Begraafplaats Westerveld in de Kennemerduinen. Hier ligt de top van artistiek, zakelijk en bestuurlijk Amsterdam tussen pakweg 1880 en 1950. Overal staan rechthoekige stenen in een glooiende zee van mos en wild gras.Op een ervan is een kroon van kastanjeknoppen gebeiteld en de naam Wibaut. Recht tegenover de toenmalige socialistische wethouder voor Volkshuisvesting de liberaal Walrave Boissevain, met wie hij tussen 1918 en 1931 zo vaak de degens kruiste. Op zijn steen een reliëf van de Magere Brug met de tekst: ‘Gezegend Amsterdam, velen hebben u lief.’ Beneden bij een vijver het monument voor Multatuli, wiens Max Havelaar een verpletterende indruk had gemaakt op de jonge Wibaut. Onder een parasol van groen de Amsterdamse koopman, bankier en voorzitter van de Wagner-Vereeniging Julius Carl Bunge. Daar vlakbij in een gestileerde urn Josef Cohen en zijn vrouw Rosalie Cohen-Wittgenstein, oprichters van Maison de Bonneterie in de Kalverstraat. Enkele stappen verder de tombe met twee vleugels van bouwmeester Karel de Bazel. En een beetje vergeten in het hoge gras de urn van Isaac Israëls.
Al die bekende Amsterdammers verpozen niet langs de lanen van Zorgvlied aan de Amstel of de knisperende paden van De Nieuwe Ooster, maar zo’n twintig kilometer westelijker in de duinen van Kennemerland, op het terrein van begraafplaats en crematorium Westerveld. 125 jaar geleden werd de oprichtingsakte getekend voor wat nog altijd één van de oudste particuliere begraafplaatsen van Nederland is. Een van de mooiste ook.
Een bijzondere omgeving, zag al in 1890 de recensent van het ‘geïllustreerd volkstijdschrift’ Eigen Haard: “Men waant zich op Westerveld in een heerlijke lustgaarde verplaatst; al het ijzingwekkende, dat anders de gedachte aan den dood vergezelt, treedt naar den achtergrond, om te midden dezer trotsche en tegelijk zoo lieflijke natuur voor aandoeningen van zachteren aard plaats te maken.”

Aletta Maria Waller

Waarom liggen zoveel bekende Amsterdammers zover buiten de stadsgrenzen? Op het terrein van Westerveld werd in 1913 het eerste en lange tijd enige crematorium van Nederland geopend, met columbaria en urnenvelden, onder meer ontworpen door Willem Dudok. Zijn collega Berlage, hét symbool van de zich vernieuwende bouwkunst, wilde zich laten cremeren, maar dat kon in het jaar van zijn dood (1934) alleen nog maar hier. De overleden Wibaut werd op 2 mei 1936 met een plechtigheid herdacht in het Concertgebouw, maar daarna voor de crematie naar Westerveld gereden – de kist bedekt met een oude SDAP-partijvlag. Zes auto’s met bloemen waren hem al vooruitgegaan.
De eerste in een lange rij Amsterdammers wier lichaam op Westerveld ter aarde werd besteld, is volgens de archieven Aletta Maria Waller. Het verhaal van haar bijzetting illustreert hoe de plek kon uitgroeien tot een van de meest geliefde knekelvelden van de hoofdstad. Wallers graf (genummerd G 1) is te vinden aan de voet van het hoogste duin. Het kost enige moeite de tekst op de hardstenen zerk te ontcijferen, want de zwarte verf waarmee de letters naar de mode van die dagen waren gelakt, is bijna geheel verdwenen. Volgens de archieven overleed Waller in 1889, maar werd ze hier begraven op 31 december 1890, bij twaalf graden vorst. Het betrof dan ook een herbegrafenis. Waller was na haar dood eerst ter aarde besteld op de Oude Oosterbegraafplaats, net buiten de Muiderpoort, ongeveer waar later het Koninklijk Instituut voor de Tropen is gebouwd.

Exclusieve plek

Waller was de weduwe van mr. G.H. de Marez Oyens. Zijn naam en die van hun twee dochters Ida en Cornelia Johanna staan ook op de steen. De Marez Oyens behoorde in zijn tijd tot het Amsterdamse patriciaat. Hij was bankier, lid van een familie die een grote rol speelde in de financiële kringen van de stad. Tot zijn netwerk behoorde ook de initiatiefnemer tot Westerveld: de commissionair in effecten en kunstverzamelaar Carel Daniel Reich jr. Een indrukwekkende verschijning met zijn gezette gestalte, bolle blozende wangen, witte haardos en witte baard.
Reich smeedde met een half dozijn collega-commissionairs plannen voor een nieuwe begraafplaats. Oude begraafplaatsen moesten wellicht sluiten en het ruimtegebrek was enorm. Zorgvlied, de nieuwe begraafplaats aan de Amstel, was vanaf de opening in 1870 zeer in trek bij rijke Amsterdammers, waardoor het de naam van een elitebegraafplaats had gekregen. Maar Reich en de zijnen zochten een nóg exclusievere plek met een plechtige, deftige en romantische sfeer, waar het ook mogelijk was eeuwigdurende grafrechten te kopen.
Ze richten hun blik naar het westen. Niet zo vreemd, want in de 17de en 18de eeuw lieten gefortuneerde Amsterdammers buitenplaatsen voor de zomermaanden neerzetten in onder meer ‘Het zegepralent Kennemerlant’. Het oog van Reich en zijn collega’s viel op het landgoed Westerveld in Driehuis in de gemeente Velsen. In een van hun eerste brochures (december 1887) wezen de initiatiefnemers op de voordelen van een graf op Westerveld ten opzichte van bijvoorbeeld de oude Ooster- en Westerbegraafplaatsen: die waren “vroeger buiten het bebouwde deel der Gemeente gelegen, thans hoe langer hoe meer ingesloten door volkrijke buurten.”

Rouwtrein

Het idee van een romantische, stille plek in de duinen sprak velen aan. Op 20 februari 1888 was er zoveel geld in kas dat de villa Westerveld plus grond ter grootte van dertien hectare konden worden gekocht. Op 28 mei verschenen voor de Amsterdamse notaris G.H. Kruimel onder anderen Reich en jhr. Lodewijk van Teylingen (Kolonel Commandant van het 2de Genie-Commandement in Amsterdam) voor de oprichting van de Naamloze Vennootschap Begraafplaats Westerveld. Het moest een “bijzonder begraafplaats bestemd voor alle gezindten” worden.
De afstand leek een obstakel. Eind 19de eeuw reden er nog nauwelijks auto’s. De rit per koets met doodskist van Amsterdam naar Driehuis, via Haarlem en Santpoort over de kronkelige Duin- en Kruidbergerweg, duurde vele uren. Dat realiseerden de oprichters zich ook. Maar ze hadden met een schuin oog gekeken naar ontwikkelingen in het buitenland. In Parijs en Londen was vervoer per trein naar een begraafplaats al mogelijk. Het terrein van Westerveld lag precies ten westen van de spoorlijn Haarlem-Uitgeest, die in 1867 in gebruik was genomen.
Al in een vroeg stadium benaderden de stichters van Westerveld de directie van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). Ze pleitten voor een eigen vertrekhal bij het pas geopende station in de hoofdstad: “waar de rouwstoet zich verenigt, terwijl de begrafenis verder met afzonderlijke rouwtrein geschiedt en in niets wordt te kort gedaan aan de plechtigheid en rust, in die omstandigheden zoo gewenscht.” De onderhandelingen met de HIJSM verliepen moeizaam. De bouw van het geplande Westerveldhuis achter het station bij de Oostelijke doorgang (later genummerd De Ruyterkade 91) plus de aanpassingen aan het spoor kostten meer tijd dan voorzien. Maar het resultaat mocht er zijn.

Scherpe tarieven

De lijkwagen en volgkoetsen reden een brede vestibule binnen. Een lift bracht de kist vervolgens naar het perron, naar de rouwtrein met katafalk, een platte wagon met draperieën en versierselen. Afhankelijk van de grootte van het gezelschap kon het aantal personenwagons eenvoudig worden aangepast, tot zelfs een kwartier voor vertrek richting Westerveld. Daar aangekomen bereikte de rouwtrein via een wissel de begraafplaats, die was aangelegd naar een ontwerp van de vermaarde tuin-en landschapsarchitect Louis Zocher. De locomotief stopte bij een speciaal gebouwde aula, op de plek van de huidige rouwkamers. Volgens een bezoeker maakte “de geheele inrichting van dit gebouw door de ernst zijner lijnen, evenzeer als door de stemming der draperie een diepen indruk.”
Het aantal begrafenissen viel de eerste jaren een beetje tegen, maar de directie van Westerveld speelde in 1894 met scherpe tarieven in op de dreigende sluiting en ruiming van de oude Ooster- en Westerbegraafplaats. Tegelijk stelde men alles in het werk de begrafenisplechtigheid zelf met een zekere allure en deftigheid te laten verlopen. Zo kreeg de conciërge op de De Ruyterkade een zilveren band om zijn pet met de tekst Conciërge Westerveld.
De auto won in die jaren snel aan populariteit. In 1911 waren er 22 begrafenissen op Westerveld, maar slechts drie keer werd de rouwtrein gebruikt. In 1917 viel het doek voor het vervoer per spoor. Het rouwstation aan de De Ruyterkade werd onteigend om plaats te maken voor het postkantoor, het kantoor van de begraafplaats verhuisde naar P.C. Hooftstraat 14. Wie toch per spoor wilde reizen naar Westerveld nam de trein op het eerste perron. De familie kon zich verzamelen in de wachtkamer derde klas ‘niet rooken’. Bij station Driehuis-Westerveld werd de kist voortaan op een rouwwagentje naar de aula gereden.

Treintabel

Velen herinneren zich nog dit simpele station, dat in september 1983 uit de dienstregeling werd genomen omdat de lijn Haarlem-IJmuiden niet rendabel was. Menige rouwkaart vermeldde dat de laatste tocht van een geliefde werd afgestemd op de aankomsttijden van de treinen uit de richting Haarlem. In een berichtje in het Utrechtsch Nieuwsblad van donderdag 20 april 1944 wordt bekendgemaakt dat de crematie van het raadslid Walrave Boissevain “zal geschieden Zaterdag a.s. te Westerveld na aankomst van den trein te 10.30 uur.” Het stoffelijk overschot van Carl Julius Bunge werd ter aarde besteld “na aankomst van trein 11.41 halte Driehuis.”
Je probeert je voor te stellen wat zich heeft afgespeeld op het nu door brandnetels overwoekerde perron, bij de grafmonumenten en de groen geoxideerde urnen. Kranten deden vroeger soms uitvoerig verslag van begrafenissen van notabelen en kunstenaars. Loco-burgemeester Wibaut bijvoorbeeld hield volgens verslagen een magistrale redevoering bij de teraardebestelling van burgemeester Tellegen in april 1921. “Alles voor de gemeente in wier dienst hij zich had gesteld, niets voor zichzelf.” Wibaut legde een krans op het graf. De linten hiervan droegen als opschrift de woorden ‘zwaar van leed, zwaar van dank’. Ook bij de begrafenis van Joan Muysken, directeur van Werkspoor, werden vele mooie woorden gesproken.“Hij was een man van karakter, fair, eerlijk en hoogstaand.” Het muziekkorps van het personeel van Werkspoor speelde treurmuziek terwijl arbeiders de onder vele bloemstukken bedolven baar naar het duin droegen. Dat was op 10 maart 1928.

Op 29 november 1941 werd door onder anderen zijn collega’s Kees Maks, Charley Toorop en conservator Willem Sandberg afscheid genomen van de schilder Leo Gestel. Een familielid memoreerde dat het Gestels wens was “begraven te worden bij de zee, in de duinen, dicht bij het graf van zijn lieve broer John, daar waar de branding van de zee is te horen. In de branding heeft hij gestreden en is hij groot en onaantastbaar gebleven.” Na het Ave verum van Mozart werd “de baar onder het spelen van Schuberts Litanei grafwaarts werd gedragen, gevolgd door de zeer talrijke belangstellenden.” Het graf is bekroond met een sculptuur van paarden die zich aan de aarde ontworstelen en ligt op de hoogste duintop van de begraafplaats.
Dennenbomen belemmeren tegenwoordig het uitzicht op de zee. Lodewijk van Deyssel ligt daar vlakbij onder een zware, simpele, dwars doormidden gebarsten zerk. Het Polygoonjournaal filmde zijn begrafenis in 1952. Tien kraaien dragen de met bloemen versierde kist door de besneeuwde heuvels van Westerveld. De stem van Philip Bloemendal noemt van de vele aanwezigen onder anderen Godfried Bomans, A. Roland Holst en Eduard Verkade. Ze houden de hoofden licht voorover gebogen. Bescheidener, maar wel dramatischer, moet het er aan toe zijn gegaan bij de crematie van Herman Gorter, 25 jaar eerder. Gorter hield er twee vriendinnen op na, die volgens de verhalen pas van elkaars bestaan op de hoogte raakten tijdens de rouwplechtigheid. Waar Gorters as zich bevindt, is onbekend; de urn is overhandigd aan de nabestaanden. Maar was dat Ada of Jenne?

Kerkhofkwaal

Er zijn op Westerveld talloze huizen des doods van kunstenaars, politici en andere notabelen uit Amsterdam te vinden. Maar al in 1915 werd geconstateerd door het bestuur dat “de schoot van Kennemerland” waarschijnlijk nooit een echte Amsterdamse familiebegraafplaats zou worden. Aan de randen van de stad kwamen nieuwe dodenakkers, veel later ook nieuwe crematoria, zoals Westgaarde.
In 1962 werd de oude aula van Westerveld, ooit de laatste halte van de rouwtrein, wegens bouwvalligheid afgebroken. Daarmee verdween een van de laatste tastbare verwijzingen naar de connectie tussen Amsterdam en Westerveld. De plek waar leden van typisch Amsterdamse families als Van Eeghen, Von Saher, Heldring, Goudstikker, Van Tienhoven en vele andere afscheid van elkaar hadden genomen.
In latere jaren waren er toch nog wel Amsterdammers die kozen voor de begraafplaats. Onder hen Hans Bayens, de beeldhouwer van het bronzen beeld van Multatuli op de Torensluis. En Boudewijn Büch, de schrijver, dichter en tv-maker die ernstig leed aan de kerkhofkwaal: “Dode dichters, ik kan er niet van afblijven.” Hij houdt zich nu schuil in een pompeus graf met een zuiltje waarvoor zijn literaire held Goethe zich niet zou schamen. Ook de verre navolger van socialist Wibaut ligt hier: Joop den Uyl, samen met echtgenote Liesbeth. Samen geleefd, samen begraven. Op Westerveld, de begraafplaats met “overal zijn bekoorlijke punten die niet tot droefgeestigheid, maar tot ernst stemmen.”