Boeken uit Het Paradijs. Bibilotheek Pompejus Occo telde duizenden boeken

De rijke en machtige Pompejus Occo had een befaamde bibliotheek, thuis in zijn huis Het Paradijs. Die collectie viel uit elkaar. Vorig jaar doken er twee manuscripten op. Het Allard Pierson aarzelde niet en kocht ze aan. 

Pompejus Occo was “rijker dan een satraap” en geweldig trots, volgens de Amsterdamse humanist Alardus van Amsterdam (1491–1544), die hem kende. Occo’s woning, genaamd Het Paradijs, in de Kalverstraat, grenzend aan wat nu de Papenbroekssteeg is, was een ontmoetingsplaats van de Europese elite en van Amsterdamse kunstenaars en humanisten. 

Koopman Occo was geen geboren Amsterdammer. Hij kwam in 1483 in Oost-Friesland ter wereld, onder de naam Poppe Okkesz en groeide op bij zijn oom Adolf Occo in Augsburg, die hem inwerkte in het machtige koopmans- en bankiershuis van de familie Fugger. In 1510 of 1511 verhuisde Poppe/Pompejus naar Amsterdam. Hij trouwde met de Amsterdamse Gerbrich Claesdr. en was al snel een van de belangrijkste mannen van Amsterdam. Namens het huis Fugger zorgde hij voor het transport van koper vanuit Dantzig via Amsterdam naar Antwerpen. Ook trad hij op als informant en bankier van de Deense koning Christiaan II en diens adviseur Erik Valkendorf, de aartsbisschop van Trondheim. Hij kende zijn verantwoordelijkheden ten opzichte van kerk en maatschappij. Hij was kerkmeester van de Heilige Stede, waar het Mirakel van Amsterdam had plaatsgevonden, en vervolgens van de Nieuwe Kerk. 

Schuin tegenover hem in de Kalverstraat woonde de schilder Jacob Cornelisz. van Oostsanen, van wie hij meerdere schilderijen kocht. Ook bemiddelde hij waarschijnlijk bij opdrachten die koning Christiaan II van Denemarken aan Van Oostsanen gaf. Alardus vermeldt dat Occo bovendien veel bijdroeg aan de aankleding van de Heilige Stede: “Hij zorgde voor de versiering, inrichting, bekleeding en opluistering der geheiligde altaren, en bedekte de marmeren wanden der kerk met beelden, glanzend van de hand des kunstenaars.” 

 

Boekenworm

Befaamd was Occo’s verzameling boeken en handschriften. Hij bezat minstens 1000 boeken, misschien nog wel heel veel meer, aangezien hij de bibliotheek van zijn oom had geërfd, die volgens de overlevering zo’n 2000 banden telde. 

Behalve juridische en letterkundige werken bevatte de boekerij met zekerheid geschriften over geld en munten. Bijzonder en belangrijk waren de handschriften van de Groningse humanist Rudolphus Agricola (1443-1485).

Alardus wilde Agricola’s bekendste werk, De inventione dialectica, graag uitgeven, maar hij kreeg het handschrift niet, ook niet na bemiddeling door hun wederzijdse vriend Erasmus. Dat was uitzonderlijk, want meestal stelde Occo zijn bibliotheek zonder problemen ter beschikking aan onderzoekers. Boos beweerde Alardus in een brief aan Erasmus dat Occo de nalatenschap van Agricola verwaarloosde. Juist de oudste en kostbaarste werken werden door de boekenworm aangevreten, schreef hij.

Pas in 1528 kreeg Alardus het handschrift onder ogen. Wat bleek? Al rond 1516 was het handschrift door een Deense hoveling uit Occo’s huis ontvreemd en hij was twaalf jaar lang bezig geweest om het terug te krijgen, terwijl hij ondertussen belangstellenden op een afstand hield. Dit gedrag kenmerkte Occo, die zich altijd voorzichtig en zwijgzaam opstelde. De humanistische deugd van de zelfbeheersing bezat Occo in hoge mate, zoals Alardus in zijn grafrede schreef: “Ook zijn tong hield hij in bedwang, wat wel heel zelden voorkomt.”

Alardus’ oordeel over het beheer van de bibliotheek lijkt vooral door zijn frustratie gevoed te zijn, aangezien de boeken van Occo die wij kennen in uitstekende staat verkeren, al waren het er tot kort wel heel weinig, om precies te zijn twee handschriften. Het belangrijkste (nu in de Koninklijke Bibliotheek van België in Brussel) is een subliem verlucht koorboek, in 1515–1517 in Occo’s opdracht vervaardigd voor de Heilige Stede door de Mechelse kalligraaf Petrus Alamire. Het tweede bewaard gebleven handschrift (nu in het Rijksarchief in Haarlem) is een bijbeltje uit Parijs van rond 1250, aan Occo geschonken door een vertegenwoordiger van Erik Valkendorf, de aartsbisschop van Trondheim, als dank voor geslaagde transacties.

 

Inscripties

Occo werkte actief mee aan de publicatie van enkele kerkelijke en devote boeken. Het eerste was een gebedenboekje, speciaal bedoeld voor reizende kooplieden, In melius singula (‘Doe elke zaak ten beste’, het devies van Occo), uitgegeven in Parijs in 1519. Het was “een cleyn boecxken tot dien eynde ghedruckt op dat het van een yeghelick mede gedraghen conde werden.”

De beide handschriften die het Allard Pierson nu verworven heeft, een getijdenboek en een gebedenboek, passen in de belangstelling van Occo voor devote werken. Ze zijn door hemzelf aangeschaft. Dat hij deze boeken naar waarde schatte, blijkt wel uit de inscripties op de voorbladen. In het getijdenboek staat: “Dit boek hoert poppius occo tamsterdam int paradys”; in het gebedenboek: “Liber Pompeij occo civis Amstelredamensis” (Dit boek is van Pompejus Occo, burger van Amsterdam.) en “Dit boeck hoert tamsterdam int paradijs 1525”.

Zoon Sybrant Occo erfde in 1537 zijn vaders bibliotheek, inclusief deze handschriften. Als aanhanger van het oude (katholieke) geloof moest hij bij de Alteratie in 1578 de stad verlaten. Zijn erfenis nam hij mee naar Kalkar. In de loop der eeuwen raakte de collectie verspreid en uit beeld. Twee getuigen van Occo’s bibliotheek zijn nu teruggekeerd naar Amsterdam, in het Allard Pierson aan de Oude Turfmarkt, op een steenworp afstand van de plek waar zij thuishoorden: Het Paradijs.

MARIKE VAN ROON IS HOOFDCONSERVATOR ALLARD PIERSON.

Maartnummer 202

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
Maart
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1500-1600