“Zij was een Amsterdamsche in hart en nieren. Zij had Amsterdam lief.” Zo werd geschreven bij de dood van Wilhelmina Drucker, de feministe die tijdens haar leven in deze stad – en daar niet alleen – heel wat ophef en ergernis teweeg had gebracht. Dankbare instemming was er ook, blijkt uit deze woorden van een zuster in de strijd.

Wilhelmina Drucker, ongedateerd.
Nationaal Archief

Mina Drucker leefde van 1847 tot 1925. Ze was op een armetierige etage op Kattenburg geboren en woonde aan het eind van haar leven in de goedburgerlijke Van Baerlestraat. Hoe meet je de ware liefde van iemand af voor de plaats waar hij of zij geboren en getogen is? Misschien in Mina’s geval aan het feit dat ze haar boekenbezit aan de gemeente Amsterdam vermaakte en het grootste deel van haar vermogen voor het Vondelpark bestemde. Dat kán nog bij gebrek aan nabestaanden zijn gebeurd, want man en kinderen had ze niet. Sprekender is wellicht (met dank aan het 20ste-eeuwse cliché) dat de Amsterdammer die van haar/zijn stad houdt een lastige Amsterdammer is. Wilhelmina Drucker was een van die mensen die er heilig van overtuigd zijn dat tegenspraak de wereld verder brengt. Zo had Amsterdam er met haar een stem bij in het koor van partijen en personen dat het paleis op de Dam aan de gemeente wilde teruggeven. Het is maar een voorbeeld.

Vrije Vrouwen Vereniging

Zij was de dochter van een puissant rijke, uit Duitsland afkomstige rentenier en financier, die niet getrouwd was met haar moeder. Natuurlijke kinderen en hun moeders hadden het destijds heel moeilijk. Dankzij het wetsartikel dat onderzoek naar het vaderschap verbood, hoefde zo’n ongehuwde (of met een ander getrouwde) vader niets bij te dragen aan het onderhoud van zijn kind. Mina’s vader deed dat van een afstand wel, in beperkte mate. Ze droeg ook zijn achternaam; toch erkende hij haar niet. Later trouwde hij een andere vrouw. De vijf natuurlijke kinderen uit deze relatie werden hiermee gewettigd en erfden zijn fortuin toen hij overleed.

Onze ‘lastige’ hoofdpersoon nam dat niet. Ze smeet een woeste sleutelroman over de handel en wandel van vaders echtgenote op de markt, plus nog enkele andere incriminerende publicaties over deze vrouw en haar kinderen. Zo kreeg ze van hen het deel van de erfenis los dat haar naar eigen mening toekwam. Mina stopte met werken als naaister en zette zich de rest van haar leven in voor een betere wereld voor iedereen. Als radicale pleitbezorgster van gelijke rechten en kansen voor mannen en vrouwen werd ze een nationale figuur.

Ze maakte op die levensweg ook Amsterdamse geschiedenis. In 1889 richtte ze de Vrije Vrouwen Vereeniging (VVV) op in het al weer lang verdwenen Café Suisse in de Kalverstraat. Die gebeurtenis staat bekend als het politieke begin van de georganiseerde vrouwenbeweging van destijds: de later zo genoemde eerste feministische golf. Wilhelmina deed dat samen met enkele vrouwen die zij in het toen beruchte Volkspark had ontmoet, de plek aan de rand van de Jordaan waar de massabijeenkomsten plaatsvonden van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) van Domela Nieuwenhuis.

Eigen brood verdienen

“De wet moet slechts erkennen ‘Menschen’, zonder commentaren.” Deze zin in het manifest van de VVV was een typisch product van haar oppositionele creativiteit. Ook het discriminerende onderscheid tussen man en vrouw – dat niet in de wet was vastgelegd – moest natuurlijk de wereld uit. De eerste actie richtte zich op het sinds een jaar geopende volksbadhuis van de instelling Toevlucht voor Behoeftigen aan de Passeerdersgracht. In die dagen was er een beweging voor volks- en schoolbaden actief, onder de leus ‘Ieder, hetzij man of vrouw, dagelijks een bad’.

Gescheiden van elkaar, zoals het paste. Op woensdagmiddag mochten vrouwen zich wassen in de tien zinken badkuipen met water uit de Vecht, maar al gauw was deze voorziening afgeschaft. En waarom? Omdat vrouwen nauwelijks waren gekomen. De VVV benaderde de kwestie in echte volksbeschavingsstijl: als ze niet kwamen baden, moesten de vrouwen daarin worden opgevoed, net als de mannen. Na overleg met het badhuis gingen de deuren weer open.

Zo keurig netjes, bijna onzichtbaar, konden Drucker en haar vrije vrouwen niet blijven. Daarvoor waren de rechten van mens en burger in de 19de eeuw te slecht verdeeld tussen vrouwen en mannen. Weldra presenteerde de VVV zich in de openbaarheid. De krantenlezers in en buiten de stad konden in reportages vernemen hoe curieus “juffr. Drucker”, de presidente van de VVV, zich nu weer had uitgelaten over gelijke rechten op onderwijs voor meisjes en jongens, over hun fatale, gescheiden opvoeding, over prostitutie en het verbod op het onderzoek naar het vaderschap, over de wettelijke gehoorzaamheidsplicht van vrouwen aan de echtgenoot en hun zogenaamde exclusieve roeping voor huishoudelijk werk, over het vrouwenkiesrecht en misschien het belangrijkste: over de belemmeringen voor vrouwen om hun eigen brood te verdienen. De satirische bladen raakten maar niet uitgeschreven over haar “mannenhaat” en gemankeerde “oude vrijsterschap”.

Debat met Domela

Mannen die vrouwen willens en wetens rechten ontzegden, gaven naar haar mening blijk van grootheidswaan en egoïsme. Dat lichtte ze vanaf 1894 tot haar dood toe in haar eigen blad Evolutie. Vooruitstrevende politici – en dat viel haar oprecht tegen – gingen daarbij niet vrijuit. De eerste keer dat zij een van hen tegensprak, was bepaald niet tijdens de minste gelegenheid: de allereerste Dag van de Arbeid, op 1 mei 1890. In Plancius aan de Plantage Kerklaan waren ruim 1400 Amsterdammers bijeengekomen om te luisteren naar Domela Nieuwenhuis. In het debat erna meldde zich maar één persoon met kritiek op zijn toespraak: de presidente van de VVV. Zij had hem horen spreken over een beperking en zelfs een verbod van arbeid voor vrouwen en kinderen. Zij was daartegen: vrouwen waren geen kinderen – ze moesten hun eigen brood kunnen verdienen. Een van de vrije vrouwen herinnerde het zich een mensenleven later nog goed: met de aanbeden leider in debat gaan “was in die dagen in dien kring weinig minder dan Majesteitsschennis.”

Ruim een jaar later riepen Drucker en de nieuwe aanwinst van de VVV, Theodore Haver, het Comité ter verkrijging van Stedelijke Stoomwasserijen in het leven. Penningmeester werd de piepjonge Henri Polak, de pas aangetreden secretaris van de Amsterdamse SDB. Gemeentelijke exploitatie van wasserijen zou volksvrouwen bevrijden van het zware en natte werk, met de hand, in de bedompte hokken waar ze woonden. De gemeenteraad ontving er in de loop van de tijd drie adressen over. De socialisten haakten al snel af. Ze vonden de actievergaderingen in de buurten van de stad prima, maar adressen getuigden van te veel vertrouwen in het stadsbestuur.

Vrouwenurinoirs

Deze actie werd begonnen toen de vooruitstrevend liberalen Carel Victor Gerritsen en Willem Treub zich sterk maakten voor gemeentelijke exploitatie van openbaar vervoer, gas en water. Hun daden waren groot, leert ons de Amsterdamse overlevering met betrekking tot de sociale stadspolitiek, maar de eerste gemeentelijke wasserij opende pas in 1917 en werd geen succes. Dat neemt niet weg dat de vrije vrouwen hún aandeel in de strijd voor collectieve voorzieningen op zich namen. Let wel, zonder de politieke mannenluxe van een zetel in de gemeenteraad, die Gerritsen en Treub genoten.

De “Edelachtbare Heeren” van de raad ontvingen ontelbare adressen van “W. Drucker, presidente en Th. P.B. Haver, secretares” namens de VVV. De inzet was gelijkheid, gelijkheid en nog eens gelijkheid. Meer dan eens moesten ze de raad met klem verzoeken niet akkoord te gaan met een voordracht van B&W voor het ontslag van een onderwijzeres die “de euvele moed had” te trouwen. In 1911 met het argument dat zo’n voordracht “het huwen qualificeert als een strafbaar feit.”
Dat jaar kregen ze hun zin. Maar meestal verdwenen die adressen in de ijle lucht van de politieke inspraak in het stedelijke besluitvormingsproces. Zo wenste de VVV in 1898 op verschillende punten in de stad kostenloze openbare privaten voor vrouwen. De heren moesten toegeven dat het ophouden van de urine voor een vrouw even schadelijk was als voor een man. Een jaar later repte een begrotingstuk over de ‘wenschelijkheid’ van urinoirs voor vrouwen. Daar bleef het bij.

Polemische talenten

In 1902 moest de raad zich buigen over de ongelijke behandeling van wezen in het Burgerweeshuis in de Kalverstraat: de VVV was van mening dat de weesmeisjes recht hadden op vakonderwijs. De pers keek mee. Vooral het raadslid dat ook regent van het weeshuis was toonde zich zwaar gepikeerd. Wat wist zo’n vereniging er nu van? Feit was dat de jongens na de lagere school een vak mochten leren, maar dat de meisjes, in de woorden van Drucker, werden ‘afgericht’ als linnenmeid in het weeshuis. Ze konden naaien noch strijken als ze uit het weeshuis kwamen, “daargelaten de in de maatschappij door niemand gedragen weezen-uniformen”. Zo was de kans groot dat ze in de prostitutie terecht kwamen. Elke wees kostte het Burgerweeshuis f 400,- per jaar. Het ging niet aan een deel van dat bedrag van een meisje af te pakken om het aan een jongen te besteden, aldus Drucker. Het was een van haar polemische talenten om mooi klinkende vanzelfsprekendheden terug te brengen tot hun minder mooie zakelijke kern.

Zij bracht haar feministische aanspraken ook naar de straten en pleinen van demonstrerend Amsterdam. Op wat nu het Museumplein heet bijvoorbeeld sprak ze in 1891 de 30.000 arbeiders toe die vanuit het hele land waren gekomen om kiesrecht te eisen. Ook hen maakte ze het moeilijk. Want ze begon over het vrouwenkiesrecht, waar ze nog helemaal niet aan toe waren. Mannen gingen vóór, vonden de demonstranten en hun leiders. Vandaar dat Mina in 1894 het initiatief nam tot de oprichting van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Die groeide langzaam uit tot een grote, assertieve vereniging, die het Paleis voor Volksvlijt vol wist te krijgen met protestmeetings en in de straten van de hoofdstad liet zien dat demonstreren zo onvrouwelijk niet was als men dacht.

Korsettenverbranding

Protestvergaderingen, adressen, een scherpe pen in Evolutie – deze Amsterdamse bleef haar leven lang lastig. Zeker ook tijdens de Eerste Wereldoorlog, als vrijdenkster en antimilitariste. Ze liep inmiddels tegen de 70 toen ze vanuit een marktstalletje van de vrijdenkersvereniging De Dageraad antimilitaristische toespraken afstak, zonder zich iets aan te trekken van het gelach van voorbijlopende Zeedijkgangers.

Tijdens haar leven mocht Drucker slechts een beperkt aantal overwinningen smaken. Tien jaar na het adres over het Burgerweeshuis konden ook meisjes een vakopleiding volgen. En drie jaar voor haar dood kwam het algemeen vrouwenkiesrecht in de Grondwet te staan. Ze was een pionierster, iemand die het pad effende voor mensen met minder politieke verbeeldingskracht.

Deels verscholen tussen het groen van de Churchilllaan (hoek Maasstraat) staat haar standbeeld. De Dolle Mina’s van de tweede feministische golf verbrandden daar korsetten in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Wilhelmina Drucker werd geen ‘dolle mina’ genoemd en ze was niet tegen dit type underwear, mits het maar niet zo ‘onnatuurlijk’ strak was ingesnoerd. Maar het beeld maakt duidelijk dat Amsterdam haar niet vergeten mag.

Beeld header: Betoging voor het vrouwenkiesrecht op de Reguliersgracht, 1916. Stadsarchief Amsterdam.