypers was het negende kind van een Limburgse familie. Dat leverde hem in West-Nederland een matige uitgangspositie op. Voor katholieken had men in het nog altijd door een protestantse elite gedomineerde Nederland – en Amsterdam – niet zoveel achting. Brabant en Limburg behoorden ook nog tot eens het Zuiden: een deel van het land waarvan men in het Noorden dacht dat zij bij de Belgische Opstand eerder sympathiseerden met de Belgen dan met het vaderland. Een geluk bij een ongeluk was dat Cuypers niet omhoog kwam vanuit de onderste laag van de maatschappij. Zijn vader was huisschilder, zijn ooms waren respectievelijk brouwer in Vlodrop, bakker in Roermond en decoratieschilder in Roermond en Amsterdam. Daarmee behoorden zij tot de middenstand.

Identiteit
En die vermaledijde Frederick Taen, hoe zat het met zijn uitgangspositie? Zijn vader Albert kwam in 1842 op zevenjarige leeftijd naar Engeland vanuit China. De drie voorafgaande jaren hadden de Britten de Eerste Opiumoorlog uitgevochten met China. De inzet was niet zozeer opium als wel de Britse eis van vrije toegang tot de Chinese havens. Fredericks vader en grootvader verdienden aanvankelijk hun geld in Engeland met goochelen en jongleren, later openden zij een importhandel van thee en allerhande Japanse en Chinese artikelen. 
Voor Albert waren er in Engeland weinig geschikte Chinese huwelijkskandidaten te vinden. Dat zal mede de reden zijn geweest dat hij in het huwelijk trad met de Engelse Frances Alice Poolman. Hij ging nog wat verder in zijn aanpassing aan Engeland. Niet alleen trouwde hij buiten de eigen etnische kring, ook nam hij het geloof over van zijn echtgenote en trad toe tot de anglicaanse kerk. Een voorwaarde van de familie Poolman? Waarschijnlijk wel. 
Tegelijkertijd bleven de Taens hechten aan hun eigen identiteit. Zij hielden vast aan hun Chinese namen, haardracht en kleding. Mogelijk waren de vooroordelen over hun leven als gemengd echtpaar en deels Chinese identiteit een reden voor de ouders van Frederick om de winkel te verplaatsen van Londen naar het toleranter geachte Duitse Dresden. Voor Frederick lag een huwelijk met een Chinese vrouw, ondanks de verbondenheid met China en de Chinese gewoonten, niet erg voor de hand. Er waren weinig Chinese huwbare meisjes en door zijn Engelse moeder en jeugd in Engeland en Duitsland was hij minstens zo Europees als Chinees georiënteerd.

Jawoord
Nederland stond anno 1886 tweeslachtig tegenover de Chinezen en hun cultuur. De Westerse houding van superioriteit ten opzichte van de niet-Westerse wereld werd in die jaren alleen maar sterker. Symptomatisch is bijvoorbeeld dat in Nederlands-Indië gemengde huwelijken vanaf de tweede helft van de 19de eeuw werden afgekeurd, terwijl ze voordien gewoon waren geweest. Er ontstond een blanke bovenlaag. Van oudsher stonden de Chinese en de Japanse cultuur echter in hoog aanzien. Dat aanzien kreeg juist een extra stimulans door de aandacht van kunstenaars en verzamelaars voor onder andere Chinese en Japanse prenten. Typerend is bijvoorbeeld dat het Rijksmuseum tot op de dag van vandaag Japanse en Chinese kunst verzamelt en toont als ‘echte kunst’, terwijl kunstvoorwerpen van andere niet-Westerse culturen een plekje krijgen in volkenkundige musea. Die benadering is toen geboren.
Frederick Taens Chinese afkomst was voor Pierre Cuypers niet het enige bezwaar tegen een huwelijk met zijn dochter. Waarschijnlijk had hij minstens zoveel problemen met de ‘middenstander’ Taen. En zeker had hij als conservatieve katholiek moeite met het feit dat de geliefde van zijn dochter een aanhanger was van de anglicaanse kerk. Om die reden legde Cuypers de zaak voor aan de bisschop. Nogal verrassend had de kerkvader geen bezwaar tegen het huwelijk en adviseerde hem toe te stemmen. Zo geschiedde. 
De vraag is dan waarom het gevoel van schandaal tot ver in de 20ste eeuw doorleefde, zeker in de kring van de familie Cuypers. Het exotische en niet erg standsbewuste huwelijk maakte de familie natuurlijk kwetsbaar voor roddels in een wereldje waarin dames en heren van stand elkaar met hoge frequentie troffen bij theevisites en in sociëteiten. De novelle van Lodewijk van Deyssel kwam zes jaar later het geheugen weer opfrissen, toen de ergste roddels allicht waren weggezakt. Het echtpaar Taen-Cuypers zorgde er vervolgens zelf voor dat het schandaal de gemoederen bleef bezighouden.

Twee detectives
Aanvankelijk leek alles goed te gaan. Het jonge stel vestigde zich in Berlijn en kreeg kort na elkaar vier kinderen: Eric, Nina, Theo en Thea. Maar na tien jaar huwelijk beschreef Mia haar situatie als een grauwe desillusie. Zij wilde van Frederick scheiden omdat hij haar niet trouw was. Een opmerkelijke en voor die tijd nogal progressieve houding aangezien het als vrij normaal werd beschouwd dat mannen ook buiten de deur seksueel plezier zochten. Zo lang het ‘discreet’ gebeurde, was er naar de toenmalige maatstaven weinig reden tot klagen voor de echtgenote. Mia’s moeder adviseerde haar dochter dan ook om haar lot te aanvaarden. 
Maar Mia voelde daar niets voor en stuurde vastberaden aan op een scheiding. Getouwtrek over de scheiding en de kinderen volgde. Frederick wilde de kinderen niet loslaten. Pierre Cuypers stuurde twee detectives naar Duitsland, die zich voordeden als politieagenten en erin slaagden de kinderen weg te voeren. Mia trok daarna met de kinderen van plek naar plek, zich schuilhoudend voor haar echtgenoot. Zij woonde achtereenvolgens in Taormina op Sicilië, Nîmes en Valkenburg. 
Na de officiële scheiding in november 1897 volgde in 1899 het besluit dat de kinderen bij haar mochten blijven. Het maakte geen einde aan de omzwervingen van Mia. Eerst woonde zij een tijdje bij haar vader in Amsterdam en vervolgens in Aken, Castel Gandolfo, Napels en Vaticaanstad, waar ze is overleden. Ook Frederick hield er een kosmopolitische levensstijl op na. Wij treffen hem onder andere aan in Alexandrië, Yokohama en Parijs. Desondanks slaagde hij erin zijn kinderen te blijven zien.
De huwelijks- en scheidingsperikelen van Mia en Frederick en de herdrukken van Blank en geel bleven het vuurtje van het schandaal tot na 1900 telkens weer voorzien van extra brandstof. Tot cynisch amusement van de betere kringen en tot verdriet van de familie.

Delen: