‘Als ik aan de huizen van mijn grootouders, tantes denk, en aan die van mensen bij wie ik mee op visite moest - niet voor mijn plezier! - dan zie ik allereerst gordijnen. Vitrages; overgordijnen en daardoor gedempt licht in de kamers, waarvan het behang donker was, [net als] de vloer en de meubels. Als klein kind al maakte het me triest, het drukte. Als ik aan die kamers terugdenk vind ik ze nóg duf, saai, lelijk en donker, maar de beslotenheid ervan had iets warms en geborgens.’

Over het huis Eerste Constantijn Huygensstraat 107 schrijft ze: ‘Naast de ingang een zwart bord, waarop in geverfde letters stond: ‘G.D. Giesberts, arts’. Voor in het souterrain was dus de keuken, en onder de stoep was het kolenhok. De mannen die de kolen brachten gingen, gebukt, door de keukenramen over het aanrecht en sprongen zo de keuken in. Ik schrijf ‘sprongen’, er zal wel iets hebben gestaan om op te stappen. Halverwege de benedendeur was een tochtgang (ik hoor mijn moeder nog roepen: doe de tochtdeur dicht, anders komt de etenslucht in huis).

De keuken was groot en had een ingelegde (in figuren gelegde) vloer. Daarom stond er tegen de buitenmuur een beun, dat is een ruime blanke vloer, en daarop stonden een tafel, theeblad erop en enkele stoelen. Het was er heel gezellig. Overal hingen oude koperen pannen (waar is het allemaal gebleven?). Tegenover de beun, er was nog een flinke ruimte tussen, het kolenfornuis. Erboven een grote kap, waaraan een wit ‘binnenvalletje’ met een gehaakt kantje.

Wij, kinderen, gaven onze fietsen aan door het keukenraam, die werden dan in de benedengang tussen kolenhok en tochtdeur gezet. Want vaders twee fietsen stonden in de marmeren gang boven. Vader deed zijn praktijk op de fiets. Het moet al heel slecht weer zijn als hij een rijtuig nam.

Moeder vond het heerlijk om ‘uit rijden’ te gaan. Of dat kwam omdat grootvader Meyers in een koetsje naar zijn reed en ze dit dus het aangewezen vervoermiddel vond? Of doordat ze iedere sportiviteit miste? Daar waren de vrouwen van haar generatie ook niet in opgevoed; dat begon pas goed met de onze. In ieder geval: van tijd tot tijd bestelde ze een rijtuig (open) en gingen we uit rijden. Het Kalfje om. Ik vond er niets aan. Alleen het geklikklak van de paardenhoeven op de straatstenen boeide me, en ook de stallucht. Eén keer reden we zo tot de Amstel toen de paarden, in plaats van naar links, rechtuit liepen richting het water. Het was even een schrik! Moeder en ik stonden meteen op straat, elk aan één kant van het rijtuig. Maar er gebeurde niets.

Toen de eerste electrische tram over de Marnixstraat reed, kwam moeder thuis met de mededeling: ‘Ik heb hem gezien en er zaten alleen mannen in. Mij krijgen ze niet in zo’n ding!’ Maar dat ging gauw over.’