Bedoeïenen aan de Weesperzijde

Volkerenshows

In 1892 had op een dor stuk weiland aan de Weesperzijde de ‘Bedoeïenen-Karavaan’ haar tenten opgeslagen. Het gezelschap uit Egypte voerde dagelijks een spectaculair programma op met ruiters en een kleurrijke optocht. ‘Volkerenshows’ deden Amsterdam wel vaker aan, tot in de twintigste eeuwEn ze waren altijd drukbezocht.

Meer dan eens waren er tentoonstellingen met mensen uit verre contreien in het Amsterdam van de 19de eeuw. Zo adverteerde de Duitse menageriehouder Prins in het Algemeen Handelsblad van 1835 met de “natuurwonderen” die hij op de kermis op de Botermarkt toonde: behalve een levende krokodil van de oevers van de Nijl en een witte IJslandse beer, ook een “zeer fraaije Hottentot, van Zuid-Afrika”. Hottentot is de benaming die Nederlandse kolonisten in de 17de eeuw gaven aan de Khoikoi, de bevolking van de huidige provincie West-Kaap, bij Kaap de Goede Hoop.
Bijna twintig jaar later vormden op dezelfde kermis vier San (‘Bosjesmannen’) – verwant aan de Khoikoi – een attractie. “De vier wilden of Boschmensen. Zij gelijken meer naar apen dan naar menschelijkse wezens. NB: Men kan hen zonder het minste gevaar naderen”, aldus de annonce in het Algemeen Handelsblad. Een van hen was de “boschdokter” Smoon. Hij kon op alle vragen “in het Hollandsch” antwoorden en vertaalde voor zijn groep. De mensententoonstelling bood onversneden vermaak, maar was ook een unieke gelegenheid om kennis op te doen over mensen van buiten Europa. Gerenommeerde medici togen naar de kermis om lichamelijke metingen te verrichten. 

 

Volkerenshow

De kleine mensententoonstellingen groeiden uit tot grote ‘volkerenshows’. De Hamburger Carl Hagenbeck (1844-1913) speelde hierin een belangrijke rol. Zijn firma leverde wereldwijd wilde dieren aan menagerieën, circussen en dierentuinen; sinds 1862 ook aan de dierenparken van Amsterdam, Rotterdam en Parijs. Met behulp van zijn wereldwijde netwerk van jagers, koloniale beambten en scheepskapiteins organiseerde hij in de periode 1875-1931 bijna zeventig “antropologisch-zoölogische tentoonstellingen”. Met deze term wilde hij benadrukken dat hij een authentiek beeld gaf van andere culturen door het tonen van het alledaagse leven: eten bereiden, dansen, geboorterituelen en ambachten.
Het overweldigende succes van Hagenbecks Völkerschauen vond navolging. De ‘Bedoeïenen-Karavaan’die Amsterdam in 1892 aandeed, werd georganiseerd door twee Duitse ‘impresario’s’ die zich sinds de jaren 1880 toelegden op mensenshows: Ernst Pinkert en Willy Möller. Pinkert had in 1878 de Leipzig Zoo geopend, waarvoor hij dieren betrok van Hagenbeck en toerde twee jaar later al door Duitsland met zijn eerste Bedoeïenen-Karavaan. Möller was net als Hagenbeck een Hamburgse dierenhandelaar: hij ving het exotische wild zelf in Soedan, destijds een provincie van Egypte. Vanaf 1877 toonde hij bewoners uit die streken tezamen met apen, giraffes en dromedarissen in Duitse en Zwitserse dierentuinen. 
Dierentuinen vormden een ideaal decor voor het tonen van Afrikanen, die als ‘natuurvolk’ werden beschouwd. Duitse antropologen meenden dat deze Naturvölker een “oorspronkelijke menselijke natuur” bezaten, onaangetast door iedere culturele of historische ontwikkeling. Zij zouden geen schrift, cultuur of geschiedenis hebben; verstoken van beschaving waren zij in alles het volstrekte tegendeel van de Europese Kulturvölker

 

Kushandjes

Möller haalde in september 1891 een groep van dertig ‘Schuli’ of ‘Suaheli’ naar Europa. Zo werden bewoners van Oost-Afrikaanse kustlanden genoemd, van Somalië tot Mozambique, afgeleid van Swahili, de taal. Met twintig van hen reisde hij langs dierentuinen in Duitsland en Zwitserland. Negen anderen maakten deel uit van de Bedoeïenen-Karavaan, die de grote Europese steden aandeed. Van Milaan tot Kopenhagen en van Brussel tot Wenen trok de groep duizenden belangstellenden. Op de laatste dag in Hamburg kwamen 24.000 mensen kijken; in twee maanden tijd zagen maar liefst 780.000 mensen de optredens in de Parijse Jardin d’Acclimatation, een combinatie van dierentuin en amusementspark. 

De volkerenshow aan de Weesperzijde opende onder grote belangstelling op 6 mei 1892: “De tribunes waren vol toeschouwers; honderden nieuwsgierigen verdrongen zich voor de schutterij, om althans de muziek en de schoten te horen, en op de daken en platten der omliggende huizen werd gratis geprofiteerd van het inderdaad curieus en interessant schouwspel”, berichtte de Amsterdamse correspondent van De Maasbode. Drie weken lang stroomde het publiek toe. Het Nieuws van den Dag schreef:“Niet alleen des Zondags, maar ook elken werkdag gaven de vele bezoekers van het circus drukke passage. Trams, stoompont en overhaalschuiten waren steeds geladen en eivol. De restauratiën in den omtrek werden druk bezocht en leveranciers genoten ook voordeel van hun verblijf te onzent.” De vaste kijkers uit de buurt bleven enthousiast: “Menige kushand werd door de zwarte woestijnbewoners aan het adres van een of andere keukenprinses die zich voor het open keukenraam vertoonde geëxpedieerd.”


Spektakel

Wat kreeg het publiek te zien? De beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam bevat zestien foto’s van de show. Het ‘kamp’ van zeven tenten direct na de ingang. Een dromedaris midden in de ‘woestijn’, gecreëerd door het terrein met wit zand te bestrooien. Vijf met vezels omklede palen als palmbomen van de oase in het midden van het renperk. Een Arabisch koffiehuis, ingericht met kleden en vlaggen, de bonte vrolijkheid straalt zelfs van de zwart-witfoto af. Er werd mokka geserveerd, begeleid door dans en muziek. Een ‘Bazar’ waar bezoekers zijde, meubels en snuisterijen konden aanschaffen. Tweemaal daags was er in het renperk een programma van ruim een uur. Aangekondigd als een “reeks taferelen uit het leven der woestijnbewoners”, bood het vooral visueel spektakel: de ontvoering van dromedarissen door woestijnrovers, een optocht met alle deelnemers, een overval op Britse militairen en een slavenjacht op de Suaheli’s.
Impresario Möller hield “zich niet al te streng aan de etnografische waarheid”, noteerde het weekblad Eigen Haard. “Egyptische Bedoeïenen, die reizigers plunderen, toch, behooren tegenwoordig tot de hooge zeldzaamheden, evenzeer als Bedoeïenen, die negerdorpen aanvallen en de bewoners ervan als slaven medevoeren, en evenzeer als Suaheli’s, die tot slaaf worden gemaakt […].” Maar het merendeel van de pers was vol lof. Het waren “fiere zonen der woestijn”, de Oost-Afrikanen, schreef de correspondent van het Bataviaasch Nieuwsblad, “te paard zittende als waren dier en meester één, prachtige figuren […]”. De danseres in het koffiehuis was “niet van oostersche schoonheid ontbloot” en het Nieuws van den Dag bespeurde “intelligente en sprekende gelaatstrekken” bij de muzikanten die haar begeleidden. Bezoekers konden over het terrein wandelen en de producten van Egyptische pottenbakkers en broodbakkers bekijken. Alles gaf “een treffend visioen van het verre oosten!”, concludeerde het Algemeen Handelsblad.

 

Schaduwzijde

Maar achter de schermen van de volkerenshows was sprake van een grote ongelijkheid tussen de mensen die werden getoond en de Westerse organisatoren. In Duitsland berichtte het Neues Münchener Tagblatt over conflicten. Een aantal Bedoeïenen en Syriërs had de hulp ingeroepen van het Turks consulaat in München, vanwege mishandelingen door Möller. Slaan – soms met schoenen – en trappen in de buik, zodanig dat een van hen niet meer kon lopen. Enkele kaartcontroleurs waren opgestapt, omdat ze de mishandelingen niet konden aanzien. Möller zei tegen de krant dat “scherp” optreden noodzakelijk was, hij wilde voor Recht und Ordnung bei den Elementen sorgen, welche, sowie es ihnen zu gut geht, übermutig werden. (Zorgen voor orde en gezag bij die elementen die overmoedig worden als het ze goed gaat.) Vijftig deelnemers gingen in staking: zolang ze niet werden betaald, weigerden ze de tournee naar Parijs te vervolgen. De politie van München verplichtte Möller en Pinkert alle lonen uit te keren voordat de groep Duitsland verliet.  
In Nederland bleef de schaduwzijde van de volkerenshows verborgen. Zo bijvoorbeeld met het optreden van 32 ‘Amazones van Dahomey’ in maart 1893, dat vooral uit krijgsdansen en gevechten bestond. Ze verbleven langer dan een maand in Circus Carré, waar de deuren de hele dag open stonden voor eenieder die, tegen een lagere entree, de vrouwen wilde zien. Kranten traden in detail over hun behendigheid met wapens, over hun spierkracht, de kleur en de glans van hun huid, de offerdansen. Met geen woord werd gerept over de ellende. In september 1892 was een van de vrouwen in Praag aan de tyfus bezweken en had een andere vrouw zich het leven benomen door spiritus te drinken. Twee maanden later volgde in München een derde sterfgeval. Een 17-jarige deelneemster stierf aan longontsteking, waarna antropologen haar lichaam ontleedden, haar schedel lichtten en haar geslachtsdelen prepareerden. Een medewerker van Hagenbeck – impresario John Hood – maakte van de begrafenis een publiek evenement, als was het een Völkerschau. Er kwamen zoveel mensen op de been, dat op het kerkhof opstootjes ontstonden en vernielingen werden aangericht. 

 

Volksvermaak

De Bedoeïenen-Karavaan was de grootste volkerenshow in Nederland tot dan toe. In de jaren daarna kwamen er meer naar Amsterdam. Zo voerden de ‘Strijders van den Mahdi’ in 1898 een voorstelling op “in een omheinde ruimte” tijdens de zomerkermis bij het Tolhuis over het IJ. Als “inboorlingen van Egyptisch Sudan”, keerden zij zich tegen het Brits bestuur. Willy Möller greep de Mahdi-opstand tegen de Egyptenaren en de Britten in de jaren 1881-1889 aan om een groter publiek te trekken: Krieger des Mahdi beloofde beslist meer sensatie dan ‘Schuli krijgers’, onder welke naam hij al langer met een groep rondreisde.    

Het Paleis voor Volksvlijt was ’s lands grootste locatie voor volkerenshows. Tussen 1900-1909 was hier bijna jaarlijks een grote show. Ook Hagenbeck bracht er Indiase shows met acrobaten, slangenbezweerders, magiërs en danseressen. Na de verwoestende brand in 1929 herinnerde schrijver Frans Coenen (1866-1936) in De Groene Amsterdammer zich de ‘negerdorpen’: “Hoevele negerstammen hebben in den loop der jaren op die planken gehuist en hoe stonken zij! In Afrika zelf kon ’t niet erger zijn.” In de jaren dertig waren volkerenshows een onderdeel van de Duitse circussen Strassburger en Sarrasani, die door heel Nederland hun tenten opsloegen. 

PARVEEN KANHAI IS HISTORICUS EN DOET ONDERZOEK NAAR DE VOLKERENSHOWS IN NEDERLAND (1821-1951).

Beeld: Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Maartnummer 2019

Maartnummer 2019
Delen:

Buurten:
Oost
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Jaargang:
2019 71
Editie:
Maart
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900