Studente Saskia Dassel verhuisde in 1988 naar Amsterdam en kreeg een huis in de Vrolikstraat in Oost. Ze wist dat ze waarschijnlijk Joodse voorouders in Amsterdam had, maar het was erg vaag hoe het zat. Zij is nu mijn vrouw. Drie jaar geleden zochten we uit hoe het zat met haar familie. Dat bleek makkelijker dan gedacht: we kregen hulp van Harmen Snel van het Stadsarchief. Haar voorouders van grootmoeders kant leefden sinds ongeveer 1700 in de Waterloopleinbuurt. Het waren Asjkenazische Joden uit Duitsland. Vanaf het eind van de 19de eeuw verhuisde de familie grotendeels naar Oost; velen van hen woonden in de Vrolikstraat, toevallig de straat waar Saskia zelf terechtkwam.

Haar meest directe voorouder bleek betovergrootvader Salomon Leger uit de Transvaalstraat. Een sigarenmaker. Hij werd op 88-jarige leeftijd gedeporteerd en in Auschwitz vergast. In 2017 liet Saskia een Stolperstein als gedenkteken voor zijn huis leggen. Het was een kleine en ontroerende plechtigheid op een zonnige februaridag. Deze ene Stolperstein staat voor meer dan zestig vermoorde familieleden. Hitlers lange moordenaarsarm reikt daarmee ook tot in mijn leven en dat van onze dochter. We hebben nu weinig familieleden. Anders hadden we er veel gehad.

Zoektocht

Historicus Jacques Presser schreef in Ondergang (1965): “Dit boek behelst de geschiedenis van een moord. Een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd. De moordenaars waren Duitsers, de vermoorden Joden, in Nederland ongeveer honderdduizend [...]. Hier te lande woonachtige Joden werden in een proces van ontrechting en isolering van vrijwel alles beroofd, weggevoerd en in wetenschappelijk-systematische, technisch welhaast onberispelijke stijl omgebracht. Stadsbewoners en plattelanders, orthodoxe en vrijzinnigen, gezonden en invaliden, ouden en jongen, gezinnen en enkelingen, Nederlanders en vreemdelingen: mannen, vrouwen en kinderen. Zonder overhaasting, weldoordacht, geregistreerd en gereglementeerd.”

Bijna alle Amsterdamse Joden zijn vermoord, maar door het onderzoek naar de voorouders van mijn vrouw vroeg ik me af hoeveel Joden er precies in de stad woonden en hoeveel precies van hen vermoord zijn. Rond de 70.000, dacht ik: globaal evenveel mensen als de bewoners van de stadsdelen de Baarsjes en Oud-West samen. Om dat uit te zoeken bleek moeilijk. Geert Mak becijferde in 1995 dat er 75.000 Amsterdamse Joden waren omgebracht. “Van de tachtigduizend Amsterdamse Joden waren na de bevrijding nog slechts vijfduizend in leven”, schreef hij in Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Stadshistoricus Richter Roegholt kwam in De geschiedenis van Amsterdam in vogelvlucht (2004) tot hetzelfde aantal: “Van de 80.000 Amsterdamse Joden overleefden slechts vijfduizend de concentratiekampen. Amsterdam verloor daardoor tien procent van zijn bevolking op alle sociale niveaus.” Hetzelfde getal vind ik in de Canon van Amsterdam (“Van de bijna 80.000 Amsterdamse Joden in Amsterdam, ontsnapte uiteindelijk een klein percentage aan de dood.”), maar de permanente tentoonstelling van het Stadsarchief noemt een aantal van 67.500 – beduidend lager.

Op Wikipedia staat dat driekwart van de Amsterdamse Joden de Holocaust niet overleefde. De internetencyclopedie verwijst naar het artikel ‘Surviving the Holocaust: Sociodemografic Differences Among Amsterdam Jews’ van socioloog Peter Tammes in het European Journal of Population(2017). Volgens Tammes waren er in 1941 77.252 Joden in Amsterdam geregistreerd. Het sterftepercentage lag tussen de 74.3% en 75.3%: dat duidt op ongeveer 57.500 slachtoffers. Een opmerkelijk verschil van bijna 18.000 met de cijfers van Mak en Roegholt.

Rapport

Zijn de data van Tammes gebaseerd op voortschrijdend inzicht, op nieuwe gegevens en nieuwe analyses? Onderzoekster Laurien Vastenhout van het NIOD weet precies hoe het zit. Zij ontvangt mij in het prachtige gebouw aan de Herengracht vlak achter het Spui. Vastenhout studeerde geschiedenis in Amsterdam en promoveerde bij historicus Bob Moore in Sheffield op de Joodse raden in West-Europa. Moore is een van de grootste kenners van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Vastenhout: “Op 10 januari 1941 vaardigden de Duitsers een verordening uit, No. 6/1941, met de oproep dat Joden zich dienden te registreren, de ‘aanmeldingsplicht’. De Joden moesten zichzelf registreren en er was een heel klein aantal dat dat niet deed. Op basis van die aanmeldingen stelden de Duitsers lijsten op, die dienden als uitgangspunt voor de deportaties.”

De Nederlandse overheid registreerde dus exact het aantal Joden per gemeente; het lijkt daarom eenvoudig om het aantal vermoorde Amsterdamse Joden te berekenen. Ook voor Amsterdam werden in 1941 aparte statistische gegevens gemaakt, een degelijk rapport opgesteld door een plichtsgetrouw en zorgvuldig ambtenaar, met alle cijfers over de aantallen en verspreiding van de Joden over de stad. Het getal van 77.252, dat Tammes noemt, komt uit een rapport van de Rijksinspectie der bevolkingsregisters, gedateerd 1942. Op het voorblad van het rapport staat: ‘Statistiek der bevolking van joodschen bloede in Nederland, samengesteld door de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters aan de hand van de formulieren van aanmelding ingevolge verordening No. 6/1941 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied.’

Het rapport hanteert de door de Duitsers gebruikte definities van ‘voljoden’, ‘halfjoden’, ‘kwartjoden’ en ‘Mischlinge’. Lugubere definities: op basis hiervan zijn miljoenen mensen in Europa vermoord. Bureaucraten besloten met die criteria in de hand wie er wel of niet mochten leven. “In den zin der Verordening wordt een persoon als geheel of gedeeltelijk van joodschen bloede beschouwd, indien hij van tenminste één naar ras voljoodschen grootouder stamt. Een grootouder wordt zonder meer als voljoodsch aangemerkt, wanneer deze tot de joods-kerkelijke gemeenschap behoord heeft of behoort”, aldus het rapport.

Toets

“Als ‘voljoden’ werden mensen aangemerkt met ten minste drie Joodse grootouders, of mensen met twee Joodse grootouders die zelf in mei 1940 lid waren van de Joodse kerkelijke gemeenschap”, legt Vastenhout uit. “Dan had je de ‘halfjoden’, met twee of één ‘voljoodse’ grootouder(s), en ‘kwartjoden’ met maar één ‘voljoodse’ grootouder. ‘Mischlinge’ waren ‘voljoden’ getrouwd met een niet-Jood. Over hoe die te behandelen, waren er verordeningen uit Berlijn. In Nederland werden zij gesteriliseerd en gedeporteerd. Nederland ging hierin te ver, naar het oordeel van Berlijn, en werd tot de orde geroepen.”

Van de 77.252 Amsterdamse ‘voljoden’ overleefde 25,3%, aldus Vastenhout. Met andere woorden: ongeveer 58.000 zijn er vermoord, een krappe 20.000 overleefde. Toch is ook voor Vastenhout dat cijfer niet helemaal duidelijk: “Er waren in de oorlog ook ‘gewone’ sterfgevallen en er waren ook mensen die zich niet geregistreerd hadden. En sommige ‘voljoden’ maakten bezwaar tegen hun status. De mensen die zich niet registreerden als Jood kwamen de oorlog door, maar dat waren er heel weinig. Ook werden veel Joden uit heel Nederland gedwongen tijdelijk naar Amsterdam te verhuizen, als tussenstop voor hun deportatie naar Westerbork en verder naar de vernietigingskampen.”

Die lijst met 77.252 ‘voljoden’ in Amsterdam hebben Peter Tammes en WODC-onderzoeker Marnix Croes nader bekeken in Gif laten wij niet voortbestaan – Een onderzoek naar de overlevingskansen van Joden in de Nederlandse gemeenten 1940-1945. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) is verbonden met het ministerie van Justitie en Veiligheid. Ze toetsten de lijsten van 102 Nederlandse gemeenten uit 1941-1942 aan de lijsten van gedeporteerden en aan de na de oorlog opgestelde lijsten van slachtoffers en overlevenden.

Schatting

“Te vaak blijft onduidelijk op wie de genoemde aantallen of de opgenomen lijsten nu precies betrekking hebben”, schreven zij in de inleiding. “Gaat het om Joden die, het geeft niet hoe lang, allemaal gedurende de oorlogsjaren een periode binnen de gemeenschap hebben verbleven, of betreft het een aantal dat op één moment voorafgaande aan de deportatie is vastgesteld? Heeft het genoemde aantal geregistreerden alleen betrekking op de zogenaamde ‘vol’-Joden op wie de Duitsers in het kader van de vervolging het oog lieten vallen, of ook op ‘half’- en ‘kwart’-Joden? Gaat het bij de slachtoffers om mensen wier overlijden daadwerkelijk is vastgesteld, of heeft het aantal [...] betrekking op mensen die zich na de oorlog opnieuw als lid van de Joodse gemeenschap lieten registreren?”

Tammes vult per e-mail aan: “Er zijn honderden latere aanmeldingen van Joden geweest, in de tweede helft van 1941 en eerste helft 1942, van nieuwgeborenen en van personen die zich verlaat hebben aangemeld. Die staan dus niet op de eerste lijsten die de gemeentes hebben opgesteld. Onder deze Joden zijn ook slachtoffers. Hoeveel dat er zijn is niet bekend; maar het zal het totale aantal Joodse slachtoffers iets doen stijgen. Ook moesten Joden uit tientallen gemeenten in Noord-Holland, zoals uit Zaandam, Alkmaar of mijn eigen dorp Bergen in de tweede helft van 1942 verplicht verhuizen naar Amsterdam. Zij hadden zeer vermoedelijk als laatste woonplaats Amsterdam. Het kan zijn dat sommigen de slachtoffers onder deze geëvacueerde Joden optellen bij de Amsterdamse slachtoffers en zo tot een hoger aantal slachtoffers komen. Als er onduidelijkheden of onvolledige data waren bij het matchen van de lijsten, ben ik conservatief geweest. Mijn geschatte aantal slachtoffers is eerder een minimum dan een maximum. Als ik het slachtofferpercentage van 75% voor Amsterdam neem, kom ik op een schatting van ongeveer 60.000.”

Duidelijk

Meer historici plaatsen kanttekeningen bij de becijferingen. De auteurs van Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940–1945: overeenkomsten, verschillen, oorzaken (2011), Pim Griffioen en Ron Zeller, tellen nog zo’n 2000 op bij het aantal van 102.000 Nederlands-Joodse slachtoffers. (Het staat vast dat er 107.000 mensen werden gedeporteerd, waarvan er 5000 terugkeerden.) Die 2000 omvatten “de Joodse suïcides in Nederland in de periode mei 1940 tot mei 1945 en degenen die in Duitse gevangenschap in Nederland werden gedood of omkwamen [...] en van wie een deel een graf kreeg in Nederland” en “degenen die tijdens de onderduik omkwamen” of “een ontsnappingspoging via België en Frankrijk richting Zwitserland en/of Spanje ondernamen, maar deze niet overleefden […]”.

Verklaart dit alles het verschil tussen de harde statistische gegevens en de voorstelling van zaken door historici over Amsterdam? Tammes en Croes in Gif laten wij niet voortbestaan: “Als iets de afgelopen jaren duidelijk is geworden met betrekking tot het onderzoek naar de Jodenvervolging in Nederland in het algemeen en de in internationaal perspectief geringe mate waarin de Joden in dit land de oorlog overleefden in het bijzonder, dan is het dat eenvoudige, algemene verklaringen niet volstaan. Tenminste, niet zolang zij geen rekening houden met het feit dat de kans van Joden om in het bezette Nederland de vervolging te overleven sterk uiteenliep: tussen gemeenten varieerde die van nul tot honderd procent.”

NIOD-onderzoekster Laurien Vastenhout: “De getallen zijn belangrijk, maar het verhaal is belangrijker. Het gaat om het verhaal, om de geschiedenis. Van de Nederlandse Joden is 75% vermoord. In België was dat 40% en in Frankrijk 25%. Er is grondig onderzoek naar de Amsterdamse situatie gedaan. Er zijn dus duidelijke getallen.”

SERGE MARKX IS HISTORICUS EN PENVOERDER BIJ DE GEMEENTE AMSTERDAM.

Meinummer 2020