Burgemeesters sinds 1824

25 burgemeesters van Amsterdam

1824-1828
David Willem Elias (1758-1828). De eerste ‘solo-burgemeester’, nadat hij al vanaf 1814 één van de toen vier gelijktijdig zitting hebbende burgemeesters is geweest. Bekleedt al stedelijke functies sinds 1779. Verzet zich als calvinist fel tegen bestuursfuncties voor joden. Pleit er in 1828 vergeefs voor provinciaal bestuur van Haarlem naar Amsterdam te verplaatsen. Klein, tenger en eerbiedwaardig ouderwets: blijft tegen de heersende mode in kniebroeken en gepoeierde pruiken dragen. Etaleert graag zijn rijkdom. Populair bij de bevolking. Stierf ‘in het harnas’, 70 jaar oud.

1828-1836
Mr. Frederik van de Poll (1780-1853). Uit oud Amsterdams regentengeslacht. Laat als burgemeester (met zeer beperkt gemeentebudget) in 1829 de Jan Rodenpoortstoren en Haringpakkerstoren afbreken, vanwege de hoge onderhoudskosten. Opent het Oosterdok (1832) en Westerdok (1834). Weet geen raad met Soeploodsoproer in 1835 en treedt daarna ‘vrijwillig’ af.

1836-1842
Willem Daniël Cramer (1788-1856). Oud-officier van Justitie en oud-raadslid. Deftig, maar niet uit de allerhoogste kringen, zoals zijn voorgangers. Drukt in 1840 de omstreden bouw van de Beurs van Zocher op de Dam door. Ontraadt overheidssteun aan oprichting dierentuin Artis: het stadsbestuur heeft wel “belangrijker, noodzakelijker en minder gevaarlijke bemoeijingen”. In 1839 decoratief aanwezig bij opening van de eerste (particuliere) spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem.

1842-1849
Pieter Huidekoper (1798-1852). Eerste doopsgezinde burgemeester. Eerder assuradeur en raadslid. Geen familie van 17de-eeuwse burgemeester Joan Huydecoper. IJvert voor woningbouw voor arbeiders. Heeft te kampen met economische crisis en voedselschaarste. Wordt bedreigd bij ‘Dam-oproer’ in Europees revolutiejaar 1848. Neemt ontslag ‘om gezondheidsredenen’. Op de gedenkpenning ter ere van zijn afscheid staat: “Hij was der stede goed. Hij deed den arme wel.”

1850-1853
Mr. Gerlach C.J. van Reenen (1818-1893). Jongste Amsterdamse burgemeester ooit: bij zijn aantreden 31 jaar. Niettemin in stijl en denkbeelden zeer bedaagd. Was eerder advocaat en wethouder. Werd benoemd vlak voor de invoering van de nieuwe Gemeentewet, die de (voortaan verkozen) gemeenteraad de baas maakte. Creëert eigenmachtig de functie van hoofdcommissaris van politie, omdat hij inziet dat hij (nu formeel ‘hoofd van de politie’) niet zelf de dagelijkse leiding kan hebben. Vertrekt om Thorbecke op te volgen als minister van Binnenlandse Zaken. Later zeer machtig als vice-president van de Raad van State.

1853-1853
Hendrik Provó Kluit (1801-1860). Begonnen als vooruitstrevend advocaat, van 1840 tot 1848 daadkrachtig Directeur van Politie. Voert daar een grote reorganisatie door: o.a. invoering uniform en wijkbureaus. Aangezocht als burgemeester wegens zijn (bij het Damoproer van 1848) getoonde “onverschrokkenheid”, zijn “betamelijke eerzucht en “nauwgezette zucht tot orde”. Is een autoritair leider; haat vergaderen. Laat grote initiatieven graag over aan particulieren als Sarphati. Vlucht al na zeven maanden naar de Raad van State.

1855-1858
Cornelis H.B. Boot (1813-1892). Treedt aan nadat wethouder Van Iddekinge een jaar lang waarnemer was. Schoonzoon van oud-burgemeester Cramer. Eerder raadslid en officier van Justitie. Verlicht liberaal, met literaire aspiraties. Hecht aan voortzetting “bezadigd overleg”, maar is wel overtuigd voorstander van openbaarheid van de raadsvergaderingen, wat dan overigens al drie jaar wettelijk verplicht is. Stemt toe in de bouw van het Paleis voor Volksvlijt (een plan van Samuel Sarphati), onthult Eendracht-monument op de Dam (‘Naatje’) en opent de spoorweg naar Keulen. Vertrekt na drie jaar om minister van Justitie te worden.

1858-1866
Jan Messchert van Vollenhoven (1812-1881). Oud-wethouder, neef van Van Reenen. Afkomstig uit bierbrouwersgeslacht Van Vollenhoven (De Gekroonde Valk, Hoogte Kadijk), die familienaam heeft opgetuigd. Medeoprichter (in 1852) van de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse, de allereerste woningbouwvereniging. Onder hem bleef de aanpak van de zware vervuiling en verkrotting uit, onder meer door de hoge schuldenlast van de stad. Sarphati c.s., die met plannen hiervoor leurden, kregen weer weinig steun. Wel ging in 1864 het Paleis voor Volksvlijt open. Ook werd door de gemeente na een grote cholera-epidemie de stinkende Goudsbloemgracht gedempt: bij de Jordanezen kon deze burgemeester daarna niet meer stuk.

1866-1868
Cornelis Fock (1825-1910). Jurist uit doopsgezind milieu. Eerste burgemeester van buiten de gemeenteraad. Klassiek liberaal: betoogt in 1853 in een brochure dat armenzorg aan de kerken moet worden overgelaten. Vóór zijn benoeming in Amsterdam burgemeester van Wijk bij Duursteede en Haarlem. Doortastend bestuurder: reorganiseert stadhuisorganisatie, bevordert openbaar onderwijs. Opent Sarphati’s Amstelhotel (1867). Ondersteunt (nog vergeefs) regeringsplan voor Centraal Station op eilanden in het IJ. Verder moeizame verhouding met regering: ministers duiden hem onderling aan als “dat canaillepak” en “die kleine kwast”. Wordt na val kabinet zelf minister van Binnenlandse Zaken, en drukt dan CS-plan alsnog door.

1868-1880
Cornelis A.J. den Tex (1824-1882). Net als vele voorgangers tot dan toe advocaat en raadslid. Uit de hoogste kringen. Heeft volgens eerste Amsterdamse socialisten geen andere verdiensten “dan die van te wonen in de bogt der Heerengracht en zeer rijk te wezen”. Gematigd liberaal. Geldt als “krachtige, rauwe figuur”, met “hooge gestalte”, maar is volgens volkse vijanden niet meer dan een “scheele sodemieter”. Fel antisocialistisch, maar ijvert wel voor de bouw van arbeiderswoningen. Voorstander van planmatige stadsuitbreiding, maar onteigeningen gaan hem te ver. Laat in 1876 (het jaar waarin het Noordzeekanaal wordt geopend) het Kermisoproer gewelddadig neerslaan. Breidt daarna de politie uit en richt professionele gemeentebrandweer op. Treedt af wegens ziekte. Langstzittende burgemeester in de 19de eeuw.

1880-1891
Gijsbert van Tienhoven (1851-1918). Als wethouder van Financiën al energieke rechterhand van zijn voorganger, o.a. drijvende kracht achter de omvorming van het Athenaeum Illustre tot Universiteit van Amsterdam (1877). Charmant en informeel in eigen kring; organiseerde met zijn vrouw Marie veel culturele avondjes in hun huis Saxenburg op de Keizersgracht. Zeer bevriend met koningin-regentes Emma. Tijdens zijn bewind breidt de stad zich gigantisch uit en krijgt de stad beeldbepalend gebouwen als het Rijksmuseum, Concertgebouw, Carré en een nieuwe Stadsschouwburg. Hij bevordert economische groei, maar moet niets weten van overheidsingrijpen in sociale nood. Reageert fel op socialistische meetings, petities en werklozendemonstraties. Laat Palingoproer (1886) bloedig neerslaan: 26 doden. Vertrekt om premier en minister Buitenlandse Zaken te worden.

1891-1901
Mr. Sjoerd A. Vening Meinesz (1833-1909). Jurist van Friese afkomst; eerder hoofdredacteur van Algemeen Handelsblad en burgemeester van Rotterdam. Stijf, regentesk, onkreukbaar, behoudend, maar dekt wel steeds zijn voortvarende links-liberale wethouder Wim Treub bij het in gemeentehanden brengen van telefoon, gasvoorziening, waterleidingbedrijf en tram. Zelf behoedzaam, scherp analyticus. In de raad vaak sarcastisch, vandaar zijn bijnaam ‘Vinnige Manus’. Zijn stijve houding komt overigens mede voort uit chronische jicht. Onder zijn bewind wordt groot deel van de gemeente Nieuwer-Amstel geannexeerd (1896) en verloopt, door tactisch politieoptreden, de inhuldiging van koningin Wilhelmina (1898) zonder incidenten.

1901-1910
Mr.dr. Willem. F. van Leeuwen (1860-1930). Oud-wethouder van Financiën. Geboren in Surabaja. Vormelijk, maar ‘losser’ dan Vening Meinesz. Nu en dan heetgebakerd. Harde werker, krachtig bestuurder. Krijgt in zijn jaren te maken met stadsuitbreiding, cityvorming en explosieve groei van het gemeentelijk apparaat. Probeert bij Spoorwegstakingen 1903 inzet leger zo veel mogelijk te vermijden, ondanks aansporingen daartoe van premier Kuyper. Wil geen “rijkskruier” zijn. Pleit vergeefs voor meer macht voor B&W en wethouders van buiten de raad. Ziet eerste socialisten toetreden tot gemeenteraad en klaagt over dalend peil. Treedt af om Commissaris der Koningin in Noord-Holland te worden.

1910-1915
Jhr.mr.dr. Antonie Röell (1864-1940). Eerder burgemeester van Leeuwarden en Arnhem. Beroepsbestuurder, houdt niet van politiek, maar wel van decorum en grandeur; een Bourgondische, on-Amsterdamse ‘landjonker’, gevat tafelredenaar. “Niet groot van postuur, eenigzins gezet”, aldus een journalist. Heftigste incident in zijn jaren is de Zeeliedenstaking van 1911, met de ‘Bloednacht van Kattenburg’. Verder is het een tijd van rustige stadsuitbreiding: Berlage tekent zijn Plan-Zuid, en de eerste verkeersagenten worden aangesteld.

1915-1921
Ir. Cornelis W.J. Tellegen (1859-1921). Oud-directeur Bouw- en Woningtoezicht. Geboren in Groningen. Eindelijk eens geen jurist, wel hoogleraarszoon en schoonzoon oud-burgemeester Fock. Progressief-liberaal. Werkt nauw samen met SDAP-wethouders Wibaut en Vliegen. Zeer betrokken bij volkshuisvesting. Geeft niet om status: woont niet op een gracht of (zoals Röell) aan de Amstel, maar in de Jacob Obrechtstraat. Houdt niet van het voorzitten van de raad. Moest zich in zijn ambtsperiode bezig houden met werkloosheid en voedselnood door oorlog buiten de grenzen, Aardappeloproer 1917, revolutiedreiging 1918, Spaanse Griep, bouw Transvaalbuurt en Spaardammerbuurt, annexatie buurgemeenten (1921). Sterft in functie aan hartaanval.

1921-1941
Willem de Vlugt (1872-1945). Langstzittende burgemeester na 1795. Minst chique achtergrond tot dan toe (aannemer, zoon van Kattenburgse scheepstimmerman), maar geenszins armlastig door o.a. bouw Bijenkorf. Lid kleine Anti-Revolutionaire Partij. Met scepsis begroet door gemeenteraad, maar al gauw populair. Energiek, charmant-behendig voorzitter, statusgevoelig, joviaal, ‘burgervader’, maar op gepaste afstand van zijn burgers. Bewoont als eerste ‘ambtswoning’ Herengracht 502, geschonken door zakenman Van Aalst. Zeer bevriend met eveneens tonronde en wit-besikte losbol prins-gemaal Hendrik. Lost in 1935 eindelijk ‘paleis-raadhuiskwestie op’: paleis (ex-stadhuis) op Dam definitief aan rijk afgestaan, in ruil voor ƒ 10 miljoen voor bouw nieuw stadhuis. Ander gebeurtenissen in De Vlugts jaren: uitbreiding en modernisering stad en haven; Olympische Spelen 1928; economische crisis; Jordaanoproer 1934; Februaristaking 1941; erfpachtschandaal (hetze tegen De Miranda) 1939. Aanvankelijk standvastig tegen NSB, sputterend tegen bezetter, maar later meegaand als curator ARP-dagblad De Standaard. Na Februaristaking afgezet; mag na de oorlog niet terugkomen van regering in Londen.

1941-1945
Mr. Edward. J. Voûte (1887-1950). In loopbaan gefrustreerde telg uit deftig hugenotengeslacht. Geen NSB-lid, wel opportunistisch aanhanger van de Nieuwe Orde. Hengelt langdurig bij Rost van Tonningen naar burgemeesterschap. Aangesteld door bezetters, maar niet dol op botte SS. ‘Alleenheerser’: benoemde wethouders beschouwt hij als hulpjes. Geen felle antisemiet, maar voert alle anti-joodse maatregelen braaf uit. Wist sommige maatregelen van de bezetter in individuele gevallen te verzachten. Na de oorlog veroordeeld tot 3,5 jaar cel.

1945-1946
Feike de Boer (1892-1976). Oorspronkelijk reder (Stoomvaart-Maatschappij Nederland). Progressief liberaal. Viel tijdens oorlog op bij o.a. Willem Drees in gijzelaarskamp Sint Michielsgestel; aangezocht om na de bevrijding in Amsterdam ‘puin te ruimen’. Op eigen verzoek benoemd voor minder dan één jaar, als interim-burgemeester tot nieuwe raadsverkiezingen.
Doortastend, nuchter, droge humor, uiterst onambtelijk, lak aan status. (Tegen de stadhuisbode die zijn jas wilde aannemen, riep hij uit: “Man, dat doe ik bij jou toch ook niet!”). Bemoeit zich vooral met wederopbouw, herstel van de haven en het opvijzelen van het verwaterde arbeidsmoraal.

1946-1956
Arnold J. d’Ailly (1902-1967). Oud-bankier, neefje van A.E. D’Ailly, schrijver van de Historische Gids van Amsterdam. Eerste PvdA-burgemeester, maar nauwelijks ‘partijman’. Populairste en meest populistische burgemeester ooit: dol op Jordaanfeesten, duivenmelkersbijeenkomsten, klaverjaswedstrijden enzovoorts. Charmant, zwierig, joviaal voor ieder toegankelijk. Een echte ‘burgervader’, maar in 1955 keihard tegen stakend gemeentepersoneel. Weinig op het stadhuis te vinden en veel op pr-missies naar het buitenland: ‘burgemeester D’Ailleurs’. Droeg als laatste het ambtskostuum. Kenmerkend voor zijn termijn zijn de Wederopbouw en de Koude Oorlog. Saneert gemeentefinanciën, zet stad internationaal op de kaart, loodst IJtunnelplan door gemeenteraad. Trad (volgens insiders) af wegens buitenechtelijke verhouding.

1956-1967
Mr. Gijsbert (Gijs) van Hall (1904-1977). Uit Amsterdams regentengeslacht. Regelt als kersvers bankier met broer Wallie financiering verzet 1943-1945 (Nationaal Steunfonds). Oorspronkelijk liberaal, kort na de oorlog PvdA. Principieel, sociaal bewogen, slim, geestig, maar ook stijf en regentesk. Taai onderhandelaar. Na de bouw van de Schellingwouderbrug en de Coentunnel, drijft hij de langverbeide bouw van de IJtunnel door, en krijgt (ondanks verzet kabinet) parlement mee voor annexatie deel Weesperkarspel voor de bouw van de Bijlmer. Weet echter geen raad met provobeweging, protesten tegen huwelijk Beatrix & Claus en Bouwvakkersoproer (1965-1966). Heeft politie niet in de hand. Onelegant afgezet door kabinet. Schreef mémoires Herinneringen van een Amsterdammer (1976).

1967-1977
Mr. Ivo Samkalden (1912-1995). Oud-hoogleraar en oud-minister van Justitie (PvdA). Laat tegen massaal verzet in de Drie van Breda vrij, op humanitaire gronden. Hyperintelligent, onvermoeibaar, hoffelijk, afstandelijk. Kan met vier uur slaap toe. Verwoed schaker. Heeft meer greep op politie, maar laat keihard optreden tegen Maagdenhuisbezetters (1969) en Nieuwmarktbuurt-activisten (1975). Grote trots: bouw Bijlmer – die echter snel verloedert. Steunt in groeiend conflict ‘grootschaligen’ en ‘kleinschaligen’ resoluut de eersten. Grote conflicten in B&W (met o.m. Van Duijn en Lammers). Drukt in 1975 aanleg metro door.

1977-1983
Wim Polak (1924-1999). Geboren in arm joods gezin in Koestraat. Eerder Vrije Volk-redacteur, wethouder van Financiën/loco-burgemeester, staatssecretaris. Bedachtzaam, vriendelijk, bescheiden, geestig, vredelievend. Tactisch onderhandelaar. Sociaal-democraat pur sang; weinig affiniteit met oplaaiend anarchistisch sentiment. Haat inzetten politie, maar voelt zich er bovengemiddeld vaak toe gedwongen door militante kraakbeweging. Probeert tegelijk huizenspeculatie te beteugelen. Herstelt band met politieleiding. Kreeg te maken met kraak De Groote Keyser en Handelsbladgebouw (1978; beide later door gemeente aangekocht) en Lucky Luyck (1981-1982). Saneert (met wethouder Etty) de gemeentefinanciën. Weet rijk tot steun te verleiden aan plan combinatie nieuw Stadhuis met Muziektheater. Steunt wethouder Schaefer in energiek woningbouwbeleid.

1983-1994
Drs. Ed. van Thijn (geb. 1934). Na De Vlugt langstzittende burgemeester. Zoon van joodse textielhandelaar op de Nieuwmarkt. Verbleef in oorlogsjaren op 18 onderduikadressen en in kamp Westerbork. Lid/voorzitter PvdA-fractie in gemeenteraad (1962-1971) en Tweede Kamer (1967-1983). ‘Kroonprins van Joop den Uyl’. Vlak voor en na burgemeesterschap kortstondig minister van Binnenlandse Zaken. Zeer sociaal bevlogen (fel tegen racisme en antisemitisme), matig bestuurder, maar goede raadsvoorzitter en volijverig ‘stadsambassadeur’. Kreeg te maken met: drugsoverlast Zeedijk en Mercatorbuurt, instelling stadsdelen, ingebruikneming Stopera. Kampt met losgeslagen kraakbeweging (bespuugd in Staatsliedenbuurt; bedreigd na dood kraker Hans Kok in politiecel). Hecht verbond met politiechef Eric Nordholt. Reageert daadkrachtig op Bijlmerramp 1992.

1994-2001
Mr. Schelto Patijn (geb. 1936). Uit Haags burgemeestersgeslacht. Oud-Kamerlid PvdA en Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland. Een keurige meneer, maar zonder kapsones. Raakt daardoor onverwacht snel ingeburgerd, ondanks onwennige reactie op rumoerige hoorzittingen over o.a. tippelzone. Geroutineerd doch hyper-voorzichtig bestuurder, zwakke raadsvoorzitter, maar zeer populair als ‘burgervader’, in relatief rustige jaren. IJvert voor herstel normen en waarden, o.m. strikte naleving verkeersregels. In zijn tijd speelde de ontwikkeling Open Havengebied, besluitvorming IJburg en Noord-Zuidlijn. Vertrekt om medische redenen iets eerder dan gepland.

2001-2010
Mr. M.J. (Job) Cohen (geb. 1947). Geboren in Haarlem, als zoon van Leids/Amsterdams historicus. Eerdere functies: rector magnificus universiteit Maastricht; staatssecretaris van Justitie. Zeer sociaal-intelligent, vriendelijk, maar onpersoonlijker dan Patijn. Wil te midden van polariserende stadsbevolking “boel bij elkaar houden”. Uitstekende team-builder. In brede kring geliefd en bewonderd, maar ook wel bestempeld als ‘teflon-burgemeester’ of ‘softie’. Opmerkelijke gebeurtenissen: eerste homo-huwelijk (2001), huwelijk Willem-Alexander & Maxima (2002), onrust na moord op Theo van Gogh (2004); jongerenoverlast in o.a. Diamantbuurt (2004).


Delen: