Burgemeesters in soorten en maten

Pieter Adriaan Diepenhorst (1879-1953) was onder meer advocaat, juridisch hoogleraar aan de Vrije Universiteit en lid (voor de Anti-Revolutionaire Partij) van de Eerste Kamer, Provinciale Staten van Noord-Holland en de Amsterdamse gemeenteraad. Als boerenzoon was hij voorzitter van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond. Oh ja, hij was ook oom van de eveneens vermaarde ARP-politici en professoren I.A. ('Ietje') Diepenhorst en W.F. ('Gajus') de Gaay Fortman. Tijdens de Tweede Wereldoorlog noteerde hij zijn herinneringen.

"Van de drie vermelde functies schonk het lidmaatschap van den Amsterdamschen gemeenteraad de minste voldoening. In de eerste periode van 1908 tot 1913 trad ik weinig op den voorgrond, maar in het tweede tijdvak [1917-1920, red.], toen de antirevolutionaire fractie zeer was gedund en de sociaal-democratische fractie overheerschend sterk was, moest ik herhaaldelijk in het voorste gelid staan.
Het raadslidmaatschap van Amsterdam is een tijdroovende geschiedenis. Talrijk en lang waren de vergaderingen; in den begrootingstijd kwam de raad weken achtereen in middag- en avondvergadering samen. De verhouding tusschen de leden der verschillende partijen was destijds - gunstige uitzonderingen daargelaten - verre van vriendschappelijk. De beraadslagingen werden meermalen op groven toon gevoerd; vooral tusschen communisten en sociaal-democraten liet de ridderlijke houding alles te wenschen over. Aangelegenheden die volkomen zakelijk behandeld hadden kunnen worden, raakten herhaaldelijk door politieke bijkomstigheden van ongunstig allooi vertroebeld.
Onder drie voorzitters heb ik gediend. Burgemeester Van Leeuwen was de eerste, daarna kwam jhr. mr. A. Röell, terwijl ik onder burgemeester Tellegen afscheid nam. Verreweg de pootigste van de drie was burgemeester Van Leeuwen. Een krachtige, robuuste figuur die van zijn hart geen moordkuil maakte en zich in het particulier gesprek soms te ver liet gaan. Toen ik na mijn eerste verkiezing vóór mijn installatie hem een bezoek bracht, pakte hij geducht uit over zijn raadsleden, in dezen trant: 'Dat is fatsoenlijk van u mij een bezoek te brengen. Zooveel fatsoen hebben de meeste van uw collega's niet. U zult eens zien wat voor een elementen er onder schuilen.'
Met ijzeren hand leidde hij de vergaderingen en in de raadsvergaderingen hield hij ongenaakbaar de waardigheid van Amsterdam en van zijn ambt op. De verhouding tusschen hem en een deel van de den raad, vooral de sociaal-democraten, was slecht. Zeker hadden zij reden tot de klacht dat de persoonlijke bejegening van sommige raadsleden niet wellevend kon heeten. Eigenlijk zag hij met zeker dédain op verschillende leden neer; voor wie hij sympathie koesterde was hij hartelijk, maar wie hem tegenstonden konden geen goed doen bij dezen magistraat, die Amsterdam lief had als weinigen en zich aan zijn ambt wijdde met volle overgave van zijn persoon.
Burgemeester Röell was een gansch andere figuur. Hij was een hoofsch man, die den raad met veel meer vriendelijkheid tegentrad. Toch wist hij bij alle soepelheid, ook tijdens onstuimige raadszittingen, de teugels goed in handen te houden. Hij was een voortreffelijk administrateur en scherp jurist; verordeningen opstellen, artikelen opstellen was zijn lust, terwijl hij bij uitstek de gave bezat zijn gedachten in keurige bewoordingen uit te drukken.
Geheel apart van deze twee moet burgemeester Tellegen worden gezien. Hij wist enorm veel van het stedelijk beleid; vooral de meer technische kwesties der bedrijven, van bouw- en woningwezen hadden voor hem geen geheimen. Als leider der raadsvergaderingen echter was hij slap; hij sprak geweldig veel en uitvoerig. Stuur en kracht ging in de samenkomsten niet uit van dezen harden werker, die veel te veel van zijn krachten eischte. (...)
Een hoogtepunt van de jaarlijksche koninklijke bezoeken vormde voor de raadsleden de koninklijke maaltijd, waar zij werden uitgenodigd. Eens deed zich een ietwat pijnlijk incident voor. Schuins tegenover de koningin was gezeten het oudste raadslid, de heer Sutorius. Toen de maaltijd was afgelopen en allen opstonden, drukte deze blijkbaar met zijn rug wat stevig tegen de niet-stevige stoel. Deze bezweek; de gebroken stoel en de heer Sutorius kwamen op de vloer terecht. De koningin maakte haar verontschuldigingen en vroeg hem: 'Mijnheer Sutorius, bent u niet erg geschrokken?' Het antwoord van den snaakschen oude heer luidde: 'Majesteit, de stoel is veel meer geschrokken dan ik.'"

P.A. DIEPENHORST, HERINNERINGEN. ONDER REDACTIE VAN J. DE BRUIJN EN R.E. VAN DER WOUDE. HISTORISCH DOCUMENTATIECENTRUM VOOR HET NEDERLANDS PROTESTANTISME, AMSTERDAM 2003.

Beeld: Pieter Diepenhorst in 1923. Stadsarchief Amsterdam/Vereenigde Fotobureaux N.V.

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari
Jaargang:
2018 70
Rubriek:
Stemmen uit het verleden
Tijdperk:
1900-1950