Boeken op de markt

Botermarkt werd in de 19de eeuw boekenmarkt

Dagelijks speuren liefhebbers naar zeldzame boeken of goedkope pockets in de Oudemanhuispoort en op het Waterlooplein. Wekelijks wordt geneusd in de koopwaar op het Spui en ook de Dam en de Amstel worden regelmatig aangedaan. Een rondgang langs populaire en verdwenen boekenmarkten in Wereldboekenstad Amsterdam.

“De markten te Amsterdam zijn misschien wel zo oud als de stad zelf.” Zo begint de verhandeling over de geschiedenis van de markt die L. Jansen bijdroeg aan Ons Amsterdam van bijna een halve eeuw geleden (oktober 1959). En de heer Jansen, ‘verbonden aan de Dienst der Publieke Werken’, zal vast gelijk hebben gehad. Al aan het eind van de 13de eeuw werd marktrecht verkregen. Naast markten voor vis, rundvee en hooi ontstonden er gespecialiseerde markten voor zo’n beetje alles. Hier en daar is aan de Amsterdamse straatnamen nog te zien wat er verhandeld werd, zoals de Kalverstraat, Appeltjesmarkt, Zoutsteeg, Oude Turfmarkt en Karnemelksteeg. Uiteraard waren op die eerste markten nog geen boeken te vinden. Daar moest nog zo’n twee eeuwen op worden gewacht. De boekdrukkunst werd immers halverwege de 15de eeuw uitgevonden, in 1506 verscheen de eerste boekdrukker in Amsterdam.

Botermarkt
De Botermarkt heeft in de 19de eeuw de primeur. De boterhandelaren verplaatsen zich in 1669 vanwege ruimtegebrek van de Dam naar de Reguliersmarkt, die vervolgens Botermarkt gaat heten en die we nu kennen onder de naam Rembrandtplein. Na 1815 verandert het karakter van de markt en ten slotte worden het de boekenstalletjes die het gezicht van het plein bepalen. De Botermarkt wordt daarmee de eerste grote boekenmarkt van de stad. Henri Polak geeft er in zijn Amsterdam die groote stad… uit 1936 een beschrijving van: “De Botermarkt was in die dagen een plein, vrijwel gelijk aan het tegenwoordige Amstelveld: een verhoogd vierkant middengedeelte, de verkeersweg eromheen. (...) Elken dag verrezen tussen de Utrechtschestraat en de Waag [waar zich nu de Halvemaansteeg bevindt, de Waag werd in 1874 afgebroken, KvG], dus in schuine lijn over het verhoogde gedeelte, twee rijen stalletjes, waar oude boeken werden verkocht. Sommige hunner eigenaars woonden en hadden antiquariaten op de Botermarkt.”
Onder hen is Henri Smit, de grootvader van Henri Polak, en Mordechai (Marcus) Lobo, bij wie van 1860 tot 1862 Multatuli in huis woonde, tegenwoordig Rembrandtplein nr 6. Een jaar ervoor trouwens was aan de overkant (nu Rembrandtplein 46, op de hoek van de Utrechtsestraat en Botermarkt) de dichter Willem Kloos (1859-1938) geboren. Over zijn verblijf hier schreef Multatuli aan zijn vrouw Tine (Verzamelde Werken deel 10, 1960): “Hier in mijn kwartier – ’t zijn geringe mensen – weten ze niet wat ze zullen doen om mij te believen. Ik zal nog zoo aan die kamer wennen dat ik hem houd om te werken.” Hij werkte er aan Woutertje Pieterse(1862-1877): “Wouter vergaf aan de zon dat zij opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan de porder dat-i porde, aan de effectenman, dat-i “in” effecten was, hij vergaf alles aan allen omdat hij zich zo gelukkig voelde”. 
In 1876 besluit het College van B & W tot herinrichting van de Botermarkt. Het beeld van Rembrandt (van Louis Royer), dat al sinds 1852 op de markt stond, zou centraal komen te staan met een plantsoen eromheen. De boeken moeten weg. Besloten wordt de markt te verhuizen naar de Oudemanhuispoort, tussen Kloveniersburgwal en Oudezijds Achterburgwal.

Oudemanhuispoort
De Oudemanhuispoort maakte onderdeel uit van het Oude Mannen en Vrouwen Gasthuis uit 1602. Vanaf 1757 werden er in de winkelgalerij in de Poort kostbare gouden, zilveren, aardewerken voorwerpen, en ook wel boeken verkocht. Dit eindigt in 1831, als het gebouw een andere bestemming krijgt en het – niet zo bevorderlijk voor de handel – als cholerahospitaal wordt ingericht: voortaan worden er, zeker tijdens epidemieën, dagelijks zwaar besmettelijk zieken naar binnen gedragen, en lijken naar buiten. Een ander soort dood op deze locatie vinden we later terug in het detectiveverhaal Moord in de Poort (1965), van de vermaarde historicus J. Presser (1899-1970). Het pand biedt onder meer nog onderdak aan de Academie voor Beeldende Kunsten en de voorganger van het Rijksmuseum, het Museum Van der Hoop, tot het in 1882 centrum wordt van de Universiteit van Amsterdam.
Als in 1876 de boekenmarkt op de Botermark moet verhuizen, denkt men al snel aan de leegstaande, zogenoemde winkelkasten in de Poort, en vanaf 1 juli is hier de commercie, na een intermezzo van een kleine halve eeuw, terug. Maar dan nu wel – tot de dag van vandaag, elke dag behalve zondag – met uitsluitend (tweedehands)boeken en prenten. 
Een van de eerste klanten is, na een bezoek aan Museum Van der Hoop, Vincent van Gogh, zo veronderstelt Jurjen Vis in De Poort (2002). Begin 1877 schrijft Vincent aan zijn broer Theo: “Had gelegenheid bij een boekenjood (…) uit eene groote partij [prenten, van onder andere Jacob en Matthijs Maris, KvG] uit te zoeken. (…) Dacht [dat] ik er nog eenige wilde nemen voor mijn kamertje, dan komt er wat stemming in.” Vincent woont in die tijd in Amsterdam, in de Grote Kattenburgerstraat. De term ‘boekenjood’ behoeft geen verbazing te wekken: voor de oorlog was de handel in de Poort vrijwel geheel in joodse handen.
Een bezoeker van na de oorlog is de dichter Jac. van Hattum (1900-1981):
“Ik nam er heel den ochtend voor, / want weet, men vindt daar altijd wat en is verrast wanneer hij een boek vindt met voorin een joodse naam: Want zij, die eens dat boek bezat, / haar heb ik naamloos lief gehad… / Weer zijn m’n schaarse vreugden zoek. / Er stond een Joodse naam in het boek.” Uit: Oudemanhuispoort, Verzameld werk, verzen, 1993)
De Poort heeft markante boekhandelaren gekend. Naast de eerder genoemde Marcus Lobo bijvoorbeeld Barend Boekman, wiens grootvader, ook boekhandelaar, bij de verplichte naamsaanneming in 1811 zijn achternaam aan zijn professie had aangepast. Barend vierde in 1939 zijn 70ste verjaardag en 50-jarig jubileum, waarbij zijn collega’s dichtten: “Boekman in boeken. / Nu al vijftig jaar / Was hij hier te zoeken. / Altijd fris en klaar!” In 1942 werd hij, onmiddellijk na aankomst in het Poolse vernietigingskamp Auschwitz, om het leven gebracht. Barend was de oom van Emanuel, de befaamde sociaal-democraat en wethouder die in 1940 zelfmoord pleegde.
Tussen de boekhandelaren was de Italiaanse scharensliep Bino Cozzini (tot begin jaren zeventig) een vreemde eend in de bijt. Hij nam in 1928 de ‘fijnslijperij’ van zijn vader over. Diens compagnon Frizzi was al overleden. Frizzi, die buitengewoon zwaarlijvig was, uitsluitend Italiaans sprak en vele liters bier per dag dronk, deed niets liever dan zingen in de akoestisch daarvoor zo geschikte Poort. Die akoestiek komen we overigens vaker tegen als het over de Oudemanhuispoort gaat. Boekhandelaar Leo Schreuder blies hier elke morgen op zijn trompet de reveille en journalist Herman Vuijsje herinnert zich (in Het centrum van de wereld, 1992) hoe hij in zijn studententijd midden in de nacht een doedelzakband die de weg kwijt was, door de Poort loodste: “Dat was mijn kennismaking met de adembenemende akoestiek van de Oudemanhuispoort. 30 doedelzakspelers die zich in een holle pijpenla afblazen na een gemankeerde nacht; dat galmt je hele leven na.”
In de Poort heeft al vanaf 1876 elke verkoper zo’n één tot drie kasten in gebruik, van de in totaal veertien. Hoewel er wel sprake is van enige specialisatie, gaat men toch vooral uit van het ‘voor elk wat wils - principe’. De 85-jarige Louis Putman, wel de nestor van de Amsterdamse boekhandelaren genoemd, concludeert: “De boekhandel in de Poort is natuurlijk niet te vergelijken met die van de echte antiquariaten, maar de vraag naar tweedehands boeken zal altijd blijven bestaan. Let op mijn woorden: de Poort gaat door.”

Zuiderkerkhof
Antikwariaat Putman (gespeld met ‘kw’, want zo schreef Vondel het ook, en daar is Putman een groot liefhebber en kenner van) is sinds 1985 gevestigd aan het Rusland. Daarvoor, vanaf 1971, had Putman een antiquariaat op de Prinsengracht. Hij is de verzamelaar voor verzamelaars: “Iemand heeft bijvoorbeeld alle mogelijke drukken van een schrijver als Nescio of Elsschot, maar er is natuurlijk veel meer verschenen over zo’n schrijver. Daar ga ik dan naar op zoek. En dat kunnen recensies, reclamefolders of foto’s zijn, maar bijvoorbeeld ook iets heel simpels als een deeltje in de AO-reeks die via scholen wordt verspreid. Dit is maar een voorbeeld, maar toch lukt het me steeds om voor verzamelaars iets te vinden wat zij zelf over het hoofd hebben gezien of waar ze niet op kwamen.” (De Boekenwereld, tijdschrift voor boek en prent, december 2007) 
Het leek Putman een goed idee om – naast de Oudemanhuispoort – te starten met een boekenmarkt. Hij vroeg Heske Kannegieter, die toen in een antiquariaat werkte, of zij mee wilde doen en zo verscheen in 1986 de eerste tweedehandsboekenmarkt op het Zuiderkerkhof (voor de deur van schrijver Jean Paul Franssens, 1938-2003). En daarmee was ook Kannegieters De Kan geboren, de organisatie die, naast markten ook boekenreizen organiseert. Het Zuiderkerkhof werd al snel te klein en er werd verkast naar de Dam en de Amsteloever - waar op een aantal zondagen in de zomer nog steeds boekenmarkten worden gehouden. Ook breidde De Kan sindsdien uit naar De Pijp: het Marie Heinekenplein.
Een heel bijzondere markt vond op 18 mei 2008 plaats. In het kader van Amsterdam Wereldboekenstad (23 april 2008 - 22 april 2009), een door de UNESCO toegekende titel, organiseerde De Kan ‘de grootste boekenmarkt ter wereld’: 900 kramen die een groot deel van de binnenstad in beslag namen. Heske Kannegieter: “Ik vond 18 mei wel een sensatie, omdat er zowel uitgevers, antiquariaten als particulieren aan deelnamen. De deelnemers werden geworven uit het circuit van het antiquariaat, de moderne boekhandels, uitgeverijen en met behulp van de site boekwinkeltjes.nl.”
Louis Putman is wat gereserveerder: “Ach ja, een antiquarenmarkt was het natuurlijk niet: 900 deelnemers, zoveel antiquariaten hebben we in heel Nederland niet.” Een antiquariaat is niet synoniem aan een tweedehandsboekenzaak. Antiquarische boeken zijn oud, verondersteld zeldzaam, van waarde en niet meer in druk. Tweedehandsboeken zijn niet nieuw, maar niet noodzakelijkerwijs zeldzaam of kostbaar of niet meer in druk. Een heldere scheidslijn is overigens soms moeilijk te trekken. Putman zag op de Wereldboekenmarkt vooral stapels tweedehandsboeken: “Iedereen die nog wat boekjes over had, kon er terecht, ik vond het meer een opruimingsmarkt. Het was voor mij allemaal een beetje te veel.”
Voor de werkelijk serieuze speurder naar het goede tweedehands en antiquarische boek zijn er behalve de markten ook nog de boekenveilingen en -beurzen. In 1962 werd de eerste beurs van antiquarische boeken gehouden in het (voormalige) Leesmuseum op het Rokin, een jaar later volgde een tweede op dezelfde plek en in 1964 vond de derde boeken- en prentenbeurs plaats in het (eveneens voormalige) veilinghuis van Mak van Waay, ook op het Rokin. In 1966 werd het eerste internationale verkoopevenement georganiseerd, met antiquaren uit vijftien landen. Het vond ook nu weer op het Rokin plaats, in kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae.

Waterlooplein en Spui
Een markt die zeker niet vergeten mag worden, is de 125-jarige Waterloopleinmarkt. Louis Putman gaat er nog elke ochtend heen: “Natuurlijk is het niet meer zoals toen ik begon, toen er hele inboedels te koop werden aangeboden, met prachtige gebonden boeken; tegenwoordig zijn er trouwens praktisch alleen nog maar paperbacks, helaas. Van de boeken die ik vroeger op het Waterlooplein kocht, kon ik leven. Maar ook nu vind ik er nog wel eens wat. Eigenlijk meer dan op de Noordermarkt of in de Oudemanhuispoort.”
Dat er op het Waterlooplein zorgzame handelaren zijn, illustreert dit ‘waar gebeurde verhaal’ (uit Wandelen langs woorden, 2002): “Een vrouw vroeg bij een stalletje om een bepaald boek van Jan de Hartog, maar de boekverkoper had het niet. Toen de vrouw zes jaar later opnieuw over de markt slenterde, hoorde ze iemand roepen. Ze bleef staan en zag dat het de boekverkoper was. Hij wenkte haar: “Hé, ik heb dat boek van De Hartog gevonden, hoor.” De vrouw kon het nauwelijks geloven: na al die tijd! Het boek kostte een habbekrats. Voor haar werd het een kostbaar bezit.”
Op steenworp afstand van het Rokin vinden we de boekenmarkt waar boekhandelaren, afgezien van die van de Oudemanhuispoort, hun waren het meest frequent presenteren: de markt op het Spui, iedere vrijdag te bezoeken. “Zo’n 25 kramen staan er op de wekelijkse boekenmarkt. Zo’n 40 procent al vanaf de eerste dag, in 1991”, lezen we in Het Parool (van 9 september 2006). Een van de initiatiefnemers is Henk Molenaar: “Amsterdam kende nog geen echte boekenmarkt. Natuurlijk, je hebt de Oudemanhuispoort, maar dat is toch anders. En we wilden natuurlijk het liefst op het Spui. Het Spui is een heilige plaats. We worden hier omringd door boeken en uitgevers.” Na een eerste moeilijke periode, toen er geknokt moest worden tegen het ‘legepleinenbeleid’ van wethouder Guusje ter Horst, kwam de markt er toch. En niet zomaar een markt: er is een heuse ballotagecommissie, het is geen uitverkoop, het triviale wordt geweerd en elk boek moet apart geprijsd zijn.
“Op de dag van de boekenmarkt hoort het Spui tot de vredigste plaatsen van misschien wel de hele wereld”, stelt Henk Hofland in NRC Handelsblad van 4 januari 2008. Hij beschrijft hoe hij langs de stalletjes loopt en mijmert over “de schok der herkenning”: het feit dat je soms iets ziet waarvan je tot dan toe niet wist dat je het zocht. En hoe de boekenmarkten ook worden bedreigd door internet en al die sites waarop je tweedehands boeken kunt bestellen, deze schok der herkenning zul je daar toch niet zo ervaren als op een echte, levende, boekenmarkt. Laten we dus maar hopen dat er altijd boekenmarkten blijven bestaan, al was het maar vanwege het door Hofland zo treffend verwoorde verschijnsel: “Niemand heeft er haast; er is geen spoor van de bezetenheid waardoor het openbare leven hoe langer hoe meer wordt gekenmerkt.”
 

Delen: