Assepoester in de Kalverstraat

Kleermakerskwitantie uit 1814 met danseres

Het Nationale Ballet danst in december Cinderella. Meer dan 200 jaar geleden liet een winkelier zich inspireren door het oorspronkelijk Franse 'toover-zangspel' Cendrillon.j

Op 20 april 1814 verkocht de firma ‘A la petite Cendrillon’ aan een heer Apostool voor 22,- een grijze, lakense pantalon. De kleding- en stoffenzaak van “Halè le Sage, Md. Tailleur” bevond zich “dans le Kalverstraat No 179” op de hoek van de Osjessluis – het huidige Spui. Tegen vaste prijzen bood de kleermaker getuige zijn briefhoofd een keur aan laken, kasjmier en vele andere modieuze stoffen en bovendien allerlei kleding “voor Heren en Kinderen”.

Niet de inhoud van de ruim tweehonderd jaar oude kwitantie wekt nieuwsgierigheid als wel het uiterlijk. Het goed bewaard gebleven, in het Frans gestelde documentje toont een kleine dansvoorstelling. Op de gravure bovenaan beweegt zich tussen vier zuilen als in een theaterscène een vrouw in elegant kostuum op dansmuiltjes; haar rechterbeen heeft ze sierlijk even boven de vloer geheven, de rechterhand gaat op weg naar de tamboerijn in de linker. Is dit Cendrillon, oftewel Assepoester? 

Meer dan een halve eeuw nadien noemden de schrijvers Jan ter Gouw en Jacob van Lennep in hun boek De uithangteekens (Amsterdam 1868) een afbeelding van een danseres met een tamboerijn, die zou hebben uitgehangen bij “een kleêremagazijn in de Kalverstraat bij de Osjessluis”. Ze riepen in herinnering hoe “Mw. Kamphuizen geb. Snoek” destijds in de bevallige opera Cendrillon succes had en wezen erop dat het tekstboek “ongeveer ditzelfde portret” van haar liet zien “in ’t kostuum van Asschepoestertje, welke rol zij misschien 20 of 30 keer achtereen vervulde”. 

Klopt het wat ze schreven? Het uithangbord is weliswaar niet bewaard gebleven, maar de gravure op de kwitantie zal erop hebben geleken.

 

Pofmouwtjes

Anna Maria Kamphuizen-Snoek, dochter van een jonggestorven Rotterdamse zeekapitein en een wijnhandelaarster, en jongere zus van de eveneens toneelspelende Andries en Helena, was een opvallende, mooie vrouw. Ze had grote sprekende ogen in een delicaat gezicht, getuige diverse portretten. Een gravure ten halve lijve, die haar zwager Jan Kamphuizen van haar maakte, staat inderdaad op de titelpagina van het tekstboek Asschepoetster uit 1812 en tevens op een losse prent, met een begeleidend versje van Samuel Iperusz. Wiselius: “Daalt hier een Zanggodin, met wolkenpraal omgeven?/ Verschijnt Thalia zelve in hedendaagsch gewaad?” Uiteraard verklapt de jurist, toneelliefhebber én – tot de benoeming van Lodewijk Napoleon – fervente patriot, daarna zelf het antwoord. Het portret “getroffen naar het leven” is van de actrice, die ieders gevoelig hart als “buigzaam wasch” weet te kneden of ze nu “voor Vorstin of Asschepoetster speelt”.

Haar hedendaags gewaad in empirestijl, met pofmouwtjes en decolleté, komt enigszins overeen met het kostuum op de kwitantie. Al ontbreekt een hoofddeksel op haar krulletjes. De rolverdeling in het tekstboek biedt uitkomst. “Mejufv. Kamphuizen” draagt in het eerste bedrijf “een grijs sergie kleedje”, het armoedige jurkje van de geplaagde Assepoester, en in het tweede, dat zich afspeelt op het bal, “zeer rijke hofkleding”. De kwitantie laat Assepoester dus zien in het tweede bedrijf…, maar de vrouwen lijken niet op elkaar.

 

‘Toover-zangspel’

De “opéra-féerie” Cendrillon van de Maltezer componist Nicolo Isouard en librettist Charles-Guillaume Étienne beleefde op 22 februari 1810 de wereldpremière bij de Opéra Comique in Parijs met in de hoofdrol Alexandrine Saint-Aubin. De pas zeventienjarige Alexandrine triomfeerde. Van haar beeltenis verschenen onmiddellijk twee prenten, in beide kostuums. De tweede, met tamboerijn, toont gelijkenis met de kwitantie, al houdt Alexandrine het rechterbeen netjes op de toneelvloer en neigt ze haar hoofd.

Al in juli 1810, ten tijde van de inlijving van de Bataafse Republiek bij Napoleons keizerrijk, werd Cendrillon in Nederland opgevoerd door Franse artiesten. Snel volgde de Duitse bewerking Ascheprud door de troep van Jacob Hartog Dessauer in de Amstelstraat. En op woensdag 26 februari 1812 trad Anna Maria Kamphuizen-Snoek voor het eerst op als ‘Asschepoetster’. Ze was bijna twee keer zo oud als haar Franse voorgangster en had met haar man, toneelspeler Dirk Kamphuizen jr, een zoon van veertien. Toch moet de rol van het onschuldige meisje, die veel zang en dans vereiste, haar goed hebben gepast. Wat later werd zij daarvoor te dik, volgens de theaterannalen. 

Het “toover-zangspel” telde tot de zomersluiting zestien opvoeringen en eind 1812 nog enkele. Het werd niet opgevoerd in 1813, het jaar van de Franse aftocht en daarmee het rampjaar van Carel Alexander van Ray, de vertaler van Cendrillon (en talloze andere Franse blij- en zangspelen). Hij had niet alleen als schrijver een slechte reputatie onder vakgenoten. Zijn bijnamen luidden “boekebeul” en “trawant der inquisitie”, want hij werkte voor de Franse censuur. Een anonieme spotprent uit 1813 toont hem met paardenkop bovenop een drukpers op het moment dat hij met een lans eraf wordt gestoten: “Ra…ra eens, menschen! wie is dat,/ Die hier benaauwdzit op z’n gat? –/ Ik wed gij zult zijn naam niet raaij-en,/ Ten zij ge uit Politie een Fransche haan hoort kraaijen.” Het versje sneert verder over zijn “vuile Inquisitie-dwang”, die drukkers deed beven en “alle lettermin deed sneven”. Van Ray is ’m gesmeerd, naar Antwerpen, waar hij zich bij de (water)politie dienstig maakte. Berooid stierf hij in het Amsterdamse Sint Pietersgasthuis op 2 oktober 1842, door velen die van hem afwisten beschouwd als “een der laagste handlangers der Fransche dwingelandij”.

 

Romance

Wanneer Philippe Jean François Halé begon met zijn zwierige nota’s is onbekend. Zijn vrouw en hij kwamen oorspronkelijk uit Parijs en woonden boven de zaak met hun kinderen, van wie enkelen in het vak van papa gingen. Voor de naam van zijn zaak kan hij zijn geïnspireerd door de populaire romance uit het eerste bedrijf Je suis modeste et soumise, waarin de heldin zingt over haar plekje bij de haard: “Voilà pourquoi l’on m’appelle/ La petite Cendrillon.” Censor Van Ray had het – houterig – vertaald als: “’k Kan het dus u niet verbloemen,/ Asschepoester is mijn naam.” Zou Halé na het zien van de voorstelling zelf het tafereeltje hebben getekend? De kleermaker had kunstzinnige aspiraties. In 1840 werd van hem Een landschap toegelaten op de jaarlijkse tentoonstelling van levende (amateur)kunstenaars in de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten. Al lijkt zijnCendrillon met de tamboerijn niet erg op de “graag geziene verschijning” van Anna Maria Kamphuizen-Snoek, het is een unieke danstekening uit die periode. 

Anna Maria heeft voor het laatst in augustus 1848 op toneel gestaan, toegejuicht door het talrijke publiek. Tien maanden later overleed ze, bijna 71 jaar. In 1852 vertrok Halé “zonder kennisgeving” naar Parijs. De winkel op de hoek van de Kalverstraat is altijd een modezaak gebleven. Men vindt er tegenwoordig ‘casual jurken’, en tevens schoenen.

JESSICA VOETEN IS JOURNALIST.

November/Decembernummer 2018.

Delen: