Het gemak van substantiële hulp in de huishouding zou tegenwoordig wellicht niet opwegen tegen het ongemak van gebrek aan privacy. Maar vroeger vond men de intimiteit van het leven in de voortdurende tegenwoordigheid van ‘vreemden’ geen bezwaar. Het hebben van inwonend personeel was vanzelfsprekend en in de periode 1860-1940 zeker niet voorbehouden aan de allerrijksten. Iedereen die een beetje meetelde, de dokter, de onderwijzer, zelfs de kleine ambtenaar had op zijn minst ‘een meisje’ in dienst. De ‘gezeten burger’ kon zich twee of meer dienstbodes veroorloven.
Ook vandaag de dag is Oud-Zuid een begrip. Het staat voor aangenaam wonen in de laat 19de-eeuwse wijken die uitwaaieren achter het Rijksmuseum en het Concertgebouw. Nog steeds zijn in deze wijken en de aangrenzende delen in het plan Zuid van H.P. Berlage relatief veel grote villa’s en herenhuizen te vinden. Maar de woonsituatie is inmiddels ingrijpend gewijzigd, want wie leeft er tegenwoordig nog met inwonend huispersoneel?
Wie de film ‘Mary Poppins’ kent, waarin Julie Andrews de zeer geliefde maar raadselachtige kinderjuffrouw speelt, is het vast opgevallen dat haar sociale positie daarin wel heel erg romantisch is voorgesteld en dat geldt zelfs voor het overige, lagere dienstpersoneel: een kokkin en een ‘tweede meisje’. Er komt een heroïsche scene in de film voor waar ‘mevrouw’ haar dienstpersoneel aanvoert in een emancipatoire parade door de entreehal, samen zingend uit volle borst over de rechten van de vrouw die toen nog bevochten moesten worden. Dit speelt zich af in het Londen van voor de invoering van het vrouwenkiesrecht anno 1914.

Een verborgen bestaan

In werkelijkheid was de sociale afstand tussen de wereld van ‘mevrouw’ en die van haar dienstpersoneel (en zelfs die van de gouvernante) nog levensgroot, een afstand die tot uitdrukking werd gebracht in de indeling van de herenhuizen en de inrichting en uitrusting van de verblijfsruimtes van de dienstbodes. Zeker Engeland was het land waar het ‘wegmoffelen’ van elk teken van aanwezigheid van het personeel tot een ware kunst was verheven. De bewoners waren in de regel niet gesteld op de confrontatie met het personeel in hun woonvertrekken, anders dan wanneer er iets ‘van hun dienst’ was uiteraard.
Dit resulteerde in ingewikkelde plattegronden waarbij de routes door het huis zo veel mogelijk gescheiden werden, het personeel zich over eigen trappenhuizen door het huis bewoog en alleen het representatieve aspect van het werk gezien mocht worden, zoals de deurbel beantwoorden, boodschappen aannemen, de spreekkamer aanwijzen en de overkleding aannemen. Want het hebben van personeel betekende welstand en gaf dus status, en die moest getoond worden. Maar het werk in huis moest onzichtbaar blijven. Voor de bewoners ’s ochtends beneden kwamen haalde de dienstbode ’s winters de kachel leeg, vulde hem bij met kolen uit het kolenhok, maakte hem aan en zette het ontbijt klaar. En ook de rest van haar bestaan moest verborgen blijven.
Hoewel in het Amsterdamse stadswoonhuis de nadruk op de sociale verschillen tussen de mensen met personeel en de meestal jonge, ongehuwde vrouwen die zich als ‘dienstje’ aanboden, minder groot was dan in Engeland, is ook hier de woonhuisplattegrond een goede afspiegeling van het huiselijk leven van vroeger en de toenmalige sociale verhoudingen.

Dienstbodegemak

De architect J.H.W. Leliman publiceerde in 1920 het prachtige fotoboek Het stadswoonhuis in Nederland gedurende de laatste 25 jaren waarin hij meer dan twintig voorbeelden van vrijstaande herenhuizen en geheel of gedeeltelijk in- en aangebouwde huizen in Amsterdam-Zuid afbeeldde. Deze huizen stonden aan het Museumplein en in de achterliggende straten aan het Vondelpark en in de Willemsparkbuurt. Hij drukte ook plattegronden af van de woningen.
De plattegronden geven een goed beeld van de organisatie van het huiselijk leven en de plaatsen waar dienstbodes wel en niet behoorden te komen. Zo hadden alle huizen uiteraard een keuken, het verblijf bij uitstek van de dienstbode, waar zich ook in de regel het bellenbord bevond waaraan zij kon zien wanneer en waar haar diensten gewenst waren. In sommige gevallen had zij, vlak bij de keuken, haar eigen dienstingang en vaak ook een eigen dienstbodegemak of wc.
Een dienkamer tussen keuken en eetkamer behoorde tot de mogelijkheden in de grote huizen en werd gebruikt om de schalen klaar te zetten voordat ze door de dienstbode werden opgediend. Het eten werd in veel huizen via een etensliftje vanuit de keuken naar de eetkamer omhoog gehesen wat een gemak was voor de dienstbode, maar vooral was ingegeven door de heersende etiquette waarbij etensluchtjes zoveel mogelijk uit de rest van het huis werden gemeden. Na de maaltijd werden serviesgoed, glaswerk en bestek weer naar de keuken getransporteerd om in de keuken, dienkamer of eetkamer te worden opgeborgen. Maar de provisiekamer was het domein van ‘mevrouw’ die de levensmiddelen dagelijks uitgaf aan de ‘kokkin’ of de dienstbode die het eten verzorgde naast vele andere taken in het huishouden, afhankelijk van de totale hoeveelheid personeel dat de bewoners zich konden veroorloven.
Wie in de tijd van Leliman in de avonduren door de buurten van Zuid wandelde kon in het souterrain vaak een dienstbode zien zitten in de keuken, wachtend op het belletje om de boel van de avondthee af te ruimen. Maar omdat zijn fotoboek geen plattegronden van zolders geeft (waarom zou een architect daarin geïnteresseerd zijn?) blijven de slaapvertrekken van de dienstbodes in dergelijke boeken meestal onzichtbaar.

Speurtocht langs zolders

Ook tegenwoordig zijn de sporen van het dienstbodebestaan moeilijk te traceren omdat veel zolders zijn verbouwd tot grote kinder- of werkkamers of volgestouwd met oude rommel. De bouwtekeningen die studenten uit de archieven hebben opgediept geven wel enige informatie over de dienstbodekamertjes. Ze bevonden zich altijd op ongeïsoleerde zolders waar geen verwarming en stromend water was en ook geen gasverlichting of elektriciteit.
Aan de Willemsparkweg staat een huis, gebouwd in 1885 als het meest linkse huis van een blokje van vier huizen. Het blokje werd gebouwd door de architect H.J. Wigman voor Jacobus Petrus Richardus Galesloot, een boomkweker, die het huis zelf bewoonde tot 1901 en de overige drie door verkocht. Zowel de bouwtekeningen als het huis zelf geven een interessant inzicht in de wijze waarop het dienstmeisje was gehuisvest en hoe de vertrekken waar zij verbleef eruit zagen. Het huis heeft de traditionele twee-beukige indeling met een smalle beuk voor de entree, het tochtportaal, de gang en de verticale verbindingen en een brede beuk waarin de woonruimtes, waaronder de onvermijdelijke kamer en suite, waren ondergebracht. Dit was een woonhuisplattegrond die sinds de achttiende eeuw vrijwel standaard was geworden vanwege bewezen doelmatigheid.
In het souterrain bevindt zich aan de voorkant van het huis een opslag voor brandstoffen onder het tochtportaal met links daarvan achter een vierlichtvenster een fraaie keuken die vrijwel in tact is gebleven. De keuken wordt gescheiden van de tuinkamer aan de achterzijde door een inpandige voorraadkast die nog steeds aanwezig is. De vloeren in de gang en de keuken zijn bekleed met ingelegde tegels uit de bouwtijd voorzien van ornamentele, geometrische motieven. De lambrisering is in de gang bekleed met witte geglazuurde tegels en verlevendigd door rode, op de punt geplaatste tegeltjes. De wanden in de keuken zijn helemaal wit betegeld evenals de monumentale keukenschouw waaronder het fornuis stond. Het aanrecht met de originele houten keukenkastjes is met een granito afdekking verhoogd. In de achtergevel bevond zich een deur naar de tuin met daarnaast een kleine ruimte die op de plattegrond wordt aangeduid als ‘badkamer’, maar die denkelijk uit niet veel meer bestond dan het dienstbodegemak.
Op de overige verdiepingen (de rez-de-chaussee, de bel-etage en de tweede verdieping) bevonden zich op deze plek de, eveneens zeer krap bemeten, toiletten van de bewoners. Maar het is mogelijk dat de dienstbode in de badkamer ook een tafeltje had staan met een lampetkan om zich te wassen, omdat deze plek praktischer was voor het vullen en legen van de lampetkom, dan vier verdiepingen hoger in de nok van het huis waar ze sliep.
Op de bel-etage bevonden zich de ‘salon-en-suite’ wat betekent dat er ofwel in de tuinkamer in het souterrain, ofwel in de achterkamer van de rez-de-chaussee werd gegeten. Op de tweede verdieping lagen een ‘voorkamer’, twee slaapkamers en een ouderwetse alkoof waar ook een bed in paste. Op zolder, direct onder de kapspanten, waren de logeerkamer en de meidenkamer gelegen. Vandaag de dag is nauwelijks denkbaar dat op deze niet verwarmde en niet geïsoleerde zolder, ergens achter de getimmerde afscheiding, het bed van het dienstmeisje moet hebben gestaan. Het domein van bergzolder en meidenkamer werd van het trappenhuis afgescheiden door middel van een, in twee tinten gehoutte deur.

Onverwarmde meidenkamer

Ook in het huis ‘Rusland’ dat werd gebouwd als een van de ‘Zeven landen huizen’ in de Roemer Visscherstraat geeft enig inzicht in het bestaan van de dienstbodes. De ‘Zeven landen huizen’ dragen elk de naam van een Europees land en zijn vormgegeven in een bouwstijl die de Friese architect Tjeerd Kuipers aan de architectuurgeschiedenis van dat land ontleende. Het blok werd neergezet op initiatief van J.H. van Eeghen die het huis ‘Rusland’ in maart 1896 verhuurde aan Johanna Maria van Weede die er ging wonen met Gerritje Diekman.
De gevels van de landenhuizen verschillen enorm van elkaar in opzet, decoratie en uitstraling, maar de plattegronden van de huizen zijn identiek van indeling. Het is een interessante plattegrond omdat het traditionele tweebeukige type is gecombineerd met de ‘nieuwe’ Engelse woon-‘hall’, een modieus vertrek op vierkante grondslag waar de overige vertrekken omheen liggen gegroepeerd. In Engeland werd het vertrek gebruikt in het ontvangritueel en ingericht als verblijfsruimte. Vandaar dat de hall daar meestal (en in Nederland soms) werd verwarmd. Ook in de Roemer Visscherstraat zijn de hallen voorzien van een schoorsteenmantel. De panden hebben de ingang op de begane grond en zijn deels onderkelderd. Verder hebben ze een bel-etage, een tweede (slaap)verdieping en een zolderverdieping met nog twee slaapkamers, een logeerkamer, bergruimte en een ook hier weer onverwarmde ‘meidenkamer’.
De eerste voorbeelden in Zuid die aangeven dat er soms naar meer comfort voor de dienstbodes werd gestreefd dateren uit de jaren 1930. De ‘juffrouw’ in het huis gebouwd door G.F. Mastenbroek in de Sophialaan bijvoorbeeld kreeg een eigen badkamer. En voor de dienstbode in het huis in de Apollolaan ontwierp de architect J.H. Mulder jr. een bijkeuken als privédomein voor het ‘meisje’. Dit gebeurde echter pas in een tijd – de tijd van de ‘dienstbodekwestie’- dat veel meisjes liever een baan namen in de fabriek, een kantoor of het onderwijs, dan dat ze zich de lange, zware werkdagen als dienstbode lieten welgevallen.