“Oorspronkelijk had je achterin de meeste winkels een kamer waar je kon wonen.”, vertelt Michiel Wagenaar. De docent sociale stadsgeografie aan de UvA wil de geschiedenis van het wonen boven winkels in Amsterdam graag toelichten, maar waarschuwt van tevoren dat daar eigenlijk niet zo heel veel over te vertellen is. Er is nooit historisch onderzoek naar gedaan. Toch zijn er wel een aantal oorzaken aan te wijzen waarom de panden boven de winkels in Amsterdamse winkelstraten vaak leeg staan. “Met de komst van de Woningwet in 1901 en de in 1905 aangenomen bouwverordening veranderden de regels voor het hebben van een woning achterin de winkel. Die winkels zijn de stad uitgedrukt door de warenhuizen. In 1914 kwam bijvoorbeeld De Bijenkorf in Amsterdam, en zo zijn alle grote warenhuizen rond die tijd in de stad gekomen. Twintig verschillende functies onder een dak, gericht op het verleiden van de klanten tot zo veel mogelijk impulsaankopen. Al die monofunctionele gebouwen werden aan het begin van de twintigste eeuw gebouwd.”
Een onderzoek ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Stichting Nieuwendijk uit 1966 van J. Haccoû laat inderdaad zien dat in 1900 op de Nieuwendijk 62 winkels gevestigd waren op 75 huisnummers, terwijl er in 1960 87 huisnummers gebruikt werden voor 50 winkels: sommige winkels breidden zich uit, anderen verdwenen. Veel populaire winkelstraten maakten ook de decennia daarna de zelfde ontwikkeling door. De winkels werden groter, panden werden doorgebroken, trappen werden weggehaald en woningen boven de winkels kwamen leeg te staan. Wagenaar: “Het zijn de reeds bestaande, vaak 19de-eeuwse winkelpanden die op dit moment leeg staan vanaf de eerste verdieping.”

Gezellige winkels

Op de ontwerpen voor zogenaamde winkelhuizen van architect A. Jacot (1864 - 1925) is te zien waar het later mis ging. Jacot heeft in Amsterdam veel winkels ontworpen. Zijn biografie uit 1916 vermeldt: “Zeer talrijk waren (...) van den beginne af, de opdrachten tot het bouwen of verbouwen van winkels en magazijnen. Doordat zijne aandacht reeds in zijn leertijd op dit bijzondere gebied was gevestigd, had de heer Jacot een groote ervaring verworden omtrent de speciale eischen van den winkelbouw.” Die eisen waren vooral dat de klant zich thuis zou voelen in een gezellige ruimte. Hoewel Jacot vooral bekend werd vanwege zijn ontwerpen voor de warenhuizen van Hirsch, De Vries van Buuren & Co en C&A, heeft hij ook veel kleinere winkels ontworpen. Op de tekeningen is de tweede deur naast de ingang, die toegang geeft tot de bovenetages, nog duidelijk te zien – deuren die 80 jaar later ernstig gemist worden.
Grotere winkelketens kochten de panden in de winkelstraten op en richtten zich alleen op de – dure – begane grond. Wagenaar: “De kartelvorming heeft er de laatste twintig jaar voor gezorgd dat die ontwikkeling in een stroomversnelling is gekomen. Alleen die grote ketens kunnen die huren betalen, maar die willen wel zoveel mogelijk profijt van hun ruimte. Dus breken ze de opgang naar de bovenverdieping weg.”
In de eerste jaren van de grote warenhuizen waren de winkelsluitingstijden nog vrij; continu was er leven in de winkelstraten, ‘s avonds werden de straten verlicht; eerst gasverlichting, later elektriciteit. Jan ter Gouw schreef in zijn Geschiedenis van Amsterdam over 1870: “En dan vooral de Kalverstraat bij avond, als ze met al haar heerlijkheid en pracht zich baadt in een Eridaan van tintelend gas!” Inmiddels zijn de winkeliers van boven hun winkel weggetrokken, verkrotten de verdiepingen en is de winkelstraat na sluitingstijd een onveilige plaats.
Paul Stalenberg, projectmanager van Wonen boven winkels voor stadsdeel Centrum: “Het gevolg van de leegstand is dat je in een winkelstraat overdag over de hoofden kunt lopen, maar ‘s nachts een kanon kunt afschieten zonder iemand te raken. De Nieuwendijk en andere winkelstraten werden naargeestig, er kwamen onveilige situaties op straat, maar ook in de binnengebieden, aan de achterkant van de winkels, werd het steeds vervelender. Bovendien krijg je van die leegstand ook verkrotting, en daardoor trekken de goede ondernemers weg. Een vicieuze cirkel.”
In Ons Amsterdam van februari 1965 beschrijft W.Zimmerman al dat het uiterlijk van de straat niet meer was zoals in zijn jeugd, aan het eind van de 19de eeuw: 'Wat het straatbeeld aangaat, moet ik eerst opmerken, dat het veel rustiger was dan thans. De vele reclame-opschriften, felle neonreclames en andere blikvangers ontbraken. (...) Uitwassen van opruimingen of uitverkopen zag men niet. De winkels waren 's avonds verlicht en geopend, hetgeen een prettige, levendige wandeling op de Nieuwendijk mogelijk maakte.”

Likeur en jenever

“Vanaf het begin van de jaren zeventig had ik steeds minder vriendjes die bij ons in de straat woonden. Op het laatst was ik de enige.” René de Vreng (1963) heeft totdat hij uit huis ging op de Nieuwendijk gewoond. Zijn ouders hadden een café op Nieuwendijk 75, op de vijfsprong met de Haringpakkerssteeg, de Hasselaerssteeg en de Nieuwezijdsarmsteeg, in de grote bocht dicht bij het Centraal Station. “Het pand is al generaties lang in de familie”. In 1962 veranderde de kroeg in een likeur- en jeneverwinkel – vader De Vreng had geen zin meer in de lange nachten werken. De zaak is nog steeds in handen van de kinderen. “Het is wel eens veel minder geweest, maar het was nooit zo erg dat we weg wilden.”
Zus Christien Fleijsman - De Vreng (1949) herinnert zich goed hoe ze met haar zusje uit het slaapkamerraam hing rond één uur ‘s nachts. 'Er was altijd wel iets te beleven als de kroegen dicht gingen. Maar ook overdag hing iedereen uit de ramen. Overal woonden mensen met kinderen; ik heb er echt een heerlijke jeugd gehad. Onze ouders behoorden tot de laatsten die vertrokken, vijf jaar geleden. Maar die kinderen zijn al veel langer weg.”
De kinderen De Vreng speelden in het Prins Hendrikplantsoen of tussen de auto’s op straat. René: “Op een gegeven moment verhuisden al m'n vriendjes naar Purmerend, of naar de nieuwbouw in Osdorp of Slotervaart. Hun ouders vonden het te krap worden: het waren vaak erg kleine woningen.” Broer Rob (1957) laat zien waar hij speelde. Overal waren deuren waar je als kwajongen doorheen kon, en zo kwam je terecht in de enorme pakhuizen in de stegen. Rob: “Er zaten allerlei zaken, ook groothandels en zelfs een paar fabriekjes.” Achterin de zaak van De Vreng & Zonen is nog steeds een deur naar de trap naar boven; zo konden ze vanuit de zaak naar de tweede verdieping. Andere huurders kwamen er niet. Nu staat de ruimte leeg. “Ik zou er nu voor geen goud meer willen wonen hoor; veel te klein,” zegt Christien. Ook zij vertrok na haar trouwen al snel naar Amsterdam-West.
De Nieuwendijk was ooit de straat met de eerste warenhuizen. De Winkel van Sinkel zat er van 1822 tot 1903, Simon Philip Goudsmit begon er in 1870 zijn manufacturenwinkeltje De Bijenkorf, dat pijlsnel groeide. Maar er waren ook veel bioscopen: de Cineac, Passage (sinds 1919) en De Witte Bioscoop. Cinéma Royal stond bekend om zijn films met veel gooi- en smijtwerk. De televisie krijgt meerdere malen de schuld wanneer wordt gevraagd naar de oorzaak van de verloedering van de winkelstraten. Veel cafés sloten in de jaren zestig de deuren om plaats te maken voor kledingzaken, en ook de bioscopen moesten het een voor een ontgelden. In februari 1978 opent er in de voormalige filmzaal van Cinéma Royal een overdekte markthal op de plaats van de oude bioscoop. Veertig kramen kwamen in deze “rasechte Amsterdamse gelegenheid” hun waren verkopen: dagelijkse boodschappen zoals fruit, brood, vlees en groente. De grote nieuwjaarsbrand van 2 januari 1979 legde het hele pand in de as.
Wanneer de leegstand (en daarmee de verloedering} van de winkelstraat is begonnen, is moeilijk te zeggen. Het lijkt een combinatie te zijn van groeiende welvaart – met de bijbehorende vraag naar grotere woningen en schaalvergroting. De winkels konden uitbreiden en sloopten vervolgens de ongebruikte trap eruit. Exacte cijfers over de waarde van de huizen ontbreken. De gemeente houdt pas sinds 2005 cijfers bij over de winkelhuren in Amsterdam, en aangezien de meeste eigenaren zelf boven hun zaak woonden, werd er ook nauwelijks huur betaald. Ook zijn er geen gegevens bijgehouden over de woningen die inmiddels werden gebruikt als opslagruimte. De Nieuwendijk was een winkelstraat geworden, - in 1972/73 werd er herbestraat voor “plezierig winkelwandelen” - en zo bekommerde niemand zich meer over het wonen.

Leegloop alarmerend

Op 5 augustus 1985 werd namens burgemeester Ed van Thijn de nota Wonen boven bedrijven gepubliceerd. Vooral de leegloop van de binnenstad werd alarmerend genoemd: het inwonertal was gedaald van 90.000 in 1964 tot 54.000 in 1979. Voorgesteld werd de vele leegstaande etages in de Amsterdamse binnenstad, vooral in het kernwinkelgebied, een woonfunctie te geven, met financiële en organisatorische steun van de gemeente. De strategie: met behulp van galerijen aan de achterkant van de panden een toegangsweg aanleggen. In eerste instantie werden daar drie mensen voor aangesteld, zo zijn in iets meer dan tien jaar 560 woningen gerealiseerd. De subsidie die toen beschikbaar werd gesteld aan de ondernemers was ongeveer ƒ27.000 per woning, inmiddels is dat €25,000.
Op dit moment is Paul Stalenberg als enige projectmanager voor het stadsdeel voor het project wonen boven bedrijven. “Ik hoop dit jaar het totaal van 700 woningen te overschrijden.” Met de start van Dienst Binnenstad, in 1996, was er dankzij het nieuwe strakke stadsdeelmodel geen ruimte meer voor de drie mensen die sinds 1985 aan het project werkten. In 2002 kreeg ook het project een nieuwe start.
Stalenberg: “De spontane, kleine initiatieven van bijvoorbeeld een of twee panden gaan direct via mij. De grotere projecten, zoals bij de Haringpakkerssteeg, lopen via het samenwerkingsverband.” Stalenberg werkt op de Nieuwendijk samen met wonen boven winkels en bedrijven (WWB) Nieuwendijk, nu stichting Wonen boven winkels Amsterdam: een samenwerkingsverband tussen NV Zeedijk, NV Vastgoed en de Rabobank. In principe is het project gericht op de hele binnenstad, maar de speerpunten zijn Nieuwendijk, Kalverstraat, Leidsestraat en Vijzelstraat. In andere stadsdelen zijn de problemen nauwelijks aan de orde, schreven B&W vorig jaar. De ruimten boven de winkels of bedrijven hebben daar een eigen toegang, en de woningen boven de winkels worden verhuurd als zelfstandige woningen.
Die toegangsplaatsen zijn essentieel voor wonen boven bedrijven: zonder toegang geen bewoonbare ruimte. Het pilotproject in de Haringpakkerssteeg laat dat duidelijk zien. Om de woningen aan de Nieuwendijk te bereiken ga je bij de Haringpakkersteeg een pand binnen, daar loop je via een trap naar de tweede verdieping, en zo kan je via een lange brug buitenom bij alle panden komen. Aan de andere kant, bij de Karnemelksteeg, geldt hetzelfde. Stalenberg: “Zolang er dus maar genoeg stegen zijn, en we ergens een ingang kunnen vinden, is de bewoning boven winkels mogelijk – de eigenaars moeten natuurlijk wel meedoen. We zoeken daarna de centrale trappenhuizen in het pand op, en zo kunnen we de panden ontsluiten. Zoals je op de plattegrond kunt zien aan alle bochten in de brug, is het soms veel puzzelwerk.
Het plannen van de brug is bijvoorbeeld erg lastig: de erfgrens van de Nieuwendijk ligt op de achtergevel en de eigenaren van de panden op het Damrak hebben maar weinig belang bij de nieuwe bewoning. En dan heb je nog het hoogteverschil: de een heeft een uitbouw op de eerste verdieping, een ander weer op de derde. Dat geeft soms wel wat extra omlopen, maar ja, je woont dan wel in hartje centrum.’
Straatmanager Nieuwendijk John de Beer, is enthousiast over het project. De Beer was vroeger zelf ondernemer en ondervond ook zelf de nadelen van een woonruimte boven een winkel die alleen via de winkel toegankelijk was. “Vooral verzekeringstechnisch is het een ramp. Je kan namelijk niet toelaten dat er iemand na sluitingstijd toegang heeft tot je waren. Met die toegang aan de achterkant heb je daar geen last van, en je merkt het in de buurt, het wordt minder onveilig.”
De Kalverstraat heeft altijd al een ander karakter gehad dan de Nieuwendijk, en heeft bovendien veel langere woonblokken: er zijn nauwelijks stegen waarmee de achterkant bereikt kan worden. Stalenberg: “Je moet veel meer partijen over de streep trekken voordat het werkt - die stegen zijn immers cruciaal in de ontsluiting van de panden. Bovendien zijn de winkels van grotere winkelketens dan op de Nieuwendijk. Die ketens hebben weer te maken met hun, vaak internationale, beleggers; die zijn eigenlijk het grootste probleem. De beleggers willen namelijk alleen maar rendement, en dat is moeilijk te voorspellen. Zo was er een pand, met een goede woning, maar zonder opgang. Inmiddels is het pand overgenomen door een Franse beleggingsmaatschappij. Nou, die willen mij niet eens verstaan!”

Probleem Kalverstraat

Dit probleem in de Kalverstraat bestaat al langer: ook in 1995 sprak de toenmalig verantwoordelijke ambtenaar al over de weigerende eigenaars. De straatmanager van de Kalverstraat, Habiba Alinton, betreurt het dat het ontsluiten van de ruimtes moeizaam gaat. “Het is erg lastig: de eigenaar, de gemeente en de brandweer moeten de plannen goedkeuren. En vooral die laatste heeft uiteraard veel eisen. Op de meest exclusieve vierkante meters van Nederland is het vinden van een veilige toegangsweg heel moeilijk. Dat is jammer.”
Stalenberg: “Ik probeer overal m'n voet tussen de deur te steken. Bij een eigenaar die zijn pand redelijk in orde heeft en een goed huurcontract heeft, kan ik weinig bereiken. Ik kan de eigenaar stimuleren in het opknappen, en faciliteren van mogelijkheden, maar ik kan hem niet dwingen. En uiteindelijk willen ze er toch financieel op vooruitgaan.”
Al in het nieuwe plan van aanpak uit 2001 werd als voorwaarde voor het slagen van het project de nadruk gelegd op de vrijwilligheid van de pandeigenaren. “Gezien de hoge kosten en het naar verwachting lage maatschappelijke draagvlak is niet gekozen voor een stadsvernieuwingsaanpak, al dan niet met onteigening,” schreef het stadsdeelnestuur. “Deze vrijwilligheid is overigens meteen de kern van het al of niet slagen van het project.”
Resultaat ziet Stalenberg wel van zijn werk. “Eerst zag je de mensen in sommige stegen, bijvoorbeeld de Sint Jacobsstraat, doorlopen, en alleen de mensen die je niet wilde zien bleven achter. Nu blijft men staan om naar de gevels te kijken.”
Ook de familie De Vreng ziet de laatste tien jaar weer verbetering. Rob: “Zelfs al is er maar een pand door Stadsherstel opgeknapt, trekt dat een heel stuk van de straat mee. Eigenlijk is het een prachtige straat.”