Het beroep sprak veel schrijvers aan. Simon Vestdijk dichtte over de stovenzetster, “schamel en vergrijsd”, in Gestelsche liederen (1949). Een halve eeuw eerder al had Willem Josephus van Zeggelen oog voor de moeilijkheden van het beroep in De stovenzetster-plaatsbewaakster (1886). Zij zorgde voor het comfort voor anderen, maar voor haarzelf was er weinig. “Bij zomerdag is ’t draaglijk / Maar ’s winters is ’t een sjouw / Voor al die koude voeten / Lijd ik het meeste kou.”
In 1853 was de stovenzetster zelfs onderwerp van een politieke discussie naar aanleiding van de nieuwe Wet op de kerkgenootschappen: vreemdelingen mochten geen kerkelijke bediening hebben zonder toestemming van de regering. Oefende de stovenzetster een kerkelijke functie uit of niet? Een anonieme dichter mengde zich in het debat: “Ik bracht, te vreden met mijn staat / Mijn stoofjes aan de Dames rond / Ik gaf tot klachten nimmer grond / En oogstte met gerusten zin / Op Nieuwejaar mijn fooitjes in / En oefende, door niets gestuit / Mijn kerklijke bediening uit”, aldus de Klacht eener stovenzetster. J. van Lennep en J. ter Gouw noteerden het in De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd (Amsterdam,1868).
Het einde van het beroep werd ingeluid door de komst van de elektriciteit. De Amsterdammer bericht in 1913 dat in een kerk te Neurenberg de stoofjes door elektrische verwarming waren vervangen. Men was bang dat alle stovenzetsters nu “elektriciennes” zouden worden. “De nieuwere wetenschap ruimt heel wat curiositeiten uit oude dagen op, en zoo staan dan zelfs de klassieke stovenzetsters op de nominatie om voor goed te worden.... afgeschaft.”

Tamara Becker

November-December 2010