Centrum van de wereld: de Chassébuurt van Kees Fens

Kees Fens (1929-2008), de grootste literaire criticus die Nederland ooit had, groeide op in de Chassébuurt tijdens de crisisjaren. Zondags de mis in de nieuwe Chassékerk, naar school langs het stempelkantoor, de eindeloos lange Witte de With, straatkinderen.

Het was armoe troef in de Chasséstraat tijdens de crisisjaren. Zeker bij Kees Fens (1929-2008) thuis na de vroege dood van zijn vader. Als bekend literair criticus en professor bleef hij terugkeren naar zijn geboortegrond. Soms in levende lijve, vaker in zijn artikelen. Naar de kerk aan de overkant. Naar de rij werklozen bij het stempelkantoor om de hoek. Naar de Joodse winkeliers Aluin. Naar de Wiegbrug. Een wandeling door de Chassébuurt van Kees Fens met zijn herinneringen bij de hand.


Een lijkwagen rijdt langzaam door de Van Speijkstraat. De doodbidder loopt ervoor, zijn hoge hoed in de hand. Erachter een lange rij auto’s. Het is koud op deze dag in januari. De lijkwagen slaat linksaf de Van Kinsbergenstraat in. De auto’s gaan rechtdoor. Ze horen er niet bij. 
“De dood, dat is de laatste week van augustus. Met mijn vader ging het steeds slechter; daar werd niet over gepraat, maar zijn adem piepte steeds luider en sneller, je kon het ook in de andere kamers horen. De slaapkamer van mijn ouders bleef gesloten. Toen ik donderdagochtend wakker werd, was mijn vader dood.” Fens senior was ooit zeeman, maar had tuberculose en was jarenlang ernstig ziek. Hij ging zijn zoon in 1939 bijna tachtig jaar voor, thuis in de Chasséstraat 71 tweehoog. Een paar dagen later lag hij op Begraafplaats Sint Barbara aan de Spaarndammerdijk: “In de verte, vergeten, langs een dijk, in een kuil met drie vreemdelingen, te ruimen na tien jaar”, schreef de zoon, die zelf op 14 juni 2008 zou overlijden.

Mijnheer Aluin 
De wandeling begint op de stoep van Chasséstraat 71. Het huis waar Kees Fens zijn jeugd doorbracht. Vier kamers en een “ongelofelijk kleine wc en maar één kraan, in de keuken.” Op driehoog woonde een schilder met zijn vrouw en zes kinderen. “Dat is voor mij één van de allergrootste raadsels, dat toen zoveel mensen in zo’n klein huis woonden.” De straat dateert van omstreeks 1915, toen nog de Rijnstraat in de gemeente Sloten.
Aan de overkant staat de Chassékerk, de bijnaam van de in 1927 voltooide kerk Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand (1). De buurt was katholiek: “Men zocht, als mijn moeder, de nabijheid van de kerk op. Het grote aantal katholieken in de straat was bijna triomfantelijk zichtbaar in de omvang van het kerkgebouw - er konden elfhonderd mensen in.” De kerk heeft een prachtige gevel met twee torens. Op de begane grond zit nu Chassé Dance Studios en boven komt een hotel. De katholieken in de buurt zijn uitgestorven.
Verderop ligt de drukke Admiraal de Ruijterweg. Op de hoek is de ouderwetse ijzerwinkel De Vijl, met het oude houten gevelbord en de etalage vol gereedschap. De Vijl zat er al in de jaren dertig en was van het Joodse echtpaar Aluin (2).
“Zij zijn de enigen van de honderdzoveelduizend die ik gekend heb. ‘Gereedschap kan heel mooi zijn’, dat zijn zowat de enige woorden die ik me van hem herinner. Op een heel warme zomerdag moest mijn moeder daar een boodschap doen. Mijnheer Aluin stond op zijn plaats, in zijn grijze magazijnjas, met daarop een ster. Mijnheer Aluin overhandigde me een bundeltje zaagjes voor een figuurzaag die ik nooit had willen hebben .‘Dat is voor jou’, zei hij. Niet lang daarna werd de winkel gesloten. Mijnheer en mevrouw Aluin waren weg.”

De Drie Baarsjes
Op naar de Wiegbrug (3). “De Wiegbrug was een grens van het eigen domein. Aan de overkant lag een lichtere wereld, de mooiste weg die ik ooit kende. Erover ging je de geschiedenis in. Ik liep van de twintigste de negentiende eeuw in. De De Clercqstraat had een sterk negentiende-eeuws karakter.” Onderweg opvallend mooi betegelde portieken. De tegels van 55 zijn met de hand beschilderd en gemaakt door een tegelhandel uit de Spuistraat. 
Midden op de brug maken we pas op de plaats. Hier gooide de redactie van het literaire tijdschrift Barbarber eens een heel pak tijdschriften in het water. K. Schippers, die in de Van Speijkstraat opgroeide: “Er zaten zoveel tikfouten in dat we de hele zwik weggooiden. Ik zie het nog zinken, het zonk langzaam. Er was bij de Wiegbrug een café: en daar stond op het raam ‘De brug is open, even een borrel kopen.’ En: ‘Even pauze, dat smaakt.’” Het water van de Kostverlorenvaart stroomt hier al 600 jaar. Tot 1921 was het kanaal de stadsgrens. Aan het brugwachtershuisje zit sinds 2004 het opmerkelijke, metalen kunstwerk Boegbeeld van Leonie Mijnlieff.
Beneden onderaan het trappetje ligt een oeroud stuk Baarsjesweg. Hier stond de herberg de Drie Baarsjes, al genoemd in 1642 en in 1956 gesloopt (4). De wijk dankt er zijn naam aan. Op de hoek van de Slatuinenweg staat een voormalige politie- en brandweerpost van de gemeente Sloten (5). Rechts is de bebouwing van de Slatuintjes, een kerkpad uit 1675. De plek is bekend van een andere Kees die ook jong zijn vader verloor. Kees de Jongen keek hier naar een kunstschilder aan het werk en droomde weg.

Niets zonder moeite
De Westermoskee doemt op (6). Die wonderlijke combinatie van een grote Turkse moskee met Amsterdamse Schoolelementen aan een plein genoemd naar de Ottomaanse zeevaarder en cartograaf Piri Reis. Een rondje om de moskee onthult de retro-architectuur van het plein, de achterzijde en de hoge, slanke minaret. For a colourful Amsterdam, zegt een bord. 
“Het moet de grootste moskee van Nederland worden, geloof ik. Over enige tijd zal, niet ver van mijn jeugdkerk in de Chasséstraat, de moskee staan, het oosten zet zich onontwijkbaar neer in het westen. Duizenden ruggen zullen zich er buigen in gebed, het Arabisch zal klinken als vijftig jaar geleden het Latijn. Een tijdperk is voorbij. Ik denk dat na de grootste moskee nog enkele grotere komen. Geloof kent geen maat. De roomse expansie in Amsterdam bewijst het. Allah krijgt de eerste eeuw het woord. Totdat het ook onder de koepels stil wordt. En leeg.” 
Verder richting de Kinkerbrug en de Postjesweg over. Het monumentale gebouw Het Sieraad, in 1924 opgeleverd als de 4e Ambachtsschool, domineert deze plek (7). De halfronde gevel is versierd met beelden van Hildo Krop. ‘Niets zonder moeite’, staat er als motto. Beneden aan het water ligt café Edel. Wie via de Postjesweg om het gebouw heen loopt, ziet de achterkant streng en loodrecht in het water staan.
“Het bouwwerk maakt door zijn grote afmetingen, door zijn stoeren opzet en de opvallende degelijkheid van uitvoering een imponeerenden indruk. Het is vooral de naar binnen gebogen gevel die een verrassenden indruk maakt, vooral als men uit de rommelige Kinkerbuurt een hoek omkomend dezen gevel plots voor zich uit ziet rijzen”, schreef het Bouwkundig Weekblad in 1926.

Witte de With
Het bordje van de Kinkerbrug zit verborgen achter de met camera beveiligde bloemenstal. “De Kinkerbrug brengt je naar de Kinkerstraat. In de Kinkerstraat heb ik bewust mijn eerste gevoelens van vervreemding gekend. Ik was ontheemd, helemaal weg uit mijn eigen buurt. De eindeloosheid van de straat is later het beeld geworden van de eindeloosheid van de jaren dertig, van de grauwheid daarvan ook. Kwam ik terug in mijn eigen straat, dan kende ik een lichte vorm van geluk.”
Rechtsomkeer de Postjesweg over, waar de eigenaardige Witte de Withstraat begint. Driehonderd meter lange woonblokken met eenvormige gevels, naar ontwerp van Arend Jan Westerman, net als Het Sieraad overigens. Boeiende etalages van kunstzinnige bedrijfjes tillen de straat op. De schrijver Guus Luijters (1943), die opgroeide in Bos en Lommer, bezong de Witte de With. 
Diep in de straat verrast het pas opgeknapte Witte de Withplein. Een ijzeren kunstwerk lijkt te zweven rond de boom. De hoogwaardige nieuwbouw getuigt van de opkomst van de buurt na tientallen jaren verval. Aan de overkant huist in een oud kerkgebouw moskee an-Nour (8).

Doorleren 
Op de hoek werd hier Jan Blokker geboren, die andere grote journalist die opgroeide op een kleine verdieping in West. Hij beschreef in Ons Amsterdam van mei 2009 een herinnering uit de jaren dertig: “We hadden een spionnetje, waarmee je kon zien wie eraan kwam. Door dat spionnetje zag ik in de Witte de Withstraat een demonstratie van werklozen. Er kwamen smerissen met knuppels die de werklozen in elkaar tremden. Ze moesten weg, opsodemieteren uit die keurige straat.” 
Kees Fens hield een toespraak voor Jan Blokker toen deze 65 werd. “De buurt was vrij stil en ook wat saai. Dat was het gevolg van het fatsoen en van de tussenpositie die de bewoners innamen: die van de middengroep. Alle energie en vitaliteit stopt ze in de kinderen. Die moeten het verder brengen dan hun ouders, die meestal geen middelbare school hebben. Er moet dus geleerd worden, beter gezegd: doorgeleerd. ‘Doorleren’ was veel te weten willen komen, veel boeken lezen, kennis verwerven. We wisten het toen niet, maar dat doorleren werd een levensopdracht.” 
Westwaarts voorbij de nieuwbouw ligt aan het eind van de Van Kinsbergenstraat de Admiralengracht. Een sierlijke voetgangersbrug (Piet Kramer, 1917) steekt over naar de Carbotstraat en het Balboaplein, waar Ruud Gullit en Frank Rijkaard voetbalden. Over deze brug liep de jonge Fens naar zijn lagere school. “Dat was misschien wel de gelukkigste tijd van mijn leven. Ik zat in een klas met 48 kinderen, daarvan hadden twee vaders werk.” Een paar honderd meter naar rechts is de Jan Evertsenstraat met de Molenslootbrug. Er staat een kleurig betegelde bank, die de vermoorde juwelier Hund herdenkt: “Fred Hund 1944-2010. 50 jaar juwelier op de Jan Eef. 7-10-2010 doodgeschoten bij een laffe overval.” (9)

Frontgebied
De laatste etappe voert door de Jan Evertsenstraat terug naar de Chasséstraat. Op de hoek het hippe café Radijs, aan de overkant de enorme nieuwe Albert Heijn. De winkels onder de arcade ogen wat verlopen. De Jan Evertsenstraat laat de huidige opkomst van west zien naast resten van de nog niet geheel verdwenen verloedering. De straat is ook een ‘frontgebied’ van de ‘multiculturele samenleving’: naar het centrum wordt de stad steeds witter en rijker, naar het westen gekleurder en armer. 
Restaurant Speijkervet heeft zijn naam van de Van Speijkstraat geleend. Op nummer 104 eenhoog werd Kees Fens geboren, op nummer 128 eenhoog K. Schippers. Linksaf in de Van Kinsbergenstraat staat een hek voor het schoolplein van de lagere school om de hoek (10). Rinus Michels zat erop, de latere generaal van het Nederlandse totaalvoetbal. Op deze plek haalden de werklozen dagelijks hun stempel. Fens: “Daar was de crisis dagelijks zichtbaar. In een groen gemenied gebouw lag, achter een ijzeren hek, een stempelbureau. Er stond vele uren per dag een rij. Het passeren van dat stempelkantoor – ik moest er op weg naar school altijd langs – reken ik tot de verschrikkelijkste ervaringen van mijn jeugd.” Het houten gebouw is in de oorlogsjaren opgestookt in talloze kacheltjes.

Meedogenloze overheid
De wandeling eindigt waar hij begon: Chasséstraat 71. Hier voetbalde Fens en vocht hij menig robbertje: “Ik was geen doetje en ken nog alle rotstreken”, zei hij vlak voor zijn dood. Hij was een goede leerling en ging naar het Sint Ignatiusgymnasium in Zuid. “Toen ik eindexamen van de middelbare school had gedaan, stond de volgende dag een vent van Sociale Zaken op de stoep. ‘Hij is per 1 augustus kostwinner’, zei hij. Studeren was er niet bij. Die sociale controle is een schande zonder weerga geweest. Ik weet nog dat mijn vader zaterdag was begraven en dat op de maandag weer een man van Sociale Zaken op de stoep stond om te vragen of mijn moeder via de verzekering wat aan de begrafenis had overgehouden. Volstrekt meedogenloos.” 
Na zijn dood eerde diezelfde overheid hem door een brug over de Keizersgracht naar hem te noemen: eerbetoon aan een jongen uit de Chasséstraat die tot het laatst verbonden bleef aan zijn geboortegrond.

 

SERGE MARKX IS HISTORICUS EN WERKT ALS TEKSTSCHRIJVER OP HET STADHUIS.
MEER LEZEN? IN 2014 VERSCHEEN BIJ UITGEVERIJ ATHANEUM–POLAK & VAN GENNEP DE BIOGRAFIE MIJN VERSNIPPERD BESTAAN. HET LEVEN VAN KEES FENS 1929-2008, GESCHREVEN DOOR WIEL KUSTERS.

Delen: