Bedreiging op de Beurs

Jacob di Assatur trok in 1714 naar de Beurs om Johannes di Avetick met zijn degen ‘den hals te breecken’: een ruzie tussen de twee Armeense handelaren was hoogopgelopen.

Armeniërs vormden vanaf de vroege 17de eeuw een kleine maar duidelijk zichtbare bevolkingsgroep in Amsterdam, zeker voor wie regelmatig de beurs bezocht. Zij werden ook wel ‘Persianen’ genoemd, omdat sommigen uit de stad Isfahan in Perzië, het huidige Iran, kwamen.

Deze Persianen waren handelaars, actief in de Levantse handel, de handel op het oosten van de Middellandse Zee. Armeniërs waren van oudsher nuttige tussenpersonen tussen de christelijke en de islamitische wereld. Ze werden daarom ook in Amsterdam gewaardeerd. De eerste Armeense bijbel is in 1668 in Amsterdam gedrukt; ook introduceerden zij de koffie in de stad, voordat die grootschalig op plantages in het Caribisch gebied verbouwd ging worden.

De meesten woonden ten oosten van de Nieuwmarkt, rond de Kromme Waal, de Koningsstraat, de Recht- en de Kromboomssloot en de Breestraat, een echte migrantenbuurt. Ze hadden aanvankelijk een huiskerk in de Koningsstraat, maar in 1714 verrees aan de Kromboomssloot een grote Armeense kerk, die er nog altijd staat, en – na een lange onderbreking – sinds 1997 weer in gebruik is als Armeense kerk.

Handelaren

De Armeniërs hadden een eigen plekje op de Beurs, blijkt uit 18de-eeuwse plattegronden. Tussen pilaar twaalf en dertien stonden de ‘Persianen’ naast de ‘Fabriceurs in zijde en manifacturen’. Vóór pilaar twaalf waren de handelaars op Italië, Egypte en Turkije. Op prenten en schilderijen van de Dam en de Beurs worden ze – waarschijnlijk vanwege hun schilderachtige kledij – vaak prominent afgebeeld, zoals door Job Adriaensz. Berckheyde in 1668.

Als kooplieden waren de Persianen natuurlijk regelmatig voor handelszaken bij een notaris te vinden om koopcontracten te sluiten, machtigingen af te geven of afspraken met schippers op papier te zetten. Meestal met een tolk erbij, zoals in 1643 de Portugees-Joodse Isaac Chamis, “die de Armeensche, Turckse en Italiaense talen” sprak. Later waren er altijd wel Armeniërs die de Nederlandse taal geleerd hadden en konden tolken.

Zo iemand was Nazar Jans van ‘Mahchivan in Armenia’ (nu Nachitsjevan in Azerbeidzjan) uit de Sint Antoniesbreestraat. Hij trouwde in 1683 met Maria Gerrets Stas uit Woerden. Toen het stel op 2 januari in ondertrouw ging, ondertekende de 32-jarige Nazar met Armeense letters. Maar 22 jaar later bleek (na het verlies van zijn eerste vrouw) dat hij Nederlands had leren schrijven en een Nederlandse achternaam had aangenomen. Hij signeerde nu met ‘Nasar van Leeuwen’ en was inmiddels tolk geworden, althans dat beroep gaf hij op.

Huwelijken

De Armeniërs vormden duidelijk een aparte groep, met hun eigen taal en hun eigen kerk, maar ze leefden zeker niet afzondering. Dat blijkt uit de huwelijken met Nederlandse vrouwen en soms ook uit notariële akten. Zo verklaarde de Duitse immigrante Trijntje Tijse dat op zondag 20 februari 1656 de ‘Persiaen’ Michiell Jacob te gast was op haar huwelijksfeest met Johannes Visscher. Tijdens de feestelijkheden stuurde Jacob tot twee keer toe een dienstbode met de sleutel naar zijn huis in de Dijkstraat om die aan de knecht te geven. De knecht bleek echter steeds niet thuis te zijn. Later kwam uit dat hij zich op Uilenburg ophield met een ‘Swarte Jode’ genaamt Joseph – multicultureel 17de-eeuws Amsterdam in een notendop.

Hoe vriendelijk men ook doorgaans met elkaar omging, het zijn toch vooral de problemen en de ruzies die in de archieven bewaard zijn gebleven. Toen de Armeense koopman Dominicus Dejodad in 1659 voor zaken naar het buitenland ging, gaf hij zijn spullen in bewaring aan Annetje Jans op de Zeedijk “int huis daer Hamburgh uijthangt”. Terug in Amsterdam bleek de vrouw ervandoor met zijn spullen.

Ook tussen de Persianen onderling was het niet altijd pais en vree. De 25-jarige koffieverkoper Cari de Lichtchae kreeg een in juni 1672 een boete van f 100,-, omdat hij in een dronkenbui slaande ruzie kreeg met “een ander Persiaen” en hem met een mes aangevallen had. En de 24-jarige knecht Jehan Gregorius van Zemachie werd twee weken op water en brood gezet, omdat hij bij zijn Armeense werkgever, die hem eerst een paar flinke klappen had verkocht, met een mes stond te zwaaien.

Wanbetaler

Ook op de beurs ging het er niet altijd zachtzinnig aan toe. Maar liefst negen Armeniërs, inclusief de tolk, stonden op 4 en 5 mei 1714 in het kantoor van notaris Willem de Fay, secretaris van hoofdofficier Ferdinand van Collen, om te verklaren over een akkefietje enkele dagen eerder. Op 30 april was Jacob di Assatur om één uur ’s middags in de volle koopmansbeurs op de koopman Johannes di Avetick afgelopen en had hij gezegd, terwijl hij op de degen die hij aan zijn zij droeg klopte, “dat hij die degen nu eerst gekogt had om Johannes di Avetick daer mede den hals te breecken, indien hij hem geen duijsent g[ulden] gaf”. De f 1000,- zouden onkosten zijn die Di Assatur gemaakt had voor Di Avetick in een zaak tegen ene Albert Jansz.

Waar het over gaat is niet helemaal duidelijk, wél dat Di Avetick niet scheutig was met betalingen, blijkt uit een akte van drie jaar later. De Commissarissen van Kleine Zaken hadden bepaald dat hij f 150,- moest betalen aan de geboren Amsterdammer van Armeense afkomst Martin Gregory. Op 16 februari 1717 verklaarden Goksjabeek di David en Navasart de Ervas dat zij erbij waren toen Di Avetick aanvankelijk weigerde te betalen en pas “na veel woorden over & weder” met slechts f 100,- over de brug kwam. Enkele dagen later ging hij akkoord met nog eens f 25,-, maar de laatste f 25,- weigerde Johannes di Avetick toch echt te betalen.

Tekst: Mark Ponte

Beeld: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam, de Beurs van Hendrick de Keyser, ca. 1780. Links van de rechter pilaar staan twee Armeniërs – herkenbaar aan hun tulband – in een gezelschap van vijf handelaren. Tekening: Herman Schouten en Pierre Fouqet.

Juli-augustus 2021

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Rubriek:
Amsterdamse Akten
Tijdperk:
1700-1800